Column

Maagpijn

W ie schrijft, die blijft, luidt een zo langzamerhand bekende Nederlandse uitdrukking. Als daarmee bedoeld wordt dat schrijvers ook na hun dood gelezen blijven, kan ik alleen maar verzuchten: was het maar waar.

Onlangs leende ik van een familielid de bundel 54 Vlaamse verhalen, in 1971 samengesteld door Marnix Gijsen en Karel Jonckheere. Een unieke verzameling Vlaamse verhalen met een literair-historisch karakter, staat op het achterplat. Er werd „heel wat ‘klassiek’ in deze band bijeen gebracht”.

Klassiek? Er zijn zeker ‘klassieke’ namen bij, ik denk aan Louis Paul Boon, Hugo Claus, Hendrik Conscience, Willem Elsschot, Maurice Gilliams, Paul van Ostaijen, Stijn Streuvels, Herman Teirlinck, Gerard Walschap, Karel van de Woestijne. Dat zijn de 10 schrijvers van de 54 wier reputatie duurzaam is gebleken.

Of ze ook nog allemaal veel gelezen worden, waag ik te betwijfelen, en dat geldt zeker niet voor het peloton achter hen, met namen als Piet van Aken, Fernand Auwera, Lode Baekelmans, Tone Brulin, Frans de Bruyn, August van Cauwelaert, Lode Verhees en Lode Zielens. Daar slaat de vergetelheid hard en meedogenloos toe.

Met uitzondering van Boon, Elsschot en Claus geldt voor al die schrijvers bovendien dat hun werk niet meer gemakkelijk verkrijgbaar is, behalve in de antiquariaten. Maar zelfs bij een nog steeds belangrijke schrijver als Boon valt mij die verkrijgbaarheid soms knap tegen.

In een van de grootste Amsterdamse boekhandels zag ik dezer dagen slechts één boek van hem, en dat ging dan nog over koken: Eten op zijn Vlaams. Ongetwijfeld een smakelijk boek, maar enkele delen van zijn Verzameld werk of zijn roman De Kapellekensbaan hadden daar toch niet mogen ontbreken. Helemaal vrijuit ga ik zelf overigens niet, want ik heb ook lang niet alles van hem gelezen.

Ik pik Boon eruit omdat hij van die 54 schrijvers het mooiste verhaal heeft geschreven: Maagpijn. Ik kende het niet, het stamt uit 1946 en hoort daarmee bij zijn vroegste werk. Maar wát een schrijftalent borrelt al in deze autobiografische novelle op. Er staan heel wat zinnen in die vloeken met de Nederlandse grammatica, sommige woorden en begrippen waren fonkelnieuw voor mij, maar het maakt allemaal niets uit, sterker nog, het draagt juist bij aan de volstrekte authenticiteit van dit proza.

Boon bárst in dit verhaal van de pijn, die eerst in de maag wordt gelokaliseerd, maar dan toch uit de nieren lijkt te komen. Hij loopt heel wat artsen af – alles indringend en vaak hilarisch beschreven – tot een en ander uitloopt in een ware foltering bij de uroloog. Als ik ooit wat aan mijn nieren krijg, zal ik aan dit verhaal moeten denken.

„Ik zag hem electriciteit inschakelen, en met iets dat aan een soldeerbout geleek, maar veel fijner van bouw was, kwam hij naar mijn…ja hoe moet ik het zeggen? Daar buiten de kliniek had ieder angst het te moeten vernoemen, het scheen een schurftige plek te zijn waarover men zich te schamen had; maar hier binnen ontkleedde men u en nam men het vast en streek men er over met een soort bout, en o zo klein dat het was. Ik dacht aan de dagen dat het groot en fier was geweest, toen wij soldaat waren en ontemmelijk schenen te zijn…”

Uiteindelijk bleek een doodgewone maagzakking de boosdoener. Slotzin: „Maar het was niets, ik ging een band dragen en veel rusten en poeder nemen.”