Ik wil de wereld bij jou thuis brengen zoals-ie is

Het NOS Journaal bestaat binnenkort zestig jaar. Elke dag kijken meer dan twee miljoen mensen en dat moet ook, vindt hoofdredacteur Marcel Gelauff. „Waarom zou je het anders uitzenden?”

Marcel Gelauff: „De meest pregnante nieuwsgebeurtenis in de afgelopen twaalf jaar was zonder twijfel de MH17-ramp.” Foto Merlijn Doomernik

Eind augustus vorig jaar presenteerde de Nederlandse Publieke Omroep aan de verzamelde pers trots de hoogtepunten van het aankomende televisieseizoen. Dramaproducties, jeugdseries, actualiteiten, documentaires – alle genres kwamen voorbij. Maar geen woord over het aanstaande zestigjarige jubileum van het NOS Journaal. Na afloop stond Marcel Gelauff, hoofdredacteur van NOS Nieuws, zichtbaar ontdaan in de foyer van de bioscoop waar de perspresentatie had plaatsgevonden. „Ik was werkelijk verbijsterd, heb de directie van de NPO erop aangesproken. Maar ze vonden het blijkbaar echt geen onderwerp.” Daarmee was de rol van het dagelijkse nieuwsprogramma indirect treffend neergezet: het NOS Journaal is het ‘gas, water en licht’ van de televisie; het valt pas op als het niet werkt. „Tegelijk is het één van de tien meest gekende merken van Nederland”, zegt Gelauff (58) op zijn werkkamer. En nee, zeg vooral niet ‘het Journaal’, corrigeert hij al in de eerste minuut van het gesprek. „We heten sinds 2005 NOS Journaal”.

Drie jubilea heeft de NOS in 2016 op de rol staan: naast het NOS Journaal viert ook het NOS Jeugdjournaal een jubileum. Dat bestaat in januari 35 jaar. Bovendien viert het dagelijkse radioprogramma Met het Oog op Morgen – „een van onze kroonjuwelen”– op 5 januari zijn veertigjarig bestaan. „Kennelijk begonnen die programma’s vroeger allemaal in januari.”

Dagelijks kijken ruim twee miljoen mensen naar het achtuurjournaal. Dat moet ook, zegt Gelauff, want de NOS heeft als taak een zo breed mogelijk publiek te bedienen. „Onze doelgroep is per definitie: ‘iedereen’. Dat is tegelijk het moeilijke aan wat wij doen. Hoe bedien je zowel hoogopgeleiden als mensen die minder achtergrond hebben? Dan kom je qua taal en toon ergens in het midden uit.”

Ook in de keuze van onderwerpen?

„Nee. De keuze die wij maken is maar door één overweging ingegeven: wat moét je zien als je wilt weten wat er in de wereld gebeurt? Wij bieden nieuws aan in twee stromingen: 24 uur per dag nieuwsberichten – alles wat je brengt aan nieuwsfeiten – met daarnaast duiding. Daar is vooral het achtuurjournaal voor bedoeld. We proberen elke dag substantieel bij dingen stil te staan: wat is IS, wat gebeurt er nu precies op de klimaattop?”

Wat is het bestaansrecht van het NOS Journaal?

„Het bestaansrecht is vanuit onze publieke taak dat er heel veel mensen naar kijken en wij ze van betrouwbaar nieuws voorzien.”

Naar Linda de Mol kijken ook heel veel mensen. Dat is niet echt een argument.

„Het is juist een heel belangrijk argument. Als er niemand zou kijken, waarom zou je het dan nog uitzenden? Wij proberen voor een groot publiek betekenis te geven, context te bieden, waardoor kijkers betere keuzes kunnen maken. Zonder inhoudelijke kleuring. Wij als redactie vinden er niks van. Wij zullen niet zeggen of we iets verstandig of onverstandig vinden. Dat hoort niet bij het NOS Journaal.”

Bij NOS Nieuws (radio, tv en online) werken ruim 400 mensen. Dat is een soort olietanker die zijn eigen koers vaart. Maakt het eigenlijk uit wie daar de kapitein is?

„Oh ja, zeker.”

Waarin herken ik uw hand?

„Die herken je omdat we dichter bij het publiek zijn gekomen. Letterlijk. Ik vond het belangrijk dat de presentator van 8 uur stáát, en het nieuws echt vertélt. Volgens mij is dat de manier om nieuws te brengen. Daar koos ik een paar jaar geleden intuïtief voor. Dat staan is echt een belangrijk moment in de historie van het NOS Journaal.”

Ad van Liempt, die een boek publiceerde over de geschiedenis van het NOS Journaal, schreef dat de benoeming van een hoofdredacteur altijd een reactie is op de vorige. Verschilt uw visie wezenlijk van die van Hans Laroes?

„Ik denk dat ik doelgerichter ben, scherper in wat ik wil. Zoals dat hameren op ‘NOS’ bij NOS Journaal. Het is meer dan ooit van belang om ons in de samenleving te positioneren. En ik wil ook echt laten zien wat er gebeurt in de wereld, hoe schokkend dat ook kan zijn.”

Zoals de beelden van kort na de aanslag op Charlie Hebdo waarop je zag hoe een gewonde agent voor de deur van Charlie Hebdo wordt doodgeschoten?

„Ik vind dat je zoiets moet laten zien, ja. Met de gedachte: dit is het gezicht van terreur midden in een wereldstad. Blijkbaar zijn er mensen die vanuit hun ideologie zo volstrekt meedogenloos kunnen moorden.”

Na een half uur ging het beeld bij het fatale schot in het NOS Journaal overigens wel even op zwart.

„Uiteindelijk leek me dat toch het beste, omdat de discussie gaandeweg vooral over het uitzenden van die bewuste beelden begon te gaan. Dan schiet je je doel voorbij. Maar ik wil de wereld laten zien zoals die is.”

De foto uit de Bataclan, gemaakt na de moordpartij, zag ik niet bij jullie.

„Ik geef toe dat daar een zekere willekeur in zit. Waarom wel die agent en niet die doden in die zaal? Het zit ’m erin dat die zaal dichterbij de kijker komt dan die agent. Dat is toch een anonieme functionaris. In zijn vak kunnen dit soort dingen helaas gebeuren. Maar jij en ik zitten ook weleens bij een concert. Dan vind ik zo’n verschrikkelijke foto te confronterend.”

Is het NOS Journaal in de loop der jaren in essentie veranderd?

„Vergelijk het NOS Journaal eens met dat van twintig jaar geleden. Toen was het veel statischer en afstandelijker. We laten nu veel meer beeld zien. Vroeger lieten we meer autoriteiten en instituties aan het woord. Nu staan we letterlijk tussen de vluchtelingen in.”

U zit ruim twaalf jaar in de hoofdredactie van het NOS Journaal. Wat was voor uzelf in die periode de meest pregnante nieuwsgebeurtenis?

„Dat was zonder twijfel de MH17-ramp. Allereerst omdat er zo veel Nederlanders bij betrokken waren. De ramp was bovendien verbonden met het conflict om Oekraïne met Rusland. Er zat ook duidelijk een element van Koude Oorlog in. Dat bracht het voor mijzelf heel dichtbij. Mijn vader zei altijd: ‘Bedenk wel dat de Amerikanen ons gered hebben van de Russen.’ Die combinatie maakte het voor mij heel indringend. En dan daarna die dagen van nationale rouw, en de aankomst van die kisten.

„Zo’n enorm veelomvattende live-uitzending waar meer dan honderd mensen aan meewerken zou normaal gesproken maandenlange voorbereiding vergen. Nu moest het binnen 18 uur. Je zou zeggen: ‘dit is gekkenwerk, dit kan helemaal niet’. En toch lukte het. We wilden dat het live-verslag van het belangrijkste moment op alle drie de netten tegelijk zou worden uitgezonden. Ik kan je niet zeggen wat een ontzaglijke operatie het is om dat allemaal geregeld te krijgen. De afspraak was: ‘zodra de camera het eerste vliegtuig in het shot krijgt, komen de andere netten erbij’. Het moest absoluut goed gaan. Er mocht geen enkele fout gemaakt worden. Dan sta je daar in de regiekamer… je ziet dat de camera het eerste vliegtuig in beeld krijgt…. Vervolgens zie je dat beeld inderdaad op alle netten verschijnen. En ja, dan komen heel even de tranen. Door de aard van de gebeurtenis zelf, maar ook door de inzet van al die collega’s , die stress… En dat dat dan lukt. Dat was een onvergetelijk moment.”

Daar staan bedrukkende momenten tegenover. Op 29 januari 2015 was Gelauff ’s avonds op weg naar huis toen tegen acht uur zijn telefoon ging. „Het was iemand van de regie, die zei: ‘Marcel, er loopt hier een vent met een wapen door het pand. We gaan niet uitzenden, en proberen allemaal weg te komen’. Dan trekt het bloed uit je hoofd weg. Ik ben direct omgekeerd, terug naar Hilversum. Bij het Mediapark stond overal politie en brandweer. Ik zag de collega’s buiten staan, zonder jas. Er was zelfs iemand zonder schoenen. Mensen waren hevig geëmotioneerd. Vergeet niet dat het pal na Charlie Hebdo was. En op dat moment wist nog niemand dat het een nepwapen was. De politie maakte ondertussen de kring rondom het gebouw nog groter. We moesten verder naar achteren, want er werd gezocht naar ‘meer’. Dus in onze beleving was het echt iets groots. M’n collega’s in Den Haag konden ondertussen de beelden live zien. Die dachten echt: ‘we gaan zodadelijk de executie van die beveiliger zien’.”

Achteraf kreeg Gelauff veel kritiek, omdat de beelden van Tarik Z. eindeloos herhaald werden, waarbij Z. herkenbaar in beeld kwam. Onzin, vindt de hoofdredacteur. „Ik zou het vandaag weer precies zo doen. We hebben die beelden misschien wel vaker laten zien dan we gedaan zouden hebben als het niet bij ons gebeurd was. We hadden maar zo verdomd weinig beeld, we konden geen normale uitzending maken, dus we moesten iets. Maar nogmaals: ik wil de wereld bij jou thuis brengen zoals ‘ie is. Hier werd de nationale televisie lamgelegd. Er leek sprake van een zeer serieuze situatie, van een gijzeling. Ik wilde per se laten zien wat er aan de hand was. En dat mensen achteraf dan met makkelijke kritiek komen, dat raakt me niet zo.”

U werkte voordat u bij het NOS Journaal kwam twaalf jaar bij RTL Nieuws. Waarin onderscheidt uw journaal zich van dat van RTL?

„In de kern is het grote verschil dat wij een publieke legitimatie hebben en RTL Nieuws onderdeel is van een beursgenoteerde onderneming. Dat uit zich vooral in doelgroepdenken. En dat heeft weer effect op hoe je nieuws vertelt. RTL doet het over het algemeen aardser, simpeler en oppervlakkiger. Met minder duiding ook. Dat verschil is de laatste jaren verder toegenomen.”

Hoeveel dagen in de week maakt u een beter Journaal dan zij?

„Elke dag. Nee, ik kijk niet elke dag naar RTL. En zij zullen ons ook best wel ’ns verslaan.”

Harm Taselaar van RTL zei vorig jaar in Vrij Nederland: ‘Het NOS Journaal heeft Arafat een paar keer voortijdig laten sterven. Daar maak je jezelf belachelijk mee. Dat soort dingen moet je uitvoerig checken. Dan maar geen primeur.’

„Natuurlijk maak je ook fouten. Je probeert soms iets te snel het nieuws te brengen.”

U zei een paar jaar geleden in de VARA-gids: „Stel dat De Telegraaf vanmorgen opent met het bericht dat een minister zwart geld heeft. Het kan uren duren voordat je de bevestiging hebt en in die tussentijd hoor je overal reacties van commentatoren en Kamerleden. Dan kunnen wij als NOS niet zwijgen. Dan moeten wij mee. We proberen het wel te controleren, maar als dat niet meteen lukt is fact checking in zo’n geval niet langer heilig.”

„Hans Laroes zei bij alles: ‘we checken het eerst’. Maar in een wereld van smartphones gaat dat niet altijd meer op. Dan is ons devies: ‘dit speelt er, dit is de bron, we zoeken het uit. Zodra we meer te weten komen, hoort u dat van ons’.”

Maar daarmee doe je wel mee aan het verspreiden van dat gerucht. Misschien beschadig je iemand daardoor volstrekt ten onrechte.

„Precies. En daarom moet je erbij zeggen dat je niet weet of het klopt, en dat je dat nu gaat uitzoeken.”

De gemiddelde Journaalkijker is 57, 58 jaar oud. Waarom lukt het zo slecht om jongeren te trekken?

„Dat is een probleem van de journalistiek in het algemeen. Ik las als scholier de krant. Dat doen nog maar heel weinig jonge mensen. Datzelfde geldt voor kijken naar het NOS Journaal. Vroeger was dat nog vanzelfsprekend. Dat is allemaal totaal veranderd. Het is maar zeer de vraag of er over tien jaar nog een Journaal in zijn huidige lineaire vorm bestaat. De televisie beweegt steeds meer toe naar een groot scherm met Apps die je naar behoefte kunt aanklikken. We zitten volop in de periode van transitie, van zoeken naar hoe je online ook je nieuws kunt brengen, en duiding kunt geven. De journalistiek is bezig zichzelf opnieuw uit te vinden. We staan voor de vraag: als die lineaire programmering straks niet meer bestaat – een Journaal van 25 minuten met een door de redactie bepaalde volgorde van onderwerpen – hoe zorg je er dan voor dat een breed publiek toch op de App van de NOS klikt? Daar zijn we enorm over aan het nadenken. Hoe kan Rob Trip je in een onderwerp van twee minuten iets zinnigs vertellen over vluchtelingen? Welke vertelvorm hanteer je daarbij?”

Maakt u zich zorgen over die veranderingen?

„Journalistiek, een basisnieuwsvoorziening, is een voorwaarde voor cohesie in de samenleving, in de democratie. Ik maak me zorgen over de vraag hoe de journalistiek zijn onafhankelijke positie kan handhaven. Door de voortschrijdende techniek kan iedereen zich journalist noemen. Daar zijn de traditionele businessmodellen niet op berekend. Facebook en Google halen samen jaarlijks een miljard uit de Nederlandse advertentiemarkt. De toekomst van de kwaliteitsjournalistiek staat daarmee op het spel. Daar heeft de politiek het nooit over. Sander Dekker denkt dat de markt het kan oplossen maar dat is een pijnlijk misverstand.”

Het is overigens opvallend dat NOS-directeur Jan de Jong steeds zo’n prominente positie inneemt. Benoemingen van belangrijke presentatoren lopen volgens ingewijden via hem. Hij lijkt soms meer hoofdredacteur dan u.

„Nou ja, de directeur stelt mensen aan. Zonder zijn handtekening geen benoeming. Maar als ik een presentator niet zie zitten dan gaat het niet door. Jan de Jong is directeur van een publieke omroep waar vaak kritiek op is. Dan is hij zichtbaar in de publiciteit. Maar ik vind niet dat hij mij inhoudelijk voor de voeten loopt.”

Hoe onafhankelijk is de NOS-journalistiek?

„Binnen de publieke journalistiek zou de onafhankelijkheid beter gewaarborgd moeten worden. Je ziet dat zowel de NPO als de politiek steeds dichter bij de inhoud van programma’s komen. Kamerleden spreken zich uit over tv-programma’s en over welke muziek er gedraaid moet worden. In ons NOS-statuut is de directeur eindverantwoordelijk voor de inhoud. Als je de journalistieke onafhankelijkheid echt wilt garanderen moet je ’m bij de hoofdredacteur leggen. Het zou ons als NOS krachtiger maken als we allebei op een andere manier staan voor het NOS-belang. Dan kan hij tegen de politiek zeggen: ‘U kan hoog en laag springen, maar zelfs ik heb er geen invloed op’. Dat zou onze journalistieke positie beslist verstevigen.”

U bent sinds 2011 hoofdredacteur. Wat hebt u aan het NOS Journaal toegevoegd?

„Ik hoop dat ik de redactie wat meer zelfbewustzijn en trots heb kunnen meegeven. Dat was er veel te weinig. Dat ‘gas, water, licht’-gevoel overheerste. En ja, er valt heus wat op ons aan te merken, maar mensen die hier werken, mogen best trots zijn op wat we bereikt hebben. Iedere dag meer dan twee miljoen mensen een venster op de wereld bieden, dat is niet niks.”