‘Ik vind het enger om in de zaal te zitten’

(44) lijdt aan paniekaanvallen en agorafobie. Met psychiater Bram Bakker tourt ze door het land met de voorstelling Geen paniek.

Foto Andreas Terlaak

‘E

en paniekaanval voelt niet alsof je je portemonnee bij de Albert Heijn bent vergeten, het is alsof je 130 rijdt op de snelweg en ineens de macht over het stuur verliest. Zweten. Hartkloppingen. Totale wanhoop. Ik kan me thuis op de bank al zo voelen. Mijn eerste angstaanval was in een winkel, ik was een jaar of 22, 23. Ik dacht dat ik ziek was en moest overgeven, maar dat was helemaal niet zo. Ik ben naar huis gegaan en heb er geen aandacht meer aan besteed, totdat ik een tweede aanval kreeg op een jazzfestival. Ik zei tegen mijn toenmalige vriend dat ik naar huis wilde, hij zei: ‘Doe niet zo ongezellig’. Ik schaamde me, dat gevoel was er gelijk al. Pas veel later kreeg ik de diagnose: paniekstoornis met agorafobie.”

Wijvending

„Ik wist dat ik er iets aan moest gaan doen toen het mijn normale leven in de weg ging zitten. Ik vermeed steeds vaker bepaalde plekken en situaties. Ik kon niet eens naar de crematie van mijn oma, vreselijk was dat. Huisarts, maatschappelijk werk, eerstelijns psycholoog, creatief therapeut, groepstherapie, haptonoom, magnetiseur, EMDR-therapeut, ik heb ze allemaal gezien. Ik ben zelfs een keer naar een paranormaalbeurs geweest, je weet tenslotte maar nooit. Ergens vond ik het ook een aanstellerig wijvending, paniek. Na een lange omweg kwam ik bij psychiater Bram Bakker terecht – vanaf 2005 ging ik een jaar of drie naar hem toe. Hij leerde me twee belangrijke dingen. Eén: je wilt niet dood, je wilt een ander leven. En ten tweede vroeg hij me wat mijn passie was. ‘Ik heb niet eens een passie!’ riep ik uit en moest huilen. Dat vond hij onzin. Ik vertelde hem schoorvoetend dat ik graag cabaretier had willen worden. Nog tijdens de sessie regelde hij een kleinkunstcursusje bij een bevriende docent.”

Kantoorleven

„Mijn moeder heeft me altijd op het hart gedrukt financieel onafhankelijk te zijn. Ik heb heao gedaan en later communicatiewetenschappen en ik vond dat echt heel leuk. Mijn moeder had gelijk: ik heb ook altijd werk. Ik zie genoeg collega-cabaretiers die in de horeca moeten werken of niet eens aan een baantje komen. Sinds juni werk ik als communicatieadviseur bij een ouderenzorginstelling. Ik vind het fijn, dat kantoorleven, al wil ik het niet meer dan twintig uur per week doen. Bovendien heeft het me altijd goed materiaal opgeleverd. Zo had ik vroeger zo’n collega die altijd heel erg vrolijk deed terwijl je voelde dat hij het niet was. ‘Fijne avond!’ riep hij dan overdreven hard door de gangen. Ik zat zuur in mijn kamer te werken en dacht: door jou lijk ik dus chagrijnig. En ik wás natuurlijk ook chagrijnig, maar ik heb die grap wel opgeschreven in zo’n boekje dat ik altijd bij me heb. Nu zit het in m’n show.”

Weinig geduld

„Als kind was ik recalcitrant, de grappenmaker. Ik had een grote bek, maar niet over de kwetsbare dingen. Mijn vader was loodgieter, mijn moeder huisvrouw en later directiesecretaresse. Stel je niet aan. Doe niet zo raar. Zo erg is het allemaal niet. Daarmee zijn wij opgevoed, mijn oudere broer en zus en ik. Praten over je gevoelens deed je niet. Dan wordt het ook niet erger, was het idee.”

Ultieme controle

„Later heb ik nog de Amsterdamse Theater Academie gedaan. Als afstudeeropdracht heb ik in 2010 de voorstelling Wanneer wordt ’t leuk? gemaakt en daarmee won ik de tweede prijs van het Amsterdams Kleinkunst Festival. Dat was helemaal niet de bedoeling, want voor de halve finale moest ik op de boot naar Texel. Op de boot! Vreselijk! Die voorstelling ging over een vrouw die klaagt over haar leven maar daar geen enkele verantwoordelijkheid voor neemt. ‘Ik ben Marjolijn en ik ben niet gelukkig’ was mijn eerste regel. Het ging nog niet over mijn paniekaanvallen, dat durfde ik niet. Ik zat er nog middenin. Optreden is natuurlijk heel erg eng, maar op het podium heb ik de ultieme controle, ik bepaal wat er gaat gebeuren. Eerlijk gezegd vind ik het enger om in de zaal te zitten. Als ik geen plekje kan vinden aan een gangpad achterin ga ik weg.”

Chemisch toilet

„Bij Geen paniek wilde ik het graag over mijn angsten hebben, maar ik kon er pas grappen over maken nadat ik er een boek over had geschreven: Schijtluis. Daarvoor interviewde ik columnist Sylvia Witteman, dichter Ingmar Heytze en oud-voetballer René van der Gijp. Het is geweldig dat zij openlijk over hun angsten wilden praten, zeker zo’n macho als Van der Gijp. Elke dag stofzuigt hij zijn auto, ook al heeft hij er niet in gereden. Sylvia Witteman heeft hypochondrische neigingen: ze dacht eens dat ze doodging, bij de Eerste Hulp bleek dat het hyperventilatie was. Ach. Ik rij zelf al jaren rond met een chemisch toilet in mijn bestelbusje. Stel je voor dat ik moet… Ik heb het nog nooit gebruikt, maar durf nu wel naar het buitenland op vakantie.”

Bram Bakker

„Ik was al aan het try-outen toen Bram Bakker me belde met het voorstel om samen iets te maken. Hij wil het taboe op psychiatrie slechten en vindt theater een goed middel. Ik zei ja. Ik moest weliswaar mijn show een kwartier inkorten – ik speel een stuk voor de pauze, hij erna – maar toch, Bram Bakker is een bekende naam en het was voor mij een kans om aandacht te krijgen voor dit onderwerp. Een op de vijf mensen heeft last van een angststoornis. Moet je nagaan. Na mijn voorstelling hoor ik vaak dat mensen zich in mijn verhaal herkennen. Een vrouw kwam twee keer en nam haar man en dochter mee: ‘Dan begrijpen ze eens wat ik voel’, zei ze.”

Veilig eten

„Richard en ik zijn nu zes jaar samen. Toen we elkaar ontmoetten, heb ik hem meteen verteld over mijn angsten, want ja, ik kan er niet echt omheen. Soms wil ik ineens van tafel wisselen als we in een restaurant zitten. Soms ga ik niet mee naar feestjes als ik me slecht voel. Ik eet veilig. Veilig eten is eten dat ik ken en waar ik niet ziek van word. Dus ik wil vaak hetzelfde eten. En nieuwe situaties maken me nog altijd angstig. Toen ik net met mijn nieuwe baan begon, had ik echt weer paniekaanvallen. Vroeger had ik kopjes met de oren dezelfde kant op in de kast staan, handdoeken netjes op kleur, maar nu gaat het beter en is het een redelijke chaos in huis.”

Mindfulness

„Als je heel negatief bent over anderen dan ben je ook vaak negatief over jezelf. Je bent dan stoer in de verbale zin, maar je houdt alles af. Dat deed ik heel erg. Ik keek argwanend en negatief naar de wereld, en mezelf. Mindfulness is echt mijn redding geweest. Ik doe het nu zo’n twee jaar. Toen ik ermee begon had ik het eerste half uur ontzettend veel commentaar: wat een onzin, wat een zweeftypes. Maar die houding ken ik nu wel, bedacht ik, en ik heb het cynisme overboord gegooid. Nu leer ik om naar vervelende gevoelens toe te gaan, in plaats van ze weg te stoppen. Daar wordt het juist minder erg van, paradoxaal genoeg. Tja, je hoort echt van die belachelijke taal, hoor: ‘Je adem heb je altijd bij je’ en ‘geluid zit bij de meeste mensen ergens tussen de oren’. Maar nu lach ik erom, schrijf het op in mijn boekje en stoor me er verder niet meer aan.”