Brieven

Grondwet gehoorzamen is niet onrechtmatig

Met zijn waarschuwing dat men bij berechting van een Kamerlid beducht moet zijn voor een ‘politiek proces’ heeft Gerard Spong (31/12) gelijk, maar zijn stelling dat het parlement ‘onrechtmatig’ handelt als het de procureur-generaal bij de Hoge Raad inzake het vermeende CIVD-lek een ‘opdracht tot vervolging’ wegens ambtsmisdrijf zou geven, is voorbarig. Volgens de Grondwet kan zoiets slechts bij koninklijk besluit of besluit van de Tweede Kamer. Is de Grondwet gehoorzamen werkelijk onrechtmatig? Ook heeft Spong gelijk dat zo’n proces zonder beroepsmogelijkheid strijdig is met het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, maar hij vergeet dat Nederland bij ratificatie een voorbehoud maakte. De grondwettelijke drempel en de vereiste van tien raadsheren zouden voldoende waarborg moeten bieden.

Geen gelijk heeft Spong inzake zijn historische onderbouwing. De veroordeling van minister Rijcken in 1868 vanwege een loslopende hond was geen ‘politieke koehandel’. En dat tegelijk met de frauderende senator Pincoffs in 1879/80 diens mededirecteur Kerdijk voor de Hoge Raad gedaagd werd, bewijst geenszins dat ook nu ‘medeverdachten’ (als een journalist) daar zomaar voor belanden. Tot 1884 golden andere bepalingen. Het betrof geen ambtsmisdrijven. Alle misdrijven en overtredingen tijdens ambtsuitoefening begaan kwamen destijds rechtstreeks voor de Hoge Raad. De procureur-generaal vervolgde zonder politieke opdracht.

Ernstiger is dat de Kamer bij instelling van de onderzoekscommissie-Scholten de wettelijke vereisten – een schriftelijke aanklacht door vijf Kamerleden – negeerde. De commissie opereert zonder wettelijke grondslag.

Toch geen eerlijk proces

Op zijn blog en in zijn brief onderschrijft Jan Dirk Snel grotendeels mijn betoog. Maar hij vindt dat ik slecht rechercheerde en voorbarig redeneerde. Sprekend over slechte recherche valt op dat Snels juridische recherche te wensen over laat. Anders dan hij kennelijk meent is een lid van de Staten-Generaal, een minister en een staatssecretaris, die gebruik maakt van macht met betrekking tot ieder strafbaar feit in eerste aanleg vervolgbaar bij de Hoge Raad. Datzelfde geldt voor medeverdachten, zelfs al hebben die niet dezelfde status. En als Snel een voorbehoud bij art. 14 lid 5 IVBPR belangrijker vindt dan het recht op een eerlijk proces, dan zij dat zo. De rechtspraak van het VN-Mensenrechten Comité ondersteunt zijn opvatting niet. Snel en ik zijn het in de kern wel eens, de rechtsgang op basis van art. 119 is achterhaald en voldoet niet aan de eisen van een eerlijk proces.

Gerard Spong