Bowie waagt zich weer aan het onbekende

Zo verrassend als de comeback van David Bowie was toen hij in maart 2013 plotseling het album The Next Day via iTunes liet verschijnen, zo onopmerkelijk was de muzikale richting die de uit de as herrezen popster liet horen.

Voor het eerst sinds het jeugdwerk Memory of a Free Festival (1969) hield de eeuwige vernieuwer zich in Where Are We Now? bezig met nostalgie, op een plaat die teruggreep naar de wringende rockmuziek van Station To Station en Reality. Songs als The Stars (Are Out Tonight) en Valentine’s Day klonken herkenbaar, met het gitaarspel van Earl Slick en Gerry Leonard als link met het verleden.

Lees ook: De betekenis van de nieuwe clip van David Bowie blijft vaag (of open)

Al die bekende factoren ontbreken op Blackstar, een kort en krachtig album van 41 minuten waarmee de jarige David Bowie (vrijdag wordt hij 69) zich weer heldhaftig positioneert als popvernieuwer met een vinger aan de pols van de tijdgeest. Blackstar is vernieuwend, verontrustend en toch toegankelijk.

Producer Tony Visconti liet al doorschemeren dat de muziek van Kendrick Lamar tot Bowies dagelijkse dieet behoorde bij de voorbereiding. Nieuwe ontwikkelingen in hiphop en jazz inspireerden hem tot muziek die zowel radicaal als toegankelijk uitpakt, een schijnbare contradictie die in het werk van Bowie al vaker tot een boeiend huwelijk (zie de toepassing van elektronica op Low en Heroes) heeft geleid.

Het voor verzamelalbum Nothing Has Changed opgenomen Sue (Or In A Season Of Crime) met het Maria Schneider Orchestra zette Bowie op het spoor van de jazzmuzikanten die op Blackstar zijn basisband vormen. Saxofonist Donny McCaslin is in zes van de zeven tracks prominent aanwezig en leidt een band die met drummer Mark Guilliana, bassist Tim Lefebvre, gitarist Ben Monder en toetsenman Jason Lindner een diepe groove trekt door een duister en soms spookachtig album. Titelnummer Blackstar is met zijn tempowisselingen en Arabische ondertoon een opmerkelijke opening, bijna tien minuten lang en met een mysterieuze tekst over „the village of Ormen” waar een eenzame kaars het laatste teken van beschaving is.

Een nieuwe, compactere opname van Sue en het aan een controversieel zeventiende-eeuws toneelstuk refererende Tis A Pity She Was A Whore vertellen beklemmende verhalen uit een sombere onderwereld. Lazarus, geschreven voor de gelijknamige muziektheaterproductie van Ivo van Hove, is een smachtende ballade met al het drama van Bowies eerdere incarnatie The Thin White Duke.

Het slepende Girl Loves Me met stuwende basnoten en een luie breakbeat maakt gebruik van de fantasietaal uit Anthony Burgess’ A Clockwork Orange: „You viddy at the cheena” (Je kijkt naar de vrouw) – „Libbilubbing letso” (zoent haar op de lippen). Het draagt allemaal bij aan de donkere sfeer van een songcyclus die zich niet direct uitspreekt over de stand van zaken in de wereld, maar die onrust en vervreemding uitdraagt.

Het bitterzoete Dollar Days en een weemoedig I Can’t Give Anything Away vormen het berustende slot van een album dat de luisteraar flink door elkaar schudt en dat zijn geheimen pas na herhaalde beluistering prijs geeft – zoals David Bowie al bijna vijftig jaar muziek maakt waar je niet makkelijk aan voorbij loopt. De nieuwe Bowie is een artistieke triomf.

    • Jan Vollaard