Maken jullie elkaar nog steeds af?

Gevangenneming van Samori Ture, de 'zwarte Napoleon' bij Guelemou, Ivoorkust, 1898.

De Britten zijn een onnozel volk, stelt een personage in de historische roman De zwarte Napoleon van Vamba Sherif. De man komt net terug uit Europa waar hij heeft gestudeerd terwijl in zijn land gestreden wordt voor onafhankelijkheid van diezelfde Europeanen. Hij vervolgt: ‘Als je eenmaal hebt laten zien dat je enthousiast bent over hun cultuur zijn ze zo mak als lammetjes. De Fransen zijn nog erger. Die beginnen je als Frans te zien. Ik heb hun vertrouwen gewonnen door te doen wat zij graag wilden.’

Het is een stereotype van de Europeaan dat al net zo adequaat wordt neergezet in Al onze namen, de laatste roman van de in Ethiopië geboren Dinaw Mengestu. Hierin vraagt een Amerikaan aan een student die net uit Oeganda is gevlucht: ‘Hebben jullie er soms plezier in om elkaar af te maken?’ Waarop de student denkt: ‘Ik dacht vaak dat ons leven niets waard was, maar toen ik Henry zo hoorde, wist ik dat we er allebei naast zaten. Niemand hoeft te leren hoe je moet moorden, maar het waren de vreemdelingen die naar Afrika kwamen die ons lieten zien dat het niets betekende om dat te doen.’

Het zijn twee cynische passages uit twee mooie historische romans die zich afspelen op het Afrikaanse continent. De zwarte Napoleon, van de in Liberia geboren en in Nederland wonende Vamba Sherif, draait om de dertienjarige Zaiwulo die aan het eind van de 19de eeuw meemaakt hoe er strijd wordt geleverd om onafhankelijkheid, terwijl tegelijkertijd cultureel erfgoed (oude manuscripten) beschermd moeten worden. De roman is gebaseerd op het waar gebeurde verhaal van Samori Ture die in 1887 een leger naar Europees model bijeenbracht om tegen de Fransen te vechten en een eigen islamitisch rijk te stichten (de achterkleinzoon van Ture werd de eerste president van Guinee toen het land onafhankelijk werd).

Coming of age

Terwijl de ambities van deze, door de Fransen genoemde, ‘zwarte Napoleon’ groot zijn, gaat het in de roman vooral om de coming of age van Zaiwulo in een periode dat niet alleen hij gevormd wordt, maar ook zijn land. Zaiwulo vindt redding in de manuscripten die hij bestudeert. Ondertussen vliegt het geweld de lezer om de oren, zonder dat het al te smakeloos wordt. Het is opvallend dat Sherif – die in De zwarte Napoleon boeit, ook al is het verhaal wat te lang en de stijl soms wel erg bloemrijk – de migratie binnen het continent houdt, waar veel anderen nog steeds voor een hoofdpersoon kiezen die naar Europa of de Verenigde Staten emigreert.

Dat laatste is wel het geval bij Mengestu. Zijn roman Al onze namen wordt verteld vanuit twee perspectieven. Deels is er een Ethiopische student (hij heeft erg veel namen; de meest gebruikte is Professor) die een nieuw leven opbouwt in Kampala. Terwijl de Professor zijn studie letterkunde volgt, protesteren Oegandese medestudenten tegen de regering van Idi Amin (die onbenoemd blijft). De protesten monden uit in Leger van de Heer-achtige taferelen, waaraan de Professor weet te ontsnappen om vervolgens in een Amerikaans dorp terecht te komen. Wat de door het land trekkende rebellen doen, is bekend, en toch weet Mengestu dat knap te beschrijven door het perspectief te leggen bij de student die zowel deelnemer als toeschouwer is. De persoonlijke benadering voegt iets toe aan de beelden en verhalen die we al kennen, ook al laat Mengestu in zijn weergave van details weinig over aan de verbeelding.

Ook de delen die zich afspelen in de VS zijn sterk. Hier is het niet geweld maar racisme waarmee de hoofdpersoon wordt geconfronteerd. Dan blijken die Amerikanen toch een stuk lastiger in te palmen dan de Fransen. Misschien is het een vooroordeel, maar je kan je heil beter niet zoeken in de Midwest van Amerika.