Nederland, niet langer verbonden

Bedreigde eigenheid, een heftig gevoel van miskenning – het is al jarenlang de grondtoon van de vaderlandse onvrede. Waarom radicaliseren opvattingen zo snel?
illustratie hajo

Niet zo lang geleden keerde ik terug naar het dorp waar ik opgroeide. Dat dorp heet Zwanenburg, het ligt aan de rand van de Haarlemmermeerpolder. De aanleiding was het honderdjarig bestaan van Zwanenburg. Dat moest gevierd worden. Er was een symposium georganiseerd en ik trad, als zoon van het dorp, op als presentator. Een van de sprekers die middag was de Commissaris van de Koning, de VVD’er en oud-minister van Binnenlandse Zaken Johan Remkes. Tijdens het vragenrondje achteraf werd deze onverwachts geconfronteerd met het zogenaamde ‘zwembadtrauma’.

Dat zit zo – ooit had het dorp, toen het zo’n negenduizend inwoners had, een eigen openluchtzwembad. Ik heb er leren zwemmen tijdens de jaren dat het nog onverwarmd was. Omdat ik last had van astmatische bronchitis, had de dokter mijn moeder aangeraden me vooral in zo koud mogelijk water te laten zwemmen. Ik herinner me hoe ik met mijn moeder op de grauwe dag van de seizoensopening rillend baantjes trok in een verder leeg zwembad. Later was ik lid geworden van de plaatselijke zwemclub, die natuurlijk De Swaenen heette. Ik heb zelfs nog een paar jaar aan waterpolo gedaan.

Op het symposium bleek dat het al lang geleden gesloten was. Dat nu was het ‘trauma’ – het zwembad was, begin jaren negentig als ik het goed heb begrepen, niet langer rendabel gebleken. Nu had Zwanenburg geen zwembad meer – een wond die niet wilde helen. Wellicht omdat het verder ook al niet echt goed ging. Door de hinder van laag overvliegende vliegtuigen had het dorp al decennia niet kunnen uitbreiden, bezat het nauwelijks aantrekkingskracht op nieuwkomers. De detailhandel was ingezakt. Veel winkels waren verdwenen.

Een vrouw uit het publiek vroeg Remkes naar het verdwenen zwembad – kon dat niet terugkomen? De Commissaris reageerde meewarig. Mensen hadden toch een auto? Als je wilde zwemmen dan reed je toch naar een dorp ergens verderop, waar er wel een was?

Achteraf kwam de vragenstelster op mij af. Ze was emotioneel. Remkes begreep niet wat het verlies van het zwembad betekende voor het dorp; het geld ervoor was ergens in de jaren zestig door grotendeels door de inwoners zelf bij elkaar gelegd. Het zwembad hoorde bij het dorp, het was deel van zijn trots en identiteit geweest. Het was toch juist aan de overheid om de helpende hand uit te steken? Op het gezicht van de vrouw was woede te zien, maar ook iets van verbijstering – ze kon niet begrijpen dat de Commissaris niet eens begreep waar ze het over had.

Die kleine scène is me bijgebleven – omdat die zo mooi de kloof laat zien. Niet zozeer de afstand tussen burger en politiek, hoewel dat zeker ook zo is. Het liet vooral mooi de kloof zien tussen twee wereldbeelden. Aan het gezicht van Remkes was af te lezen geweest dat hij dat hele Zwanenburgse zwembadtrauma maar verwend gezeur vond. Het zwembad was niet rendabel geweest, jammer dan. Aangezien het niet betekende dat de inwoners van Zwanenburg nergens meer konden zwemmen, moesten ze de dingen maar nemen zoals ze waren. Daar werd de wereld echt niet slechter van. Vanuit de vrouw zag het er heel anders uit – het ging wat haar betreft in de eerste plaats om een immaterieel verlies, van eigenwaarde vooral. Het dorp waarin ze haar leven doorbracht had toch al veel van zijn trots verloren door de malaise waarmee de geluidshinder van Schiphol de bewoners daar opzadelde. Haar boosheid, dacht ik, werd niet zozeer veroorzaakt doordat een man als Remkes niet meteen zei dat hij er een subsidiepot voor zou opentrekken, maar dat hij niet eens leek te begrijpen waar de pijn zat.

Er zijn belangrijker kwesties dan het Zwanenburgs zwembadtrauma. Maar kijk naar de onderliggende emoties. Verlies van eigenwaarde, bedreigde eigenheid, een heftig gevoel van miskenning, niet gezien worden – het is al jarenlang de grondtoon van de onvrede. Het zwembadtrauma is overal. Je vindt het terug in de rellerige protesten tegen de opvang van vluchtelingen, de weerklank die de bewust opgeklopte verzetsretoriek van Geert Wilders vindt, de hysterische ondergangslyriek in de sociale media.

Omdat de uitingen van de onvrede meestal zo uitzinnig, zo kleinzielig, of domweg racistisch zijn, gaan de reacties meestal daarover – wat is er in deze mensen gevaren? Men staat er hoofdschuddend of ontzet bij, zoals Johan Remkes bij de boze Zwanenburgse vrouw – wat een hysterie, wat een aanstellerij, wat een onfatsoen ook. Maar vrijwel nooit wordt de vraag gesteld: waarom lopen de emoties zo waanzinnig hoog op? Waar komen die overspannen hyperbolen vandaan? Waarom radicaliseren opvattingen zo snel?

Een gemeenschap, of het nu een lokale, een nationale of een internationale gemeenschap is, kan niet zonder een gevoel van verbondenheid. Wanneer dat gevoel wegvalt, of permanent miskend wordt, valt men terug op imaginaire entiteiten zoals het Volk, als in „dit is wat het volk wil”, of de Kiezer, als in „de kiezer heeft gesproken”. Of ‘een tsunami’, nog zo’n dreigende algemeenheid.

De negentiende-eeuwse Deense filosoof Kierkegaard begreep dat al. Hij schreef: „Alleen wanneer het gevoel van verbondenheid in een samenleving niet sterk genoeg is om concrete realiteiten tot leven te wekken, kan de Pers abstracties als ‘het Publiek’ creëren, dat bestaat uit onechte individuen die nooit verenigd zijn en kunnen zijn in een feitelijke situatie.”

Wat de gevolgen zijn van een dergelijk wegvallen van verbondenheid wordt heel mooi beschreven door de Amerikaanse filosoof Matthew Crawford in zijn ook in het Nederlands verschenen boek De wereld buiten je hoofd (2015), waar ik het citaat van Kierkegaard vond. Wanneer mensen dat gevoel van onderlinge verbondenheid met anderen niet langer werkelijk voelen, schrijft hij „begint ieder van ons zichzelf te zien als de vertegenwoordiger van iets algemeens. We brengen dit ‘vertegenwoordiger zijn’ mee in onze ontmoetingen met anderen. Dit vervlakt onze relaties en maakt ze abstracter.”

Om bij mijn voorbeeld te blijven, de vrouw die ontsteld was over het onbegrip van Johan Remkes, zou zichzelf dan al gauw kunnen gaan gedragen als het prototype van de boze burger, die het niet langer pikt, die haar vertrouwen in de politiek kwijt is, enzovoort. Ze wordt een type, in alles anti. In plaats van verbondenheid is er enkel nog vervreemding.

Wanneer mensen zich meer en meer als de individuele vertegenwoordiger van een algemeenheid gaan zien – een positie, een overtuiging of een identiteit – wordt een werkelijk gevoel van verbondenheid met anderen moeilijk en misschien wel onmogelijk – er staat domweg teveel tussen mensen in, omdat ze elkaar niet meer als individuen tegemoet kunnen komen, maar de ander als vertegenwoordiger van iets zien. De regent, de populist, de Gutmensch, de tokkie, de radicale moslim, de wereldvreemde elite, de onbestuurbare burger. En ook een individu harnast zichzelf dan met het gelijk van de groep, je gaat je gedragen naar het beeld dat men van je heeft. Er is geen sprake meer van een verbindende identiteit, maar juist van een atomisering van identiteiten, die hun kracht vinden in oppositie. Iedere uiting wordt een protestkreet, een blijk van ontzetting en verontwaardiging. Debat en dialoog zijn uitgesloten.

Al gauw gaat het dan niet meer om een eenvoudig zwembadtrauma, waar op zich goed mee te leven valt, maar om een existentieel gevoel van miskenning, dat eigenlijk niet meer praktisch is op te lossen.

De burger voelt het gemis aan verbondenheid en kijkt vragend naar de politiek, die geen goed antwoord heeft en de bal vervolgens terugspeelt – waardoor de burger zich steeds onverzoenlijker opstelt, waardoor de politiek geneigd is zich nog verder in zijn eigen bubble terug te trekken en alles onderling te regelen, terwijl men onderwijl de burger steeds meer ziet als in wezen onbestuurbaar en ten diepste onredelijk. De burger voelt zich op zijn beurt nog meer in de steek gelaten en maakt het zich onbegrepen voelen tot zijn identiteit, waardoor het misverstand groter en groter, de kloof dieper en dieper wordt.

De laatste tijd wordt er steeds vaker wanhopig gewezen op de zwijgende meerderheid. Vroeger stond dat begrip voor de niet uitgesproken, sluimerende onvrede, inmiddels is het andersom: het staat voor de stille redelijkheid van de meeste mensen, die in het gekrakeel niet langer gehoord lijken te worden, die geheel en al buiten beeld zijn geraakt door alle polarisatie van posities, of het nu gaat om Europa, de vluchtelingencrisis, of de plaats van de islam in het westen. Dat zegt veel over deze tijd.

Het gaat er nu om die meerderheid een krachtige stem te geven, weerbaar te maken tegen intimidatie door radicalen, onverstoorbaar voor het theatrale ondergangsgejammer. Maar dat lukt alleen wanneer je oog krijgt voor de reële gevoelens van vervreemding om je heen, wanneer je afleert anderen te zien als louter vertegenwoordigers van iets. Zolang men blind blijft voor de onderliggende emoties van het zwembadtrauma, zal het onbegonnen werk zijn.