Column

Europese Unie wacht op een inspirerend Nederlands voorzitterschap

Voor de twaalfde keer in de geschiedenis kan Nederland zich sinds vrijdag voorzitter van de Europese Unie noemen. Een functie die naarmate de Unie zich meer ontwikkelde, steeds meer als een vorm van corvee kan worden beschouwd. De veelal door anderen op het bureau gedeponeerde dossiers over allerhande Europese aangelegenheden moeten verder worden afgehandeld.

Het werd allemaal anders door de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in 2009. Vanaf dat moment kreeg de EU onder anderen te maken met een vaste voorzitter van de Raad van Regeringsleiders en een vaste hoge vertegenwoordiger voor het buitenland- en veiligheidsbeleid, en hun respectievelijke ambtelijke apparaten in Brussel. Daardoor heeft het halfjaarlijks roulerend voorzitterschap van de zogeheten Raad van de Europese Unie inhoudelijk minder gewicht gekregen.

De mogelijkheid voor het zetten van accenten door de tijdelijk voorzitter is met de nieuwe bestuurlijke structuur aanzienlijk minder geworden. En dat is maar goed ook. Een unie waarbij grensoverschrijdende samenwerking als uitgangspunt geldt, is niet gebaat bij individuele landen die graag hun eigen punt willen maken. Van de voorzitter van de Unie wordt verwacht dat hij de machine draaiende houdt en daartoe initiatieven neemt.

Wat dit betreft ligt er de komende maanden het nodige op het bord van Nederland, in het bijzonder de aanpak van de vluchtelingencrisis. Op het hoogste niveau heeft de Europese Unie in 2015 hierover intenties uitgesproken en afspraken gemaakt. Maar zodra het aankwam op de concrete uitvoering van de, bescheiden, plannen, lieten de lidstaten het afweten. Aan voorzitter Nederland nu de taak om het papier te vertalen in zichtbaar beleid.

Tijdens de laatste bijeenkomst van de Europese regeringsleiders werd een reeks aan maatregelen opgesomd die schreeuwen om invoering. Lidstaten zullen bijvoorbeeld hun verplichtingen over de grenscontroles en het opnemen van per land vastgestelde aantallen vluchtelingen moeten nakomen. Dat dit nog altijd niet is gebeurd, zegt genoeg over de bereidheid van EU-landen om verantwoordelijkheid te nemen.

De EU zal de komende maanden wederom beheerst worden door de Britse eisen voor een meer eigenstandige rol binnen de Unie. Het onderhandelingsresultaat wordt voorgelegd aan de bevolking van het Verenigd Koninkrijk die zich dan kan uitspreken voor al dan niet lid blijven van de Unie.

Het is de bedoeling dat de top van EU-leiders van 18 en 19 februari uitsluitsel geeft. Formeel is in deze kwestie geen taak weggelegd voor de tijdelijk voorzitter. Maar in het informele proces op weg naar de cruciale ‘Brexit-top’ kan Nederland wellicht iets betekenen.

Het zal dan vooral aankomen op de vaardigheden van premier Rutte als ‘honest broker’. Hij heeft al de bereidheid uitgesproken te gaan „helpen” als dat gewenst is.

Daarmee zou Rutte kunnen laten zien wat de Europese Unie hem werkelijk waard is. Want ook dat zal de komende zes maanden een uitdaging voor de roulerend voorzitter zijn. Van alle kanten staat de EU onder druk. In eigen land zal dit blijken bij de discussies in de aanloop naar het referendum over het associatieverdrag met Oekraïne. Premier Rutte heeft herhaaldelijk gezegd niets te hebben met „grote beschouwingen” over Europa. Maar een voorzitter van een Unie die zo ter discussie staat en die iets wil betekenen, moet over die schroom heen stappen.