Toen winters nog echte winters waren

Winterlandschap van Andreas Schelfhout, de romantisch winterschilder bij uitstek.

‘Echte Winters’ in Teylers Museum toont negentiende-eeuwse wintertaferelen die, ondanks de kleine ijstijd, braaf waren.

Eén van de vreemdste winters sinds mensenheugenis is die van bijna tweehonderd jaar geleden. 1816 zou de geschiedenis in gaan als het jaar dat de zomer werd overgeslagen. Extreme kou en nachtvorst in juli en augustus zorgden dat oogsten mislukten, met als gevolg hongersnoden, plunderingen, tyfus en cholera. 

Dat die rampzalige winter geen plek heeft op Echte Winters in het Teylers Museum, over wintertaferelen in de 19de eeuwse Nederlandse schilderkunst, is te begrijpen. Er waren namelijk heel wat meer verschrikkelijke winters. Europa verkeerde tot halverwege de negentiende eeuw in de zogeheten kleine ijstijd. Vol detail tekende Christiaan Josi in 1802 de ijsgang en dijkbreuk nabij Gorinchem en Nijmegen drie jaar eerder: ijsbergen die bomen ontwortelden en boerderijen verzwolgen. Machteloos kijken de boeren toe. De grillige ijsschotsen die David Humbert tekende in 1809, in lijn met de Duitse Romantiek, lijkt een hooggelegen gletsjer. Maar nee, zo zag de Maas eruit, aldus het bijschrift.

Toch is heftig drama een uitzondering in negentiende-eeuwse landschappen, want daarvoor stond harmonie te hoog in het vaandel. Andreas Schelfhout werd dé winterschilder en zijn harmonieuze sfeerbeelden hebben de hoofdrol in de tentoonstelling. Op de voorgrond schilderde hij steevast zwarte ijsvlaktes met diagonale krassen van schaatsen, die weg meanderen richting de strakke horizon van de polder, waarboven wolkenpartijen zich naar rechtsboven bewegen, het beeld uit. Ze waren ontzettend gewild, deze lieflijke ijsidylles volgens beproefd recept. Maar de weinig briljante Schelfhout als held van een tentoonstelling?

IJsgezicht van Andreas Schelfhout.

Dat geeft maar aan waarom de negentiende-eeuwse Nederlandse kunst weinig bekend is: iets te braaf allemaal. De tentoonstelling heeft zelfs een sentimenteel hoekje met kou en armoede en bibberende kinderen, nog net geen zwavelstokjes. Die cocktail van klassieke smaak met vleugjes weemoed proef je overal. Het hing samen met de snelle veranderingen destijds, de industriële revolutie die in de schilderijen expres ver buiten beeld blijft. Mensen verlangden terug naar de Gouden Eeuw waardoor schaatsvoorstellingen van Van Goyen en Avercamp een voorbeeldfunctie kregen. Ze hangen in een aparte prentenzaal: volksfestijnen waarop schaatsers vallen, drinken, feesten. Die volksheid werd natuurlijk gematigd in de negentiende-eeuwse kunst, maar niet in het echte leven waar kroegbazen de eerste schaatswedstrijden organiseerden. En dameswedstrijden werden afgeschaft toen de schaatssters steeds meer rokken uittrokken om vaart te kunnen maken.

Zo vertelt deze brave kunst toch veel interessants. En bovendien trok de kwaliteit eind negentiende eeuw bij. De vijftig tinten grijs van de dan nieuwe Haagse School leenden zich goed voor het verbeelden van grauwe winters. Prachtig is er de schapenkudde van Anton Mauve, voortploegend door de sneeuw waarin zwarte vegen de koude donkere aarde voelbaar maken.

Zowel klimaatactivisten (zie je wel, alles wordt warmer) als klimaatsceptici (menselijke invloeden zijn ondergeschikt aan de krachten van de elementen) komen aan bod op Echte winters. De tentoonstelling in het Teylers Museum biedt een opmerkelijke historische blik. Want al denkt iedereen bij ijs van vroeger aan Elfstedenpret, dat het ijs ook rampen veroorzaakte zijn we in deze opgewarmde tijden alweer helemaal vergeten.