Hij begon om half drie al rotjes te gooien

Wegens wangedrag tijdens Oud en Nieuw stonden maandag drie mannen voor de supersnelrechter.

De 32-jarige Hendricus V. kwam net uit bed toen hij afgelopen donderdag om half drie ’s middags vanuit zijn portiek rotjes op straat begon te gooien. Het was immers oudjaar, dus een rotje kon geen kwaad, dacht hij. Hij was dan ook verbaasd toen de politie kwam. „Bleek dat de wetgeving veranderd was”, verzucht hij maandagmiddag in de Haagse rechtbank. Sinds twee jaar mag vuurwerk pas vanaf zes uur ’s avonds worden afgestoken. Mensen in zijn straat in Gouda hadden de politie gebeld.

V. is één van de drie verdachten die dit jaar in Den Haag voor de supersnelrechter moet verschijnen wegens wangedrag tijdens Oud en Nieuw. Samen met hem moeten twee broers van 21 en 23 jaar uit Delft voorkomen. Bij supersnelrecht, dat vaak wordt toegepast na grote evenementen als Oud en Nieuw of Koningsdag, worden verdachten binnen drie tot zes dagen na de aanhouding berecht.

Ook in Utrecht stonden maandag drie mensen voor de supersnelrechter. Daarmee worden zes van de in totaal 276 aanhoudingen tijdens Oud en Nieuw behandeld in supersnelrechtszittingen. In 2015 werden acht van de 366 zaken op die manier behandeld, het jaar daarvoor 17 van de 648.

De rest van de aanhoudingen worden met een boete of werkstraf afgedaan, of later in gewone zittingen behandeld. Voor supersnelrecht moet de zaak bewijstechnisch gezien simpel zijn en moet het dossier in korte tijd kunnen worden opgesteld. En dat geldt lang niet voor alle aan Oud en Nieuw-gerelateerde misdrijven.

Wel voor de zaak van V., die naast het voortijdig afsteken van vuurwerk verdacht wordt van geweld tegen de politie. Toen agenten hem aanhielden zou hij één van hen een kopstoot gegeven hebben, met een flinke bult op het voorhoofd tot gevolg. Daarnaast zou V. zich hevig verzet hebben tegen de arrestatie. Hij zou geroepen hebben dat hij zin had om de agenten „klappies” te geven.

Wereldwijd angst voor terreur tijdens oud en nieuw:

Kopstoot

Van een kopstoot was geen sprake, zegt V., hij is simpelweg tegen de agente aangevallen. Op het verwijt dat V. zijn vuisten gebald zou hebben, reageert hij met de uitleg dat handboeien daardoor minder strak zitten. „Dat weet u uit ervaring”, vult de rechter aan. V. heeft inderdaad ervaring: zijn strafblad telt elf pagina’s, hij is meermaals veroordeeld voor mishandeling en bedreiging.

Bij de twee broers wordt het lastiger. Zij worden, net als V., verdacht van geweld tegen de politie. Maar volgens de advocaat van de oudste broer is de zaak „niet geschikt” voor een supersnelrechtprocedure: de advocaten hebben niet de tijd gehad zich te verdiepen in de persoonlijke situatie van de jongens en bovendien willen ze de betrokken politieagenten als getuigen oproepen – en dat kan niet binnen zo’n korte tijd. Na een korte overweging besluit de rechter de zaak op te schorten zodat de agenten kunnen worden gehoord. De jongste broer gaat vrijuit, de oudste blijft in voorlopige hechtenis: hij liep al in zijn proeftijd na een veroordeling wegens handel in verdovende middelen.

Voor V. valt wel een vonnis. De rechter acht bewezen dat hij, bovenop het afsteken van vuurwerk buiten de toegestane tijd, opzettelijk een kopstoot heeft toegediend aan een agente. V. krijgt tien weken cel waarvan vijf voorwaardelijk. Ook moet hij een vergoeding voor immateriële schade van 440 euro betalen aan de agente die, zoals de officier van justitie zegt, „de gehele jaarwisseling heeft moeten uitleggen hoe zij aan die bult kwam”.