Draai het om en stel de vraag: wat heb ik een kind te bieden

In de krant van 24 december nodigt u uw lezers uit te reageren op de speciale bijlage En als wij nu geen kinderen willen? Ik vraag u dit wel-of-niet-een-kind-krijgen anders te bezien. (Tussen haakjes: omdat het niet ieder mens biologisch gegeven is een kind te kunnen krijgen, vind ik het beter te spreken over het krijgen van een kind dan over het nemen van een kind.)

Stel u niet de vraag: wat heeft een kind mij te bieden? Nee, stel u de vraag: wat heb ik een kind te bieden? Wil ik en kan ik het aan om moeder te worden? Niet denken vanuit de lasten en lusten die een relatie met een ander, een kind, voor u met zich meebrengt; nee, denken wat u een ander, een kind, wilt en kunt bieden.

Een kind is geen appendix. Een kind is onderdeel van uw leven. En in de eerste jaren van zijn leven bepaalt het uw leven. Omdat kinderen nu eenmaal volkomen afhankelijk zijn van de zorg van een ander. Wilt u die afhankelijkheid? Als het antwoord ‘ja’ is, is de volgende vraag die u zich moet stellen: ‘kan ik omgaan met wat die afhankelijkheid meebrengt?’ Als u dat een kind niet kunt bieden, is de beslissing toch gauw genomen?

Dan even over het nog niet verwekte kind. Niet alle kinderen groeien uit tot zorgeloze volwassenen met een zorgeloze toekomst. Neem die mogelijkheid mee in uw beslissing over wel of niet moeder worden.

Alles verandert. Vandaag is het antwoord op vragen misschien anders dan het antwoord op dezelfde vragen over een tijdje. Blijf de vraag stellen: Wat heb ik een kind te bieden?

Wij lieten ons steriliseren

In 1983 (ik was 33 en mijn vriendin 31) hebben wij ons laten steriliseren. Er was een lange weg van overwegingen aan vooraf gegaan. Moeilijkheid was het gebrek aan voorbeelden. Onze ouders hadden kinderen en in onze omgeving werd die traditie voortgezet. Mijn vriendin vond een gynaecoloog die haar wilde opereren. Ik werd geweigerd bij het Dijkzigt met als argument dat ik te jong was voor deze beslissing en dat hun ervaring was dat ‘men’ er spijt van kreeg. Ik ben in een ander ziekenhuis, zonder commentaar, wel geholpen. Wij hebben soms spijt van onze beslissing gehad. Als we op kinderen van vrienden pasten en die met hun onvoorwaardelijk liefde naar je toe komen. En nu ook nog, als ik zie hoe een goede vriend met zijn volwassen kinderen omgaat. Maar dat is hooguit een beetje jaloezie, die direct verdwijnt als we kijken naar de volwassen relatie die we met kinderen van vrienden en familie hebben kunnen opbouwen. We zijn nu 40 jaar bij elkaar en zijn nog steeds een gelukkig gezin van twee personen met een groot netwerk van jonge en oude(re) mensen. Wellicht kunnen we als voorbeeld dienen dat de keuze niet beperkt is tot het krijgen van kinderen.

Kees Godvliet en Hanny Kalfs