Anne Frank Fonds schaadt Annes idealen

Door creatief boekhouden met auteursrechten claimt het Anne Frank Fonds het alleenrecht op de dagboeken van Anne Frank, schrijft David Barnouw. „Dat is niet in de geest van Otto Frank.”

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Vorige week bepaalde de Amsterdamse rechtbank dat de Anne Frank Stichting het recht heeft om voor wetenschappelijk onderzoek een kopie te maken van de volledige teksten van Anne Frank. Het Anne Frank Fonds in Bazel, de houder van de auteursrechten, had dat verboden en de Stichting voor de rechter gesleept.

Op 1 januari 2016 heeft een Fransman de volledige (Nederlandse) tekst van Het Achterhuis van Anne Frank op zijn website gezet, waarop het Anne Frank Fonds hem gebood dit direct te verwijderen.

De vraag is waar het Fonds in Bazel mee bezig is en waarom nu?

Centraal staat het feit dat zeventig jaar na de dood van een schrijver de auteursrechtenbescherming ophoudt. De schrijver is in dit geval Anne Frank die rond maart 1944 omkwam in het concentratiekamp Bergen-Belsen.

In het slotwoord van het in 1947 uitgekomen Het Achterhuis. Dagboekbrieven van 12 juni 1942 – 1 augustus 1944 stond geruststellend: „Op enkele gedeelten na, die van weinig waarde voor de lezer zijn, is de oorspronkelijke tekst afgedrukt”. Daar liet Otto Frank het bij en niemand zou hem om tekst en uitleg vragen.

Begin jaren tachtig veranderde dat, nadat Annes vader, die eind 1980 was overleden, alle handschriften van zijn dochter had nagelaten aan het NIOD. Toen pas kwam de schrijfproductie van Anne Frank aan het licht.

Op haar dertiende verjaardag (12 juni 1942) kreeg Anne een poëziealbum waarin ze het dagelijks leven beschreef. Toen het album vol was, schreef ze verder in een hard schoolschrift en toen dat ook weer vol was, volgde er nog een.

Op 29 maart 1944 hoorden de ondergedoken Joden in het achterhuis voor radio Oranje een toespraak van de minister van onderwijs van de Nederlandse regering in ballingschap. Deze meldde dat er na de oorlog een centrum zou komen waar materiaal uit de oorlog zou worden bewaard, waaronder dagboeken. Voor Anne Frank was dat reden om haar dagboek te herschrijven, soms zonder veranderingen, maar ze schrapte en wijzigde ook veelvuldig. Dat herschrijven ging op losse bladen en Anne had nu twee dagboeken; een eerste en een tweede versie en toen de arrestatieploeg op 4 augustus 1944 het achterhuis binnenviel, was het herschrijven gevorderd tot eind maart 1944.

Daarnaast had Anne in een kasboek ‘Verhaaltjes en gebeurtenissen uit het Achterhuis’ en twintig sprookjesverhalen opgeschreven en een ‘Mooie-zinnenboek’ geproduceerd.

Otto Frank, de enige van de acht die de Holocaust overleefde, wilde door middel van Annes dagboek eerst zijn familieleden en vrienden en daarna de hele wereld laten zien hoe het leven in de onderduik was geweest. Hij ging uit van haar tweede versie en voegde gedeeltes uit de eerste versie toe, vooral van maart tot augustus 1944, omdat daar geen tweede versie van was. Er was nu een manuscript voor familie en vrienden en hij kon uitgevers benaderen. Er was weinig belangstelling voor de dagboekbrieven van een onbekend Joods meisje, maar uitgeverij Contact wilde het dagboek uitgeven. Na het nodige redactionele werk kwam Het Achterhuis in juni 1947 op de markt.

In 1986 publiceerde het NIOD De Dagboeken van Anne Frank, waarin haar twee versies en Het Achterhuis waren opgenomen en waarin de lezer zelf kon zien wat de verschillen tussen deze versies was. Door historisch onderzoek èn handschrift vergelijkend en document-technisch onderzoek werd nu definitief vastgesteld dat Anne Frank de auteur was van de dagboeken.

Er waren nu meer Anne Frank-teksten voorhanden dan die alleen in Het Achterhuis stonden en daarom besloot het Anne Frank Fonds in Bazel een ‘nieuw’ Achterhuis te laten maken. Deze ‘nieuwe’ uitgave (1991) kwam ook tot stand, omdat zeventig jaar na de dood van de auteur – Anne Frank – de auteursrechten op Het Achterhuis vrij zouden komen. De redacteur/co-auteur was Mirjam Pressler, geboren in 1940. Na haar dood zouden de rechten nog eens met zeventig jaar verlengd kunnen worden, was de optimistische gedachte van het Fonds in Bazel. Het was hen waarschijnlijk duidelijk gemaakt dat die vlieger niet op ging, want enkele jaren geleden werd ter verlenging van het auteursrecht opeens een nieuw argument tevoorschijn getoverd. Het Fonds meldde dat talloze experts in binnen- en buitenland hadden vastgesteld dat Otto Frank veel meer had gedaan dan het werk van zijn dochter redigeren; hij had met zijn redigeerwerk zijn eigen auteursrecht verdiend. Tel bij het jaar van de dood van Otto Frank nog eens 70 jaar op en het Fonds zit goed tot 2050.

Dat de ontkenners van het dagboek zullen zeggen ‘zie je wel; Otto Frank heeft het geschreven’, schijnt het Fonds niet te deren. Dat het auteursrecht niet voor niets een begrenzing kent, schijnt het Fonds te ontgaan. Gaan ze over vijftig jaar weer een ‘nieuw’ Achterhuis in elkaar laten zetten? Daar is het auteursrecht toch niet voor gemaakt?

Het ziet er nu naar uit dat er meer rechtszaken gaan volgen, waarbij vooral advocaten garen zullen spinnen. En met Van Woensel (NRC 30/12) zou ik willen zeggen: laat alle claims vallen en geef de teksten van Anne vrij, nu en voor altijd. Dat lijkt mij ook geheel in de geest van Otto Frank die de idealen van zijn dochter aan de wereld wilde nalaten.