Recht & Onrecht

De Togacolumn: Onverwacht menselijk naakt en andermans vrijheid

Vrijheid blijheid, of juist het recht om niet geconfronteerd te hoeven worden met andermans vrijheden? In de Togacolumn beschrijft advocaat-generaal Miranda de Meijer de zoektocht naar een ‘geschikte’ plaats om helemaal jezelf te mogen zijn – in het openbaar en zonder kleren.

Hoe relativerend kan menselijk naakt zijn? Terwijl we gebukt gaan onder nieuws over gewelddadige aanslagen van IS, videobeelden van gruwelijke onthoofdingen, vluchtelingenproblematiek, executies in Saudi-Arabië en de crisis in de Oekraïne, maakt het recreatiegebied de ‘Delftse Hout’ zich op voor een nieuw rechterlijk oordeel over een probleem van plaatselijke aard. Een kwestie in de periferie van strafwaardige gedragingen. Toch houdt het de gemoederen flink bezig, ook elders dan in Delft. Wat is hier aan de hand? Een groep personen die in het voorjaar van 2013 naakt gerecreëerd heeft op het voormalige naaktstrand in de Delftse Hout is daar voor beboet. Sindsdien – en inmiddels tot aan de Hoge Raad en weer terug - wordt er getwist over de toelaatbaarheid van recreërend naakt in de Delftse Hout. Volgens de wet is naaktrecreatie op een openbare plaats die daarvoor niet geschikt is, strafbaar. Deze regel strekt tot bescherming van de openbare orde, vanwege de onrust en aanstoot die zouden kúnnen ontstaan door ‘onverhoedse confrontatie’ met menselijk naakt. De vraag of hiervan in de Delftse Hout sprake is, hangt nog steeds in de lucht.

De recreatieplas de Delftse Hout wordt door één aaneengesloten strandje met ligweiden omringd. Het naaktstrand ging naadloos over in het “geklede strand” en wordt niet begrensd door bomen of struiken. Het betreft een open plek aan het water. Van dat water wordt gebruik gemaakt door onder andere een surfvereniging. Er liggen campings en speeltuinen, een hertenkamp en een kinderboerderij. Het gebied wordt bezocht door een breed publiek: gezinnen met kleine kinderen, wandelaars, fietsers, ruiters, skaters, watersporters, hondenbezitters en zonaanbidders. En dus ook door naaktrecreanten. Gekleed en ongekleed publiek maakten gebruik van dezelfde faciliteiten, waaronder wc’s en een kiosk. Omdat het naakt bij de voorbijgangers onrust veroorzaakte, werd deze plek door de plaatselijke bestuurders niet meer geschikt geacht voor ongeklede recreatie.

De toetsing van de vraag of een plaats geschikt of ongeschikt is voor ongeklede recreatie is overgelaten aan de strafrechter en afhankelijk van de feiten en (locale) omstandigheden, zoals de aard, ligging en grootte van de terreinen. Het gaat om aspecten als de herkenbaarheid van het terrein en om het zicht vanaf de openbare weg. Duidelijk is dat als het gebeuren plaats vindt in een drukke winkelstraat, of daarmee te vergelijken plaatsen, zoals postkantoren, openbaar vervoerstations en dergelijke, het buiten twijfel is dat er sprake is van een overtreding. Maar niet als het gaat om een met rood lint afgezet treinstation dat het decor vormt van de filmset van een nieuwe aflevering van de serie ‘Moordvrouw’, waarin een naakte figurante wordt gepositioneerd als een van kleding ontdaan lijk. Een georganiseerde naaktfietstocht in openbaar natuurgebied, zoals de Veluwe, kan bijvoorbeeld weer wel te ver gaan, omdat een niets vermoedende wandelaar ‘onverhoeds’ met een veelheid aan fietsend bloot zou kunnen worden geconfronteerd. Om het nog lastiger te maken: het begrip ‘geschikte plaats’ is bovendien niet alleen afhankelijk van de lokale omstandigheden, maar kan in de tijd evolueren. Het kan zelfs afhankelijk zijn van het tijdstip van de dag. Het hangt bovendien af van de heersende maatschappelijke opvattingen.

 

De naaktrecreanten van de Delftse Hout werden in twee instanties vrijgesproken. De vrijspraak van het Hof berustte op de overweging dat alleen in die gevallen waarin een voor het openbaar verkeer bestemde plaats evident niet voor ongeklede recreatie geschikt is, van een overtreding sprake kan zijn. Evident niet geschikt betekent in de visie van het Hof in dit verband dat ‘objectief oordelende en redelijk denkende mensen over die niet-geschiktheid in een concreet geval redelijkerwijze niet van mening kunnen verschillen’. Het Openbaar Ministerie ging in cassatie en legde de zaak voor aan de Hoge Raad.

 

De Hoge Raad oordeelde vorige maand dat het Hof de wet te strikt heeft uitgelegd door de eis van evidentie te stellen en dat de zaak over moet. Het gaat niet om zwart-wit situaties, maar om vele tinten grijs. Het is maar net hoe je er tegen aan kijkt: sommigen zijn voor ‘vrijheid blijheid’, anderen nemen daar nou juist aanstoot aan en willen niet worden geconfronteerd met andermans vrijheden. Op het kleine stukje groen van de Delftse Hout zien we verschillende levensstijlen, (religieuze) overtuigingen en (morele) opvattingen met elkaar botsen. In al zijn eenvoud legt deze kwestie onverhoeds de kern van omvangrijkere wereldproblematiek bloot.

 

Miranda de Meijer is advocaat generaal bij het parket in Den Haag en bijzonder hoogleraar OM bij de UvA. De Togacolumn wordt wekelijks geschreven door een rechter, een advocaat en een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie. Volgende week Erik Boerma, insolventierechter bij de rechtbank Oost-Brabant.

 

 

Blogger

Miranda de Meijer

Miranda de Meijer studeerde rechten in Rotterdam en werkte bij Spong advocaten in Amsterdam. Zij promoveerde op de rol van het OM in civiele zaken, werd officier van justitie, later advocaat-generaal bij het ressortsparket, gespecialiseerd in cassaties, in Den Haag. Zij is tevens hoogleraar op de bijzondere leerstoel Openbaar Ministerie van de faculteit rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam. Zij doet daar onder meer onderzoek naar ondermijnende criminaliteit. (Foto UvA Jeroen Oerlemans)