Column

Eldorado

Op een landkaart uit 1599 van ‘het wonderbaer ende goudrijke land Guiana’ staan tekeningen van zaken die men daar volgens de Britse ontdekkingsreiziger Walter Raleigh kon vinden: indianen zonder hoofd, vrouwelijke krijgers, leeuwen, tijgers en een meer met aan de oever ‘de grootste stad diemen vint inde gansche werelt’. ‘Manoa ofte El Dorado’, u weet wel: die mythische goudstad.

Eldorado was de reden dat eind zestiende eeuw de eerste Europeanen naar Suriname kwamen en dat voor Suriname het feest begon. Ook ik was in Suriname het paradijs gaan zien in de weken voordat ik vertrok. Parijs werd aangevallen, Brussel werd afgesloten, heel Europa stond in brand. En ik mocht met een vliegtuig naar de zon. Helaas: dat onze problemen geen probleem zijn aan de andere kant van de oceaan betekent niet dat de mensheid daar tevreden is. Nog voordat we het vliegveld hebben verlaten, wordt dit me duidelijk gemaakt door mijn taxichauffeur. Wij hebben ISIS, Geert Wilders en Zwarte Piet. Hier hebben ze inflatie, Desi Bouterse en de Chinese maffia. Want zo zijn wij, mensen: als we geen problemen hebben maken we ze wel. Iedereen vindt zijn eigen problemen het belangrijkst. En iedereen gebruikt zijn problemen als excuus om niet te kijken naar wat wél leuk is. Ook hier.

Wat wél leuk is: mijn pinpas doet het niet. „Geen probleem mattie”, zegt de nachtportier van mijn hotel. Hij plant me achter een bord pom en een literfles bier, terwijl we samen kijken naar een vuurwerkexplosie boven de palmentuin aan de overkant.

Dan is er Paramaribo: in de vrolijke versie een stad van statige, witte, houten huizen tussen de kamerplanten van je oma. Hier groeien ze op straat. Drie keer zo groot, met felgekleurde zingende vogels op de takken. Daaronder lopen mensen die net zo mooi en veelkleurig zijn als de vogels. Ze spreken Nederlands, maar hun Nederlands klinkt als een liedje (dat van mij als geblaf). De mensen zijn niet de baas, de natuur komt overal tussendoor. Die eet aan het hout, groeit over huizen, duwt barsten in geasfalteerde straten. Het lot van de wereld rust niet in jouw handen. Dus ja, je zou nu koffie kunnen drinken, maar je mag ook gewoon een dutje doen. Dutjes zijn hier toegestaan. En om extra peper hoef je nooit te vragen.

In de minder vrolijke versie lijkt Paramaribo een discount dump voor goedkope Chinese troep. De straten worden bevolkt door toeterende auto’s, neukende straathonden en junkies met schuimende mondhoeken. De zingende vogels worden overstemd door stampende housemuziek en iedereen gooit zijn afval op straat: plastic flessen, bekers, bakjes en zakjes. Net als in onze wereld worden hier sprookjes verkocht op grote reclameborden. De modellen op deze reclameborden hebben dezelfde kleur als ik. Het zijn de opgepoetste, schoongeschrobde versies van de mensen die je ziet op straat. Ze laten je zien hoe ideaal je wereld kan zijn met de juiste kleren, de juiste verzekering, de juiste telefoon. Een Eldorado dat altijd onbereikbaar zal blijven. Waarvoor eerst alles vernietigd zal worden en dat dan niet zal blijken te bestaan. En toch is dat Eldorado waarvoor iedereen hier lijkt te gaan.

Soms doet dat pijn, als Hollander in Paramaribo lijkt het zo zonde. Maar wat geldt voor Paramaribo, geldt waarschijnlijk ook voor ons: als we stopten met het eisen van een paradijs, zouden we zien dat we allang in het paradijs leven.