Plato was mesjogge

Nobelprijswinnaar en natuurkundige Weinberg rekent in zijn boek af met klassieke wetenschapshelden als Aristoteles en Descartes. Hij slaat de plank flink mis.

Hoeveel wetenschapshistorische boeken en artikelen zijn er al niet gewijd aan de ontwikkeling van de wetenschap: een zoektocht van meer dan tweeduizend jaar, van de eerste pogingen van de Griekse natuurfilosofen tot de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw, waarin Galileo, Kepler en Newton de basis legden voor de moderne wetenschap. Wie daar nog iets aan toe meent te kunnen voegen, moet van goeden huize komen.

Steven Weinberg, theoretisch natuurkundige en Nobelprijswinnaar in 1979, is zo iemand. Als een van de architecten van het Standaardmodel, de theorie die alle (subatomaire) deeltjes en hun onderlinge krachten beschrijft, weet hij als geen ander hoe wetenschappelijke theorieën tot stand komen. In De wereld verklaard – de weerslag van een reeks eerstejaarscolleges aan de universiteit van Texas – schetst hij de belangrijkste historische ontwikkelingen, maar wil hij bovenal laten zien hoe de mens leerde om te leren: ‘Hoe lastig de ontdekking van de moderne wetenschap was, en hoe verre van vanzelfsprekend de wetenschappelijke praktijk is.’

Groten als Aristoteles probeerden de wereld te verklaren puur vanuit de menselijke rede, maar kwamen daar niet ver mee. Pas met de ontwikkeling van de wetenschappelijke methode, gebaseerd op het toetsen van hypothesen aan de hand van experimenten, zijn we erin geslaagd de wetten van de natuur te ontrafelen.

De schaduw van de zon

Als een goede leraar en gids volgt Weinberg het veel betreden pad en neemt hij de lezer mee naar de bron van het natuurwetenschappelijk denken, de Griekse natuurfilosofen, voor wie de wereld bestond uit één of meer basissubstanties (bijvoorbeeld water of lucht). Erg veel leverde dat niet op. Ze waren er namelijk helemaal niet op uit om iets te verklaren en daarmee waren ze in de ogen van Weinberg niet veel meer dan dichters.

Niemand, ook Aristoteles niet, kwam op het idee om een theorie te testen aan experimentele waarnemingen. In de astronomie kon dat wel. De bewegingen van planeten en sterren boden immers een kosmisch experiment waaraan een waarneembare regelmaat ten grondslag ligt. Geen wonder dus dat de Grieken daar wél voortgang boekten. Door de bewegingen van de planeten te volgen en vast te leggen, kwam Ptolemaeus tot zijn hemelmodel. En door goed te kijken naar de schaduw die de zon op diverse plaatsen op aarde wierp, begreep Eratosthenes dat de aarde rond was en kwam hij tot een alleszins acceptabele berekening van de omtrek. En dat in de derde eeuw voor Christus.

Op dat punt aangekomen laat Weinberg zien waar hij werkelijk op uit is. Hoe jammer is het, zo schrijft hij, dat Eratosthenes geen idee had van het belang van meetfouten, van de onzekerheid die elke meting nu eenmaal kenmerkt. Dan was er een veel betere schatting uit gekomen. Hij zoekt de confrontatie met wetenschapshistorici door de geschiedenis en het denken van vroeger in het licht van het heden te bezien en te interpreteren.

Dat heeft zijn beperkingen. Het is – zo viel in een bespreking van Weinbergs boek in Nature te lezen – alsof je in een architectuurgeschiedenis de mate beoordeelt waarin bouwwerken voldoen aan moderne wooneisen en bouwvoorschriften. Maar dat kan Weinberg niets schelen. Hij moet niets hebben van historici of filosofen die wetenschappelijke resultaten zien als het product van sociale of culturele ontwikkelingen.

In de zogeheten science wars die in de jaren negentig woedden, stond hij ferm aan de kant van realisten als Richard Dawkins. Hij wenst ook niemand te sparen: Aristoteles was langdradig, Plato mesjogge, René Descartes een navelstaarder die nauwelijks iets goeds heeft voortgebracht en de bijdrage van Francis Bacon aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke methode is grenzeloos overschat.

Wat hij echter over het hoofd ziet, is dat zij allemaal de ontwikkeling van de wetenschap steunden, haar verdedigden als een nuttige menselijke bezigheid en zo de juiste omstandigheden schiepen waarin Weinbergs ware helden konden oogsten. Daarbij is hij een hardcore reductionist. Voor hem is er maar één ware wetenschap, de natuurkunde, waartoe elke andere herleid kan worden: de genetica, de evolutietheorie, allemaal scheikunde, en ‘daarmee stevig gegrondvest op de natuurkunde.’

Badwater

Na Newton, met wie het boek feitelijk afsluit, was het dus gedaan. In een epiloog van tien pagina’s jast Weinberg er nog even alle latere ontwikkelingen bij wijze van voetnoot doorheen, om af te sluiten met een serie ‘Technical notes’ waarin hij enkele concepten aan de hand van formules illustreert. Die voegen weinig toe, net als de vele voorbeelden uit zijn eigen loopbaan als wetenschapper waarmee hij historische feiten illustreert, of de onbescheiden verwijzingen naar eigen successen. Zulke intermezzo’s storen meer dan dat ze verhelderen.

Zo is De wereld verklaard een zeer teleurstellend boek geworden. Natuurlijk: het succes van een reductionistische aanpak is ontegenzeggelijk groot, maar door succes als leidraad te nemen voor de beoordeling van de geschiedenis, gooit Weinberg het kind met het badwater weg.