Van straffen wordt niemand beter, vond hij

Herman Thomas Bianchi, criminoloog (1924-2015)

Alleen ziekelijke criminelen horen in de gevangenis, vond hoogleraar criminologie Bianchi.

Archiefbeeld

Het gaat te ver om te zeggen dat het strafrecht nu is aangeland waar het volgens Herman Bianchi altijd al had moeten zijn. Maar er is de laatste jaren, met de toenemende aandacht voor slachtoffers, wel beweging in de richting die de hoogleraar criminologie aan de Vrije Universiteit zijn hele loopbaan heeft voorgestaan. Bianchi, die op 30 december op 91-jarige leeftijd overleed, vond dat de reactie op overtredingen en misdrijven niet een straf moest zijn, maar herstel. Geen strafrecht dus, maar herstelrecht, of restorative justice, zoals de aan invloed winnende beweging wordt genoemd.

Een misdrijf is in essentie geen conflict tussen staat en burger, vond Bianchi, maar tussen dader en slachtoffer. En de reactie moet erop gericht zijn die relatie te herstellen. Van straffen wordt niemand beter, en alleen mensen die ziekelijk crimineel zijn horen – tot ze weer beter zijn – thuis in gevangenissen. De huidige tbs, dus.

Bianchi mocht graag zeggen dat hij hierin een voorloper was, en dat is niet helemaal zonder reden, zegt René van Swaaningen, hoogleraar criminologie aan de Erasmus Universiteit. „Eigenlijk was zijn boek uit 1964, Ethiek van het straffen, al een pleidooi voor het herstelrecht.” Van Swaaningen studeerde bij Bianchi, en was ook zijn student-assistent. Bianchi ging hierin verder dan andere voorstanders van een meer op herstel gerichte reactie. Zo vond hij dat bijvoorbeeld mediation, zoals nu gebeurt, niet binnen het strafrecht hoorde, maar daarbuiten. De daders zouden anders uit onzuivere motieven kunnen meewerken. Hij was heel fel in zijn opvattingen, zegt Van Swaaningen. Op de achterflap van de biografie over Bianchi, geschreven door Kees Sluys, staat een kenmerkend citaat: „De gevangenis is het meest schunnige instituut dat de mensheid in de laatste vierhonderd jaar heeft uitgevonden.”

Bianchi zelf heeft wel verband gelegd tussen zijn opvattingen over straf en zijn eigen ervaringen met de willekeurige machtsuitoefening door de staat: in het laatste jaar van de oorlog kwam hij in concentratiekamp Amersfoort terecht.

Bianchi was een gepassioneerde, rechtlijnige man, zegt Van Swaaningen. Hij was opgevoed door een strijdbare, gereformeerde moeder, maar stapte over naar de hervormde kerk omdat hij, anders dan de gereformeerde politieke partij ARP, wél vond dat Indonesië na de oorlog onafhankelijk moest worden. Op latere leeftijd is hij zelfs tot het rooms-katholicisme bekeerd.

Bianchi werd de laatste jaren Thomas genoemd, zegt Van Swaaningen. „Hij had altijd een hekel aan de naam Herman, die ‘soldaat’ betekent. Hij was een zoeker, daar past Thomas beter bij, vond hij.”