Verwerkwoorden

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd van Amsterdam naar Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Ook al liggen de meeste kerstbomen bij het grofvuil, de Amerikaan kan rustig doorgaan met „kerstbomen”. Het werkwoord „to christmas-tree” betekent zaken nodeloos ingewikkeld maken door er overbodige details aan toe te voegen. Een column kan bijvoorbeeld „gekerstboomd” worden door hem vol te hangen met weetjes.

Dat zoiets statisch als een kerstboom tot een actief werkwoord kan verworden, is een typisch voorbeeld van de speelsheid van de Engelse taal – zeker in de mond van Amerikanen, die continu nieuwe woorden aan hun taal toevoegen. Onder het motto „just do it” zet men met het grootste gemak een naamwoord in een werkwoord om.

Vooral de zakelijke wereld is er gek op. „Schedule”, „task”, „chair”, „rightsize” zijn allemaal verwerkwoord en vliegen als besmettelijke taalvirussen de wereld over. Computertaal zit vol met werkwoorden als „file”, „e-mail”, „bookmark”, „friend”. Merknamen zijn niet immuun voor deze infectie, denk aan „to xerox” voor „kopiëren”. Ook in het Nederlands „googlen” of „skypen” we met het grootste gemak.

Taalpuristen maken zich enorm druk om dit ongebreidelde verwerkwoorden. Maar het is een oeroude traditie. Woorden als „rain”, „snow”, „thunder”, „sleep” en „ship” hebben in een grijs verleden allemaal de stap van object naar activiteit gezet. En als voor dit taalvergrijp iemand in het gevang zou moeten, dan is het veelpleger William Shakespeare. Het werkwoord „to verb” zelf bestaat al minstens een eeuw.

Vanuit het perspectief van een naamwoord moet de overgang naar een werkwoord zeker een promotie inhouden. In plaats van stil te staan is het nu in permanente beweging. Ik kan me voorstellen dat het bedrijf Google enorm ingenomen is dat de merknaam nu voor ons allen een werkwoord is geworden. Sommige bedrijven proberen zelfs actief „to verb up” hun naam. Zeg nu zelf, wie zou niet een werkwoord willen zijn?

Denk aan de graaf van Sandwich, de achttiende-eeuwse Engelse politicus en hoofd van de Admiraliteit. Een belangrijk man, maar hij ging de eeuwigheid in toen hij aan de pokertafel een plakje ham tussen twee sneetjes boterham bestelde. Nu is „sandwiching” naar de grote hoogte van een werkwoord gestegen, bijvoorbeeld als een moeilijk televisieprogramma tussen twee delen goedkoop amusement wordt gesandwicht. Het Nederlands heeft in die categorie het fraaie „bellen”, vernoemd naar Alexander Bell, de uitvinder van de telefoon.

Grappig: er lijkt nu ook een trend de andere kant op, werkwoorden die plotseling vastvriezen als naamwoord. Iemand om een groot bedrag vragen is een „big ask”; een grote mislukking is een „big fail”.

Dit verschijnsel roept opnieuw irritatie op bij taalfetisjisten. Maar ook dit gedrag is eeuwenoud. Het eerste gebruik van „fail” als zelfstandig naamwoord dateert uit 1297.

Waarom kleurt juist het Engels zo gemakkelijk buiten de grammaticale lijntjes? Een reden voor deze flexibiliteit is wellicht dat deze taal al vroeg is „ontkerstboomd”. Niemand kan bijvoorbeeld nog zien of een woord een naam- of werkwoord betreft en de sprong is zo gemaakt.

Een van de nieuwste werkwoorden hoor ik de laatste tijd regelmatig bij mij thuis. Als er weer eens een natuurkundeprobleem moet worden opgelost, citeert een familielid graag Matt Damon uit de film The Martian: „I’m going to have to science the shit out of this.

Precies, lekker actief wetenschappen.