Gruwel en glorie, zuiverheid en smet

Bloed is in alle tijden en culturen een krachtige metafoor – van Homerus, via Hitler tot Harry Potter. Het symboliseert tegendelen als leven en dood. Het verbindt mensen en scheidt volken.

Babriel Puig Roda: La expulsion de los moriscos (De verdrijving van de moren), 1894. In Spanje gold na de Reconquista de limpieza de sangre, de bloedzuiverheid. Met dit beginsel werden alle moren verdreven.

De taal druipt van het bloed. Kijk maar: bloedverwantschap; volbloed; bloedeloos; bloeddorst; bloedgeld; bloedschande. Deze woorden verwijzen niet naar écht bloed, ook niet naar een medische conditie of een biologisch inzicht. Ze behoren tot het domein van de beeldspraak, waarin ‘bloed’ staat voor meer dan de rode substantie die bij mens en dier door de aderen stroomt. Ze verwijzen naar familiebanden, zuiverheid, vitaliteit, moordlust, huurmoord en incest.

Bloed is in alle tijden en culturen een krachtige metafoor. Dat is geen toeval. Bloed is geen willekeurig, maar een natuurlijk symbool, zou de Britse antropologe Mary Douglas zeggen. Hoe mensen ook denken over de werking van hun lichaam, overal en altijd spreekt bloed tot de verbeelding. Door zijn rode kleur, omdat het stroomt, soms spuit en uiteindelijk stolt, en steevast wordt geassocieerd met leven en dood.

Geen bloed, geen leven, beseften de oude Grieken. Voor de dichter Homerus was haima (bloed) een synoniem van leven, en daarmee van sterfelijkheid. Bij hem zijn goden en demonen anhaimones, wezens zonder bloed. Dat maakt hen niet dood, maar juist onsterfelijk. Sommige klassieke Griekse auteurs zien bloed als de ziel (psyche), de niet-materiële bron van leven.

Ook het Oude Testament legt een rechtstreeks verband tussen bloed en leven. Genesis 9:4 verbiedt daarom de consumptie van bloed: ‘Gij zult geen vlees eten dat het levensbloed nog in zich heeft’. Een ander Bijbelboek (Leviticus 17:10) legt dit verbod uit: ‘De ziel van het vlees is in het bloed’. Om die reden moet bij de rituele slacht het bloed van het slachtdier na de snede in de halsslagader eerst afvloeien.

Maar met de associatie van bloed en leven houden de overeenkomsten op. Bloed symboliseert heel uiteenlopende krachten en kwaliteiten. Bloed kruipt waar het niet gaan kan, het vloeit van het ene domein naar het andere: verwantschap, religie, recht, politiek, geneeskunde, zelfs economie (jawel, als beeld voor de geldcirculatie). Als metafoor heeft het heel tegenstrijdige betekenissen: verbroedering en vergelding; waarheid en leugen; zuiverheid en smet; geweld en glorie.

Bloedvergieten geldt in de geschiedenis zowel als gruwelijk als glorieus. Voor de aristocratie van middeleeuws Europa, die zich beriep op christelijke waarden, was het vergieten van bloed een belangrijke manier om macht te verwerven, en voor een individuele krijger of ridder was het dé manier om zich te bewijzen als man. De hofliteratuur, die de cultuur van de adel vierde en vormgaf, gaat over bloedige gevechten waarin helden laten zien wat ze waard zijn, maar in diezelfde verhalen worden buitensporig bloedvergieten en het drinken van bloed toegeschreven aan monsters. De grens tussen matig en onmatig, tussen heroïsch en monsterlijk, is onzichtbaar.

‘Van hetzelfde bloed’

De Amerikaanse antropoloog Marshall Sahlins noemde het ‘onze inheemse folklore’ – met ‘ons’ bedoelde hij het Westen: het denkbeeld dat wat een familie bij uitstek gemeen heeft, dat wat ouders overdragen aan hun kinderen, bloed is. Dit idee van een ‘bloedband’ gaat terug op de oude Grieken. Leden van één volk (ethnos) zijn volgens de geschiedschrijver Herodotus homaimon – van hetzelfde bloed. Homerus dichtte in zijn Ilias dat ‘de Achaeërs [Grieken], die leven in een gebied van het noorden van Epirus tot het eiland Kreta, tot één volk behoren, want zij hebben hetzelfde bloed’.

Er wordt in de wereld heel verschillend gedacht over wat ouders verbindt met hun kinderen: vlees en bloed, vaderzaad en moedermelk, geest en genen. Toch is de metafoor van de bloedband heel sterk gebleken. Hij heeft millennia overleefd en wereldwijd school gemaakt. Wij maken anno 2016 nog steeds onderscheid tussen bloed- en aanverwanten. Bloed spreekt, vinden we, de familieband verloochent zich niet. Die vermeende bloedband tussen familieleden heeft een grote rol gespeeld in het recht en de rechtspleging. Zowel in het overgeleverde gewoonterecht als in wetboeken.

Bloed moet, als het wordt vergoten, worden vergolden met bloed. Dat ongeschreven ‘bloedrecht’ komt hierop neer: een moord moet gewroken worden door een verwant van de vermoorde, anders lijdt de familie van de dode eerverlies. Dit recht heeft heel lang gegolden, en geldt nog steeds, waar staatsgezag zwak is of ontbreekt en leden van een gemeenschap rechtsnormen zelf handhaven. Voor de Pathanen van de Swatvallei in Pakistan is de moordenaar, als de eerste verantwoordelijke, het aangewezen doelwit van vergelding. Maar als hij buiten bereik is, bijvoorbeeld omdat hij is uitgeweken naar het buitenland, komen ook zijn vader, broer, zoon of neef van vaderskant in aanmerking. Van Zuid-Italië en de Balkan zijn gevallen bekend waarin cycli van wraak en weerwraak generaties lang doorgingen.

Bloedrecht is niet louter een kwestie van eer, maar ook van orde. Zo dachten de Cherokee van zuidoostelijk Noord-Amerika dat de geest van een ongewroken dode niet werd toegelaten tot het hiernamaals, bleef rondzwerven op aarde en zo de sociale harmonie verstoorde. En dat was ook zo: de betrokken gemeenschappen leefden onder voortdurende druk, want iedere verwant van het slachtoffer mocht elk familielid van de moordenaar doden. Soms voorkwam deze norm juist eindeloze bloedvetes. Het was namelijk niet ongewoon dat de clan van de moordenaar de executie zelf voltrok, waarop de verwanten van dader en slachtoffer vrede sloten.

‘Bloedrecht’ is ook de letterlijke vertaling van het Latijnse ius sanguinis. En dan hebben we het niet meer over stammen, maar over staten. Het beginsel van ius sanguinis behelst dat burgerschap niet wordt bepaald door de plaats waar je geboren bent (zoals in landen waar het ius soli geldt, het recht ontleend aan de geboortegrond), maar door ‘bloed’, de nationaliteit van vader en/of moeder.

In de Europese Middeleeuwen ontleende een gemeenschap zijn identiteit aan de godsdienst die ze aanhing en de heer die ze diende. In de vroegmoderne tijd zijn tal van mythen ontstaan over de uitnemendheid dan wel verdorvenheid van geslachten en hele naties. En dat zat hem in hun bloed, want dat werd voortaan beschouwd als de drager van collectieve eigenschappen.

Kleine moren

Die omslag begon in Spanje.

In 1492 kwam met de val van Granada, het laatste islamitische vorstendom op Iberische bodem, een einde aan de Reconquista, de herovering van het schiereiland door christelijke koningen. Ferdinand I van Aragon en Isabella I van Castilië, die de herovering voltooiden, hulden zich met de titel Reyes Catolicos; zij heersten immers over een land van militante christenen. Al in maart 1492 waren alle joden bij het Alhambra Decreet uit Spanje verdreven. En toch, schrijft Matthew Carr in zijn boek Blood and Faith, ‘was er iets wreed ironisch aan Spanje’s plaats in het christendom. Christelijke rivalen in het noorden hoonden het land om de Moorse schandvlek op zijn grondgebied.’

De laatste emir van Granada, Mohammed XII, had zich overgegeven op voorwaarde dat moslims – de meesten waren in de loop van acht eeuwen tot de islam bekeerde Iberiërs – hun geloof mochten blijven belijden. Toch stelden de katholieke vorsten aan het begin van de 16de eeuw moslims voor de keus: bekeren of vertrekken. Een deel week toen uit naar Noord-Afrika, maar de meesten bleven en bekeerden zich tot het christendom. Halverwege de 16de eeuw was Spanje dus nominaal een christelijk land. Toch bleef zowel bij de bevolking en als bij machthebbers een groot wantrouwen bestaan tegenover de ongeveer één miljoen bekeerde moslims en hun nakomelingen, die geringschattend Moriscos (kleine Moren) werden genoemd. Want, zo heette het, ‘Morenbloed verloochent zich niet’. Moriscos werden bij wet uitgesloten van functies in de geestelijkheid en het bestuur, krachtens het beginsel limpieza de sangre (bloedzuiverheid). Dit was een gecodificeerde vorm van smetvrees, waarbij de gevreesde ‘onzuiverheid’ niet langer een kwestie was van persoonlijke religie, maar van afkomst, van ‘bloed’. Tussen 1609 en 1614 werden de Moriscos uiteindelijk verdreven uit alle Spaanse vorstendommen.

Zuiver en onzuiver bloed, het groeide in de zeventiende eeuw uit tot een obsessie van de Europese aristocratie. De Nederlandse dichter Willem Bilderdijk, die zich liet voorstaan op zijn adellijke afkomst, vond ‘onbedorven stamverwantschap’ het grootste bezit van de mens. Hij dichtte in 1799: ‘Gegronder is de roem op luister van geslacht / Dien ’t onvervalschte bloed op de afkomst heeft gebracht.’ Onbedorven en onvervalst, daar ging het om, en daar zorgde de adel voor door alleen onderling te trouwen, zodat er geen ongewenste bloedvermenging optrad.

Met die aristocratische bekommernis werd de draak gestoken tijdens de Franse Revolutie. De Marseillaise bevat deze regel ‘Marchons, marchons! Qu’un sang impur abreuve nos sillons’ (‘Marcheert! Marcheert! Opdat een onzuiver bloed onze akkervorens drenke’). Die regel is vaak uitgelegd als een aan racisme grenzende minachting voor de vijand, maar dat is onjuist. Tijdens de revolutie was een groot deel van de Franse adel uitgeweken naar het buitenland. Het was dus aan het gewone volk om zijn ‘onzuivere bloed’ te vergieten voor de verdediging van het vaderland.

Hardnekkige folklore

Die obsessie met bloed – ‘onze inheemse folklore’, zoals Sahlins haar noemde – heeft in de moderne geschiedenis tegelijk de gevoelens van superioriteit versterkt van standen, klassen en naties, en de vooroordelen jegens Anderen. Oeroud anti-judaïsme, dat alle joden de schuld in de schoenen schoof voor Christus’ kruisdood, verwerd in de negentiende eeuw tot racistisch antisemitisme, dat joods bloed besmet verklaarde. De nazistische ideologie van Blut und Boden baseerde de identiteit van een volk op twee, onverbrekelijk verbonden factoren: afkomst en grondgebied. De Arische boer, de cultuurheld van de Nazi’s, bebouwde en verdedigde zijn grond en bewaarde de zuiverheid van zijn bloed. Verdorven joodse geldschieters ontnamen hem zijn grond en verdreven hem naar de stad waar hij verviel in armoede. We weten tot welke nachtmerrie deze Germaanse mythe heeft geleid.

Maar ook elders bleef de bloedfolklore een hardnekkig leven leiden. De ontdekking in 1901 door Karl Landsteiner van het bloedgroepensysteem doorkruiste de populaire opvatting als zouden alle ‘rassen’ en volken ander bloed hebben. Toch dachten Amerikaanse onderzoekers nog tot in de jaren twintig dat ze het verschil in bloedtype konden vaststellen tussen ‘Maleiers, Negers en Blanken, tussen Joden en Goj’.

Het volksgeloof legde het uiteindelijk af tegen de wetenschap, maar de smetvrees bleef bestaan. Kennis van bloedgroepen was tijdens de Tweede Wereldoorlog behulpzaam bij bloedtransfusies voor gewonden. Vanaf 1939 begonnen de Amerikaanse strijdkrachten bloedgroepinformatie te vermelden op de zogenoemde dog tags, de naamplaatjes met nummer die soldaten om hun nek dragen. En burgers stonden in de rij om bloed te doneren. In 1942 besloot het Amerikaanse Rode Kruis echter om Afro-Amerikaanse bloeddonoren uit te sluiten van de campagne. De organisatie noemde de motieven voor deze weigering ‘niet wetenschappelijk, maar maatschappelijk’.

In de Harry Potter-cyclus laat J.K. Rowlings haar personages in debat gaan over de bloedfolklore. Binnen de gemeenschap van magiërs bestaan twee scholen: tovenaars die ervan overtuigd zijn dat zij ‘volbloeden’ zijn en dat er in hun familie geen ‘dreuzels’ (niet-magiërs) en ‘halfbloeden’ voorkomen; en magiërs die niet geloven in zoiets als ‘bloedzuiverheid’. De eerste groep, een minderheid, beschouwt tovenaars met dreuzelbloed als onbetrouwbaar, dom en inferieur en zijn voorstander van een strikte scheiding van magiërs en dreuzels. De gewoonte van veel tovenaars om met dreuzels te trouwen zien zij als ongewenste ‘bloedvermenging’. Ook al gelden de Potters in de gemeenschap als een familie van ‘volbloeds’, toch wijzen Harry en zijn vrienden de ideologie van volbloedsuperioriteit van de hand.

Zo rekent een modern sprookje af met de mythen van de echte wereld.