Tijd voor stap 2: prijzen winnen

De Nederlandse volleybalsters strijden deze week in Ankara om een ticket voor de Spelen. Lonneke Slöetjes (25) is de ster van het team, al wil ze zelf absoluut niet zo gezien worden.

Volleybalster Lonneke Slöetjes: „Ik ben heel makkelijk.” Foto ANP

Terug in Nederland, na drie maanden Turkije, voelt Lonneke Slöetjes nog steeds de pijn van de verloren EK-finale in Ahoy. Het warme welkom bij haar nieuwe club Vakifbank Istanbul en de lonkende Olympische Spelen geven de volleybalster weer motivatie. Maar het litteken blijft, „doordat we voor 11.000 toeschouwers werden ingemaakt”.

De eerste dag bij het Nederlands team, onmiddellijk na Kerst, werd de wond opengereten. De internationals keken, ter lering, gezamenlijk de finale tegen Rusland terug. „Ik werd niet vrolijk van die beelden”, vertelt Slöetjes. „Sta je in de finale, dan wil je laten zien wat je waard bent en niet met 3-0 worden afgeslacht. Ik merkte dat ik de nederlaag nog steeds niet heb verwerkt. Het zal nog wel even duren voor ik besef dat we toch een goede prestatie hebben geleverd.”

De anticlimax ten spijt was Slöetjes afgelopen najaar de ster van de ontketende Nederlandse ploeg, misschien wel de ster van het EK. Het toernooi in eigen land betekende haar internationale doorbraak, dat wil de geboren Achterhoekse wel beamen. Maar de ster? Zo wil ze niet gezien worden.

De volleybalster trekt een vies gezicht bij die kwalificatie. „Ik zie mezelf ab-so-luut niet als een ster. Daar houd ik helemaal niet van. Waarom zou de libero van ons team van minder waarde zijn? Mijn spel oogt spectaculair, omdat ik veel punten maak, maar iedereen is even belangrijk. Als ik mijn taak uitvoer, is dat goed voor de ploeg. Als anderen dat ook doen, maar daarvoor niet de waardering krijgen, vind ik dat niet kloppen.”

Die bescheidenheid is Lonneke Slöetjes ten voeten uit. Exemplarisch ook voor haar levenshouding. Zij is de gewenste, empathische teamspeelster, die zich niets verbeeldt, ook al hamert ze voor Nederland doorgaans de meeste ballen tegen de grond. De verklaring, zegt ze, is haar karakter, maar vooral haar achtergrond als oudste van een warm gezin uit Varsseveld. Ze heeft een jongere broer, een metselaar als vader en een moeder die als gevolg van multiple sclerose (MS) in een rolstoel zit. „Mij is geleerd open te staan voor anderen. Ik ben nooit opgehemeld door mijn ouders. Wij zijn heel Achterhoeks, broodnuchter, heel erg van: niet zeiken, maar doen en doorzetten.”

Slöetjes zeurt dus niet, maar ergert zich evenmin snel aan mensen; ze stoort zich zelfs niet aan notoire dwarsliggers in een team. Maar is er dan nooit een medespeelster die ze niet mag? Oprecht: „Dat heb ik nooit gehad. Ik ben heel makkelijk, heb nooit dat ik iemand niet aardig vind. Ik zie altijd de goede kanten. Ik ben een uitzondering, dat klopt, want sommigen kunnen erg moeilijk zijn. Daar heb ik geen last van.”

De tragiek van haar moeder heeft Slöetjes extra doen beseffen dat het leven waard is geleefd te worden. Zeker sinds haar situatie het afgelopen jaar, uitgerekend Lonnekes succesjaar, is verslechterd. Ze telt haar zegeningen: „Van mijn moeder heb ik sterk leren relativeren. Ik realiseer maar al te goed dat ik gelukkig moet zijn met een goed functionerend lichaam, dat ik van mijn hobby mijn werk hebben kunnen maken en alleen maar gave dingen mag doen.”

Moeder Slöetjes sleepte haar dochter ook door de ellendige periode van twee jaar blessureleed heen. De volleybalster was er zo lang uit wegens een onwillige schouder die operatief gerepareerd moest worden. Twee jaar uit competitie, hoe houdt een topsporter dat vol? „Dat heb ik mezelf ook menigmaal afgevraagd”, blikt Slöetjes terug. Ze was niet klaar met volleybal, hoewel het woord ‘stoppen’ wel eens door haar hoofd spookte. „Ik hield hoop, omdat de dokters bleven zeggen dat het goed zou komen.”

Bij een mentaal dipje monterde moeder Slöetjes haar dochter vaak op. Mams adagium: wees blij met elke vordering. „Bij elke stapje voorwaarts dacht ik: er is nog progressie, ik kan het nog. Ik wilde zó graag dat gevoel van vroeger terugkrijgen. Uiteindelijk gebeurde dat.”

En hoe. Op het EK in eigen land speelde Slöetjes ongeëvenaard goed. Ze blonk uit in wat ze het liefst doet: „Die bal tegen de grond rossen.” Het voelde als een bevrijding. Met glinsterende ogen: „Dat was waarnaar ik al jaren had verlangd. Ik wilde voor het team van belang zijn. En ik kon mijn familie en vrienden eindelijk laten zien waarom ik mijn jeugd heb opgegeven, zelden op feestjes verscheen en bijna nooit mee kon uitgaan. Al die reacties uit mijn omgeving, de trots die daaruit sprak, heeft me ontzettend goed gedaan.”

Nu op naar stap twee: prijzen winnen, te beginnen deze week bij het olympisch kwalificatietoernooi in Ankara. Rio lonkt. Leuk dat EK in eigen land, maar het gaat om de Olympische Spelen, daar wil ze bij zijn. Ze laat zelfs even het relativeren los. „De heilige graal, hè. Van iedereen die er is geweest hoor je enthousiaste verhalen. Je ziet ook geen sporter met een tattoo van een EK of WK, wel van de olympische ringen. De Spelen zijn voor sporters als wij het hoogst haalbare, die wil ik hoe dan ook een keer meemaken.”