Terug naar de Dodenspoorlijn van pa Wilhelmus

Nabestaande Will van de Corput (81) keert terug naar de grens van Birma waar zijn vader dwangarbeid verrichtte aan de Dodenspoorlijn – en met tienduizenden overleed. 

De erebegraafplaats Thanbyuzayat, waar ook Nederlandse slachtoffers hun laatste rustplaats hebben gevonden.

Diep in de Birmese provincie knielt Will van de Corput voor Wilhelmus van de Corput. De 81-jarige zoon bezoekt het graf van zijn vader op Thanbyuzayat War Cemetery. Met tranen in zijn ogen legt hij een bloemstuk die in de hitte snel verlept. Een paar Birmese jongeren maakt foto’s met mobieltjes. „Mijn vader is bij kilometer tachtig gestorven, maar hier herbegraven”, zegt Van de Corput.

Will van de Corput draagt voor bij de begraafplaats van zijn vader. Foto Melle Garschagen

Hij is voor de vijfde keer in Birma. De sfeer is anders dan toen hij het graf van zijn vader voor het eerst bezocht in de jaren 90. „Toen werden wij onder militaire escorte van het hotel naar het ereveld gereden. We mochten een bezoek brengen en reden even snel in konvooi terug”, zegt Van de Corput. Dit keer is hij met zijn vrouw mee met een pelgrimsreis van de Oorlogsgravenstichting. In dertien dagen reist een groep nabestaanden van Nederland naar Birma en Thailand – in hoog tempo langs erevelden en musea.

Op het ereveld wordt een herdenkingsdienst gehouden. Een delegatie geïnteresseerde Nederlanders uit Rangoon is per bus afgereisd. De Nederlandse zaakgelastigde houdt een toespraak, net als een dominee. Van de Corput draagt een gedicht voor. Twee Birmese trompettisten spelen de Last Post. Tot slot klinkt het Wilhelmus, a capella, voorzichtig, breekbaar haast. „Het klonk aarzelend, net als na de bevrijding. We wisten toen niet of het veilig was te zingen”, zegt een van de kinderen wier vader hier begraven ligt.

Jungle

Will van de Corput weet bijna alles over het lot van zijn familie. Hij zat met zijn moeder in verschillende kampen op Java. Zijn moeder borduurde in het geheim. Zo legde ze belangrijke gebeurtenissen vast. Nadat zijn moeder in 1977 overleed, maakte hij haar collectie tot een oorlogsgeschiedenis. Eenmaal klaar besefte hij: mijn vader komt niet in het verhaal voor. Hij ging speuren en corresponderen met oud-krijgsgevangen en lotgenoten. Hij legde contact met de arts van het kamp langs de spoorweg waar zijn vader overleed. Maar op één plek is hij nooit geweest: het stukje Birmese jungle waar zijn vader op 23 september 1943 stierf. 

De 415 kilometer lange Dodenspoorlijn

De Dodenspoorlijn is een wreed en vreemd ding. Krijgsgevangenen legden vanaf medio 1942 in negen maanden de 415 kilometer lange treinverbinding tussen Nong Pladuk in Thailand en Thanbyuzayat in Birma aan. Eén groep krijgsgevangenen begon in Birma, een andere in Thailand. Ze werkten naar elkaar toe. Op plekken kliefden ze passages door bergen en egaliseerden ze land; vaak alleen met hun handen en soms een paar hamers. Er overleden 7.000 Britten, 3.000 Nederlanders, 4.500 Australiërs en meer dan 85.000 romusha’s, Aziatische dwangarbeiders.

Het Japans Keizerlijk Leger zag het enkelspoor als een cruciale verbinding naar de grondstoffen (olie, hout, tungsten, rubber) die de Japanse oorlogseconomie moesten voeden. De alternatieve zeeroute werd te gevaarlijk; Japanse transportschepen werden getorpedeerd door de Amerikaanse marine. De spoorweg moest een beschermde aanvoerroute over land bieden naar de frontlinie in Birma. De Japanners wilden na Birma westwaarts doorduwen en India bezetten.

Selfies

Die belangrijke rol vervulde de lijn nimmer. De Amerikaanse luchtmacht bombardeerde de spoorlijn in de einddagen van de oorlog. De Thaise kant van de spoorweg werd een trekpleister voor toeristen die intussen selfies maken op plekken waar duizenden mannen stierven van uitputting, malaria of marteling.

Maar het Birmese deel van de Dodenspoorlijn bleef een enigma, decennialang afgesloten van de wereld. Het spoor loopt door gebied waar het rebellenleger van de Karen, een etnische minderheid, vocht tegen Tatmadaw, het Birmese regeringsleger. Pas nu, zeventig jaar na Japanse capitulatie, nu Birma vreedzamer en democratischer wordt, komt daar langzaam verandering in. De interesse in het Birmese deel van Dodenspoorlijn groeit.

In de koele schaduw van een loofboom overziet Thet Mon Thanbyuzayat War Cemetery, 65 kilometer ten zuiden van havenstad Moulmein. Hier, aan het beginpunt van de Dodenspoorlijn in Birma, liggen 3.149 krijgsgevangenen uit het Gemenebest en 621 Nederlanders begraven. Thet Mon is verantwoordelijk voor het onderhoud en verzorging.

„Na de capitulatie zijn duizenden mannen die langs de route stierven hier opnieuw begraven in opdracht van de Britse War Graves Commission. Het ereveld is altijd zo geweest, altijd onderhouden, altijd een herinnering aan de oorlog.”

Opmerkelijk is dat een begraafplaats voor buitenlandse soldaten ook tijdens de junta in stand werd gehouden. De generaals die Birma hardhandig regeerden, waren dol op propaganda.

Buitenlanders waren het pure kwaad. Vooral Britten, de oude koloniale heersers, waren bij voorbaat verdacht. Ondanks deze gevoeligheden is het ereveld ook in de donkere dagen van de junta goed onderhouden. „Het gras was hier altijd al net zo keurig geknipt. Toch is er iets veranderd. Er zijn nu veel meer bezoekers, nabestaanden én toeristen”, zegt Thet Mon.

Karen-rebellen

Thet Mon is verantwoordelijk voor het onderhoud en de verzorging van Thanbyuzayat War Cemetery. Foto Melle Garschagen

Birmezen lijken de Dodenspoorweg opnieuw te hebben ontdekt. In zijn kleine en bloedhete kantoor van Thet Mon bij het ereveld hangt een kaart van de 105 kilometers spoorlijn van deze begraafplaats in Thanbyuzayat tot aan de grens bij de Drie Pagodenpas. „Het leger gaf het gebied vorig jaar pas vrij. In november 2014 zijn wij voor het eerst het gebied ingetrokken met een Jeep. Wij proberen stukje bij beetje de route te zoeken. We praten met de Karen-rebellen die decennialang in de jungle bivakkeerden. Zij weten veel. Zij wijzen ons de bruggen en de plaatsen waar de spoorweg nog intact is aan.”

De Birmese overheid is niet geïnteresseerd. Thet Mon: „Maar projectontwikkelaars vinden het interessant.” Tay Za, een van de rijkste tycoons van Birma die jarenlang op de Amerikaanse en Europese sanctielijsten stond wegens nauwe banden met de junta, wil de spoorlijn en het bijbehorende museum ontwikkelen, zegt Thet Mon. Tay Za kent het toeristische potentieel. Hij verdient al jaren geld met het uitbaten van hotels en een luchtvaartmaatschappij. „Misschien is het mogelijk de spoorlijn zo te herstellen dat er weer treinen kunnen rijden”, zegt Thet Mon.

„Ooit kunnen bezoekers dan het hele traject van Birma tot Thailand bereizen.”

Vooralsnog is het Birmese deel van de Dodenspoorweg alleen een aaneengesloten geheel als kronkelende lijn op een kaart aan de wand van het kantoor van Thet Mon. Met een pen zijn aantekeningen gemaakt: kamp, gebombardeerde brug, begraafplaats. Thet Mon: „Er zijn circa dertig kleine begraafplaatsen. De meeste doden zijn na de oorlog in Thanbyuzayat herbergraven, maar we willen deze plekken toch graag onderzoeken. Er is vooral onder Australische onderzoekers interesse. Maar het blijft puzzelen.”

Het puzzelen waar Thet Mon aan begint, doen de kinderen al langer. Will van de Corput weet dat zijn vader, sergeant Van de Corput, op 16 oktober 1942, enkele maanden nadat het Koninklijk Nederlands-Indische Leger capituleerde, vanuit Batavia via Singapore samen met duizenden andere krijgsgevangenen op een Japans transportschip gezet, dat tot zinken werd gebracht door een geallieerde bommenwerper. Wilhelmus van de Corput overleefde, werd aan land gebracht en bereikte per trein het basiskamp van de Dodenspoorweg, hier in Thanbyuzayat. Zijn zoon:

„Het is onvoorstelbaar wat er allemaal loskomt als je lotgenoten hierover spreekt.”

Waar Will van de Corput bewust al decennia bezig is met de zoektocht naar het verhaal van zijn vader, werd Josje Nieuwenhuijs (78) er plotseling door gegrepen. Een paar jaar geleden keek ze thuis in Sint Jansklooster een documentaire van Teleac over 400-jaar Japans-Nederlandse verhoudingen. De documentaire toonde hoe mannen die stierven langs de Dodenspoorweg werden herbegraven in Thanbyuzayat. Boven een vers graf zag ze een kruis met in wit krijt een naam: Eddy Nieuwenhuijs. Onmiddellijk zat Josje Nieuwenhuijs overeind.

Dat Edmondus Josephus Nieuwenhuijs dood was, wist ze natuurlijk. Voor de oorlog was haar vader tabaksplanter op Sumatra. Na de Japanse bombardementen op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor moest hij als dienstplichtige dienen in het KNIL. „Heel lang patrouille lopen”, zegt ze.

„Op een gegeven moment kwam hij even thuis. Wij woonden afgelegen. Hij zei: jullie moeten hier weg. Wij houden geen stand. Met mijn moeder zijn wij toen naar een school in Berastagi gegaan, het dichtstbijzijnde stadje.”

Zwartwaterkoorts

De meeste doden zijn na de oorlog in Thanbyuzazayat begraven, ook de vader van Will van de Corput. Foto Oorlogsgravenstichting

Haar vader kreeg gelijk: het KNIL hield geen stand. Japanners zette hem op de boot naar Moulmein. Hij moest aan de spoorlijn werken. Bij kilometer acht raakte hij gewond. Op 27 juli 1943 stief hij bij kilometer dertig aan zwartwaterkoorts, een vorm van malaria die vooral voorkomt bij mensen die veel kinine hebben geslikt, tégen malaria. „Een dikke week na de capitulatie, op 24 augustus 1945, zaten we nog in het vrouwenkamp op Sumatra”, vertelt Nieuwenhuijs.

De vrouwen hadden net een strook rode, witte en blauwe stof aan elkaar genaaid en in een ceremonie als Nederlandse vlag gehesen. Daar had meisje Broekema een mooie tekening van gemaakt, vertelt Nieuwenhuijs. Na die mooie ceremonie kreeg haar moeder een brief. „Daar stond in dat mijn vader overleden was en al twee jaar dood was. Mensen van het Rode Kruis beweerden dat ze niet hadden geweten in welk kamp wij zaten en ons daarom niet eerder konden bereiken.”

Dat Josje Nieuwenhuijs weet waar haar vader is gestorven, is te danken aan Ezechiël Vergeest, een legeralmoezenier die ook krijgsgevangen was. Pater Vergeest wist lopend de werkkampen langs de spoorweg te bezoeken. Ze stonden de uitgeputte, graatmagere en stervende krijgsgevangenen bij. Vergeest hield in het diepste geheim - zelfs het bezit van schrijfmateriaal was verboden - een boekje bij met namen van de doden en plattegronden van de begraafplaatsen.

Will van de Corput bezit een kopie van het notitieboekje. „Het is zo’n mooi en nauwkeurig schrift”, zegt hij, die de namen in het boekje van pater Vergeest onderzoekt om op verzoek van nabestaanden informatie te verstrekken. „Het is natuurlijk privacygevoelige materie. Ik kan het niet zo maar publiekelijk maken.” Denk niet dat Van de Corput obsessief bezig is met het verleden. Of dat hij alleen maar bezig is met vroeger om een trauma te verwerken. Nee, Van de Corput heeft een ander doel.

„Ik wil de Dodenspoorweg levend houden.”