Column

Zo hoort het gewoon, beste stadsbewoner

John Klaver en geiten in ‘Geboren Boeren’ (EO).

Van de vele kloven die onze geglobaliseerde samenleving telt, moeten we die tussen boeren en burgers niet onderschatten. Het blijkt elk seizoen uit Boer Zoekt Vrouw (KRO), ook al wordt er nog zo hard geprobeerd te laten zien hoe modern het agrarische bedrijf geworden is.

Het standpunt van de boer, die zich onbegrepen voelt door bureaucratie, banken, Europese wetgeving en de dierenliefde van de stedeling, wordt de laatste tijd vooral verwoord door documentaires van de Evangelische Omroep. Geertjan Lassche portretteerde al De Boer Die Zou Gaan Emigreren en de varkensfokkers van Kootwijkerbroek, bijna stikkend in hun woede tegen de ambtenarij. Vriendelijker en minder wereldvreemd waren de biologische boeren uit Baambrugge die in een tweeluik van Henk Dokter liefderijk een kalf en een big fokten, verzorgden en slachtten. Want zo, beste stadsbewoner, hoort het nu eenmaal te gaan.

In Geboren Boeren (2DOC/EO) is de tegenpartij vooral een buurvrouw – import natuurlijk. Dat „rotwijf” verzet zich tot bij de Raad van State tegen de plannen voor megastallen van het familiebedrijf Klaver uit het Noord-Hollandse Winkel. Haar paarden en hond schrikken van het nachtelijke geluid van een gierpomp (helemaal niet, het is gewoon een giermixer om half zes ’s morgens) en het schieten met een jachtvergunning op ganzen en hazen.

Boer John Klaver probeert het de buurvrouw uit te leggen. Snapt ze dan niet dat hij ontzettend van zijn koeien en geiten houdt? Dat hij een haas in het veld iets fantastisch vindt?

Jawel, dat begrijpt de buurvrouw, dat herkent ze. Maar waarom moeten ze dan dood?

Regisseur Jack Janssen weet wat filmen is, dus laat hij de betrokkenheid en inzet van de familie Klaver vooral zien, in beelden die soms tegen het al te esthetische aanleunen. Maar argumenten tekent hij niet op uit de mond van de boer. Het gaat de familie Klaver ogenschijnlijk niet om een regulering van de wildstand of zelfs over een economische noodzaak tot expansie, maar om het recht dingen te blijven doen zoals ze dat al eeuwen gewoon zijn. Die „geboren boeren”, zoals de EO ze noemt, waren er natuurlijk eerder dan de indringers of de gedetailleerde voorschriften over dierenwelzijn en overlast. En als na zeven jaar procederen de vergunning eindelijk binnen is, doet de bank weer moeilijk over de financiering.

Janssen laat alleen het standpunt zien van de traditionele boeren, die bij een familiebijeenkomst gezamenlijk het kerkhof bezoeken om de voorouders te eren. Ze honen, mopperen en vinden al dat gedoe met papieren maar lastig.

Hoe schilderachtig die houding ook is, de regisseur kon ook niet nalaten de moeite van John met de moderniteit te benadrukken, vooral in een eindeloos herhaald gehannes met smartphones. Die doen ook niet wat de familie al generaties lang op dezelfde manier pleegt te doen. Nee, meer sympathie voor de snel in aantal slinkende, zwaar door Brussel gesubsidieerde boerenstand zal de film niet snel genereren. Maar wel compassie, en bewondering voor de knappe makelij van de documentaire.