Column

Meedoen om tegen te werken, zo zijn wij

Nederlanders krijgen in het buitenland vaak de vraag: wat is er toch met jullie gebeurd? Jullie waren altijd zo pro-Europees, als eerste in de euro en Schengen, jullie waren altijd vóór uitbreidingen. Nu zijn jullie eurosceptisch.

Het antwoord op die vraag, die nu bij de start van het Nederlandse EU-voorzitterschap extra vaak gesteld wordt, luidt dat Nederland altijd sceptisch over Europa was. Vanaf de eerste dag, in de jaren vijftig.

Het Europese integratieproject mag zes founding fathers hebben, waaronder Nederland. Maar eigenlijk zijn het er twee: Duitsland en Frankrijk. Het Schumanplan, aangekondigd in 1950, draaide om hen. Samenvoeging van hun kolen- en staalproductie (zware oorlogsindustrie) moest zorgen dat zij geen oorlog meer voerden. In tachtig jaar tijd waren ze elkaar driemaal in de haren gevlogen. Driemaal verwoestten ze Europa.

Nederland wantrouwde hen allebei, omdat ze het continent wilden domineren en over de kleintjes heenwalsten. De Nederlandse regering wilde niets weten van het Schumanplan, omdat het van hén kwam. Ze wilde een vrijhandelsverbond met de Britten en Amerikanen. Transatlantisch, daar ging ons hart naar uit. Als alternatief voor het Schumanplan stelde Den Haag een ‘Stikkerplan’ voor (genoemd naar de minister van Buitenlandse Zaken), dat alleen liberalisatie van bepaalde economische sectoren beoogde. Dat schoten andere landen af.

Toch deden we mee aan de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Duitsland was in 1950 alweer onze grootste handelspartner. Nederland was Indië kwijtgeraakt en had Duitsland nodig voor de economische wederopbouw. Zo kwam Nederland bij Europa: zo sceptisch als wat. Den Haag bedong de oprichting van het Europese Hof en de Raad waarin elk land een veto heeft, om de centrale Europese Autoriteit aan banden te leggen. Jarenlang blokkeerde Nederland ook een Europese landbouwpolitiek. We stonden toen bekend zoals het Verenigd Koninkrijk nu: we wilden bijna niks.

Dat veranderde toen Den Haag in 1973 na jaren lobbyen de Britten in Europa kreeg. Ineens hadden we het beste van twee werelden: de transatlantische en die continentale, waar we om pragmatische redenen in beland waren. In dit Europa voelden we ons thuis.

Dit is de periode die velen zich herinneren: Den Haag als aanjager van nieuwe projecten zoals uitbreidingen, Schengen, de euro. Vanaf midden jaren negentig werden die projecten uitgevoerd, en ontdekten we dat de Britten bijna nergens aan mee deden. Na de val van de Muur verdwenen de Amerikanen van het continent. Burgers klaagden dat Europa vooral leuk voor bedrijven was. Duitsland en Frankrijk schonden én veranderden de begrotingsregels in het Stabiliteitspact – een bewijs hoe politiek Europa is, terwijl Nederland volhield dat het puur een markt was. Dit culmineerde in het Nederlandse ‘nee’ bij het referendum over de EU-grondwet, in 2005.

Nergens is de Britse premier Cameron zo populair als hier. Zijn Europa à la carte, dat wil de Nederlander ook. Maar in plaats van in een lossig, transatlantisch handelsverbond zitten we in het hart van een zéér politiek Europa, omdat we als de facto provincie van Duitsland Berlijn volgen. We kunnen daar niet uit zonder onszelf enorm te benadelen. Daarom steekt elke regering, zoals in de begindagen van Kolen en Staal, de kop in het zand. Erbij blijven en Europa zoveel mogelijk verwateren, is en blijft het devies. Rest ons om verbouwereerde buitenstaanders uit te leggen dat de jaren zeventig en tachtig geen regel waren, maar uitzondering.