Hoe hokjesdenkers mij naar Sevilla brachten

Wie helpen we, wie helpen we niet? We mogen niet discrimineren, maar kunnen ook niet iedereen vertrouwen. Hier de ervaringen van Katja van Nimwegen toen ze hulp nodig had en toen zij hulp kon geven.

illustratie istock

Kun je Europa doorkruisen in een paar dagen, zonder geld? Helpen mensen je als je ze nodig hebt? Ik miste mijn vlucht Eindhoven – Sevilla en besloot te gaan liften. Onbedoeld werd het een sociaal experiment. Ik kende de do’s en don’ts maar had nog nooit in mijn eentje gelift, laat staan zo ver.

Om het veilig te houden nam ik me een aantal dingen voor:

1: Slechts via tankstations. Niet met een bordje langs de weg dus, want dan kan je zelf niet uitkiezen bij wie je instapt.

2: Niet bij alleen reizende mannen in de auto.

Mijn eerste lift was van twee Vlaamse meisjes. Snel werd duidelijk wat ze in Nederland te zoeken hadden. Er kwam een grote zak wiet tevoorschijn en de eerste joint werd al gerold. Ondanks de gezelligheid hield ik de bestuurster in de gaten. Toen ik via de binnenspiegel twee rode, starende ogen zag liet ik me afzetten.

3: Vermijd gedrogeerde bestuurders.

Deze zomer was ik afgestudeerd. Ik had gelezen over zelfvoorzienende gemeenschappen en wilde mijn eten eens met fysieke arbeid verdienen. Ik bleek keuze te hebben uit honderden projecten en koos voor een grote gemeenschap in Andalusië, Spanje.

Om daar te komen hielpen tientallen Europeanen me verder. Een Vlaming nam me mee naar een hippiefestival en regelde een tentje voor me. Een Brits gezin gooide hun wandelplannen om zodat ze me op een betere plek af konden zetten. Een jongen op het treinstation van Dijon sprak me aan omdat er geen nachttreinen meer vertrokken: ik mocht in zijn leegstaande appartement slapen.

Drie dagen bracht ik door op achterbanken. De auto bleek de perfecte plek om het leven te evalueren, een lifter de perfecte toehoorder. Vaak kwam ter sprake waarom mensen me mee hadden genomen. Bestuurders hadden in een split second een inschatting gemaakt: betrouwbaar? Aardig? Hulpbehoevend? Vooroordelen over geslacht, kleding of taal bleken in mijn voordeel gewerkt te hebben.

Meermalen ben ik gewaarschuwd voor de gevaren die ik liep, van niet één heb ik iets gemerkt. Mensen zijn bang voor wat ze niet kennen. Die angst is logisch en wederzijds. In Nederland komen dagelijks mensen aan die afhankelijk zijn van hulp, tot ze een verblijfsvergunning hebben. Wij maken ons zorgen, al dan niet terecht, over cultuurverschillen en terrorisme. Hoe zorgen we ervoor dat die angsten ons niet gesloten en egoïstisch maken? Het antwoord ligt in de eerdergenoemde split second. Al die hulpvaardige mensen onderweg keken me aan en schatten razendsnel mijn betrouwbaarheid in. Dat deden ze door onderscheid te maken.

Als reactie op de systematische onderdrukking van zwarten is discriminatie in Nederland verboden. Daardoor ligt de nadruk nu heel erg op gelijkheid van alle mensen. Maar dat mensen hetzelfde zijn is een misverstand. Huidskleur is inderdaad niet zo'n bruikbaar gegeven, ook zegt ‘vluchteling zijn’ niet veel over iemands betrouwbaarheid. Maar in plaats van deze hokjes volledig overboord te gooien moeten we er juist meer van toelaten. Mensen maken nu eenmaal inschattingen op basis van hokjes: geslacht, afkomst, leeftijd, taal. Hoe meer manieren van onderscheid, hoe hoger de kwaliteit van deze inschattingen. Hokjesdenken maakt vertrouwen mogelijk, de voorwaarde om iemand te helpen. Het is dus heel goed om in hokjes te denken, als we maar op zoveel mogelijk manieren onderscheid blijven maken.

Ook ik werd steeds handiger in het inschatten van mensen. Bij stelletjes moest ik de vrouw aanspreken, caravans kon ik overslaan. Bejaarde echtparen waren gezellig en extreem hulpvaardig. Tussen etniciteiten merkte ik geen verschil, al zat bij Arabische gezinnen de auto meestal propvol. Ze stonden me vriendelijk te woord.

Zo bereikte ik de boerderij, waar benzineluchten plaatsmaakten voor geitenstront. Een van de vrijwilligers was een vrolijke, gitaarspelende Colombiaan. Hij werkte harder en langer dan ieder ander. Wellicht naïef, maar toen hij me na twee weken vertelde dat hij asiel aan wilde vragen in Zweden was ik verbaasd. Ik zag zijn vertrek naar Europa als een geval van ‘het roer om’, maar hij was een vluchteling uit een gewelddadig land. Helaas wist ik: veel van de Europeanen die mij hartelijk in hun auto hadden toegelaten zouden hem niet eens als landgenoot accepteren.

Vluchtelingen onderscheiden we meestal op basis van één eigenschap: anders-zijn. Met de jongen uit Colombia was ik al bevriend geraakt, ik kende zijn humor, ambities, denkwijze. Daarom was het logisch dat ik hem iets verder hielp: ik leende hem wat geld en overtuigde hem de gemeenschap, waar hij nogal werd uitgebuit, te verlaten. Inmiddels is hij in Stockholm om zich bij het Migration Office aan te melden. Twee littekens van schotwonden op zijn borst dienen als bewijs voor zijn vluchtverhaal.

Zo zouden we ons beeld altijd moeten laten afhangen van zoveel mogelijk factoren. Mensen passen niet in een homogene probleemgroep, maar in ontelbaar veel meer hokjes. Op die manier onderscheid maken leidt tot hulpvaardigheid. En daar liftte ik graag even op mee.