Column

Niet-bestaand

Marcel van Roosmalen heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.

In een reportage die las als een jongensboek, onthulde Volkskrant-journalist Menno van Dongen dat het Haags persbureau Hakkie-Tikkie (schitterende naam) interviews met topvoetballers die nooit hadden plaatsgevonden van niet-bestaande journalisten, had verkocht aan tijdschriften in Qatar, Denemarken en Nederland (de Veronica-gids).

Het ene vergrijp – het verzinnen van een interview – was het andere – het publiceren onder een pseudoniem – niet, vond ook Steven Kooijman, hoofdredacteur van het niet meer bestaande tijdschrift Voetbal Magazine. Hij werd in het artikel opgevoerd als deskundige omdat hij veel met gerenommeerde niet-bestaande journalisten had gewerkt.

„Toen ik hoofdredacteur was bij Voetbal Magazine, waren er ook auteurs die een valse naam gebruikten, om problemen met werkgevers te vermijden. Ik vond het prima, als ik zeker wist dat ze een speler hadden gesproken.”

Ik had korte tijd een column in Voetbal Magazine en kende Kooijman als ‘Kooi’. Als de ‘deadlinedag’ in zicht kwam, belde hij me vanuit de auto met de vraag ‘Heb je al gestort?’, waarna steevast de aanmoediging ‘Nou, tikken met je kut dan’ volgde. Behalve een vaste betrekking elders waren er meerdere redenen te verzinnen om onder pseudoniem in Voetbal Magazine te publiceren, maar een niet-bestaande columnist was een stapje te ver. Maandelijks vond ik mezelf derhalve fullcolour terug met in iedere hand een Nederlandse vlag (ideetje van de wel-bestaande beeldredacteur) waarmee ik paginagroot naar de lezers zwaaide. Ik had het toen al hoog in de bol en voelde me als een blikje Unox-worstjes dat per ongeluk tussen de blikjes van het huismerk in het schap was gezet.

Op een slecht bezochte nieuwjaarsborrel van het tijdschrift, belandde ik in een select gezelschap van niet-bestaande journalisten wat de gebeurtenis een hoog cultgehalte gaf.

Mensen van wie ik nog nooit gehoord had gaven me een hand, zeiden me hun echte naam waarvan ik ook nog nooit gehoord had, en vroegen of ik over hun dubbele identiteit alsjeblieft mijn mond wilde houden. Ik zat in Chinees Restaurant New King, daar trapten we die avond af, tenslotte wel gewoon Marcel van Roosmalen te zijn.

Ik leerde: niet-bestaande sportjournalisten zijn gezelliger dan echte sportjournalisten omdat ze ontdaan zijn van de meest ontsierende karaktereigenschappen van de beroepsgroep: scoringsdrift en ijdelheid.

Ze deden niemand kwaad: de interviews en reportages die ze fabriceerden waren echt en er werden geen opzienbarende uitspraken in gedaan. Daar hoorden ze verder nooit iemand over. Een niet-bestaande journalist zei me later dat hij dacht dat dat kwam omdat de lezers van het tijdschrift in het echt niet bestonden.