Poedelnaakt de Noorse natuur in

Wie ben je als er niemand kijkt, is de slogan van de Noorse speelfilm Out of Nature. Terwijl de grap van deze film nu juist is dat ons kijkers niets ontgaat: we kijken met z’n allen mee onder het schedeldak van de 35-jarige Noor Martin, gespeeld door regisseur Ole Giaever. Geen beschamende gedachte, oprisping of fantasie blijft ons bespaard.

In het eerste shot bespiedt Martin vanachter zijn spiegelruit een gezet kantoortype met baardje. Hoe oud is die kerel? 52? Kan zomaar 66 zijn, peinst hij. En daar op straat, met dat pittig korte kapsel, is dat soms zijn echtgenote? Zo’n type dat antislipmatjes onder het tapijt legt? De toekomst is grauw: Martin bevindt zich in de levensfase die Doe Maar bezong in Is dit alles en René Fröger in Een eigen huis. Als elke verrassing en hoop uit het leven sijpelt: saai huwelijk, saai huis, saaie baan. Zelfs zijn levenscrisis is banaal, beseft Martin. „Ben ik dat? Zo’n onrustige dertiger?”

Martin vlucht een weekeind met rugzakje de natuur in, om te joggen en de worm van de twijfel te laten knagen. In Out of Nature gebeurt weinig – de Noorse natuurbeelden zijn prachtig – maar tegelijk van alles. In het diepst van zijn gedachten blijkt Martin beurtelings ransaap, geobsedeerd door de natte kut van een verkoopster, of existentialistisch filosoof. Waarom niet met collega’s uit zuipen, met een afterparty thuis? Of van zijn vrouw scheiden, of verongelukken? Waarna een weeïge golf schuldgevoel over hem spoelt omdat hij zijn schaamhaar niet meer scheert. En hij zich vermant. Kom op zeg, lekker van bil en alles komt weer goed. Nee, zo makkelijk gaat dat niet.

En zo maalt het door, de angst, de spijt, de woede, de lust. In een levenslang ballet van ego, id en superego. Out of Nature biedt, zo schaam ik me te bekennen, een akelig geloofwaardige en herkenbare stream of consciousness. Een mannenbiecht uit de school van Ingmar Bergman, gekruid met de humor waar die Zweedse maestro zich zo zelden op liet betrappen. Ook door de wrangkomische, gênante momenten – Martin door een jager betrapt bij het masturberen, een ontmoeting met twee halfzussen in een jachthut – wordt de brave Scandinaviër fysiek én mentaal uitgekleed en tot het bot vernederd. Zo eenzaam en ontoereikend, zo geblokkeerd door eigen verwachtingen: de man als ziektebeeld.