Periscoopmeeuw

Meeuwen worden tegenwoordig als probleem beschouwd, maar in de Eerste Wereldoorlog is intensief onderzoek gedaan om ze Duitse U-boten op te laten sporen. In die tijd – zonder sonar en onderwatermicrofoons – hadden die onderzeeërs vrij spel en brachten ze enorme aantallen koopvaardijschepen tot zinken. De Britse Board of Invention and Research riep het publiek op ideeën te leveren om deze verliezen te stoppen.

Een van de 14.000 voorstellen propageerde de inzet van meeuwen: Thomas Mills, patriot en miljonair, bedacht een mini-onderwatervaartuig met een nepperiscoop dat regelmatig katten- en hondenvlees ontlaadt. Het drijvende lokaas zou meeuwen aantrekken die uiteindelijk, zodra er ergens op zee een periscoop opduikt, geconditioneerd zouden moeten reageren en zo de locatie van vijandige U-boten prijsgeven. Hoe simpel kan het zijn. Het trainen van zeemeeuwen stuitte echter op verzet bij de Britse marine en Mills’ plan werd niet uitgevoerd. In de Verenigde Staten ontwikkelde de uitvinder Albert D. Pentz tegelijkertijd een vergelijkbaar systeem (The Art Word, januari 1918). Men vergat echter aan beide zijden van de oceaan dat meeuwen ver buitengaats, waar onderzeeërs juist graag toeslaan, ontbreken.