Bombarderen? Vraag het vooral de Syriërs zelf

Ondanks hun politieke meningsverschillen zijn Syriërs het over één ding eens: bombarderen brengt het einde van de oorlog niet dichterbij. Zorg daarom liever voor opvang, hulpverlening, voedsel, onderwijs en werk, betogen Joshka Wessels en Carl Stellweg.

Een Syrische familie in de archeologische stad Palmyra. Foto EPA

In het debat over het al of niet bombarderdementen uitvoeren op Syrië is één stem opvallend afwezig: die van de Syriërs zelf. Te gemakkelijk schuift de zich aftekenende coalitie tegen IS deze stemmen ter zijde, met als argument dat het Syrische geluid te diffuus is en wordt voortgebracht door teveel tongen. Want dat komt ons ook wel handig uit. Zo kunnen we onze eigen belangen veiligstellen in een ander land.

Je kunt natuurlijk stellen dat het Syrische volk niet meer bestaat. Toch is het niet zo moeilijk te vragen wat het wil. Tijdens de eerste vreedzame protesten tegen Assad klonk het helder: ‘Het volk wil de val van het regime!’ En toen Assad deze protesten met geweld de kop indrukte, vroegen de rebellen ons om hen te steunen. Tot twee keer toe lieten we hen in de steek. En ook nu met een op handen zijnde besluit tot bombardementen, willen we nog niet luisteren. Hoezo geen stem? Wijzelf hebben van de burgeroorlog in Syrië een complex geopolitiek conflict gemaakt, een arena waar vele spelers hun wil proberen op te leggen.

Onze contacten, Syriërs die zijn gevlucht of nog in Syrië bivakkeren, uit allerlei gezindten, stellen zonder onderscheid dat ze gehoord willen worden. „Het lijkt wel alsof wij geen recht hebben op leven”, stelt Rafif Jouejati, die een netwerk van verzetsactivisten over heel Syrië vertegenwoordigt.

Hoewel we hier uiteraard niet de pretentie hebben een representatieve mening weer te geven, zijn de Syriërs, ondanks hun politieke meningsverschillen, het over één ding eens: bombarderen brengt het einde van de oorlog niet dichterbij. „Het is duidelijk dat de wereldwijde mobilisatie tegen IS gericht is op vernietiging, niet op het bereiken van rechtvaardigheid. In die zin is dat juist een eerbetoon aan IS”, stelt de bekende Syrische schrijver Yassin al Hadj Saleh.

Activiste en feministe Laila Alodaat vindt dat het westen geen enkel vertrouwen lijkt te hebben in de kracht van de Syriërs zelf. Terwijl burgers een centrale factor zijn als het erom gaat IS te verslaan. Zodra ze zich niet langer hoeven te verbergen voor vaatbommen, niet langer worden belegerd door het leger van Assad, of gedwongen worden om te vluchten, kunnen ze en zullen ze IS zelf verslaan.

Fijntjes wijzen onze vrienden erop dat het westen selectief empathisch is geweest en pas tot actie overging in het Midden-Oosten nadat het zelf een terreuraanval op eigen bodem ervoer. Je hoeft geen volleerd psycholoog te zijn om te begrijpen dat het argument van veiligheid bij veel Syriërs kwaad bloed zet. Niet in de laatste plaats omdat het Assad-bewind naar schatting zeven keer meer doden op zijn geweten heeft dan IS.

Het besluit tot militair ingrijpen zou een nauw omschreven doel voor ogen moeten hebben, en een duidelijke strategie – met name een exit-strategie. Een eenmaal in gang gezette militaire machinerie is echter moeilijk te stoppen. In zijn recente toespraak tot het Amerikaanse volk, was president Obama bijzonder vaag: hij beloofde IS te vernietigen, maar bezwoer ook geen grondtroepen te zullen inzetten. Het risico is dat deze bombardementen niet zullen stoppen zelfs niet als blijkt dat ze geen resultaat hebben. Eenmaal gestart, is er geen houden aan. Ophouden betekent dan namelijk een erkenning van een nederlaag en dus ondraaglijk gezichtsverlies. Onze contacten noemen het een non-strategie.

De Syriërs stellen ook vast dat westerse regeringen en de media hard zwijgen over het aantal Syrische burgerslachtoffers tot nu toe. Terecht was de verontwaardiging groot over de collateral damage van een Amerikaans bombardement op een Afghaans kantoor van Artsen zonder Grenzen. Maar de berichten van Syrische ziekenhuizen en scholen die getroffen zijn door het leger van Assad of Poetin en westerse mensenrechtenorganisaties die al spreken van duizenden burgerslachtoffers in Irak en Syrië, halen de voorpagina niet. Deze eenzijdige belangstelling geeft de boodschap af dat een Arabische leven veel minder telt dan een westers leven.

De Syriërs gaan zelfs zover te stellen dat IS helemaal geen zaak is van het westen, omdat het voor ons geen werkelijke militaire bedreiging vormt. Assad is de bron van al het kwaad en de afrekening moet in de eerste plaats aan actoren in het Midden-Oosten worden overgelaten. Voor het Westen zijn IS en aanverwante bewegingen ‘slechts’ een probleem van openbare veiligheid, dat dus door veiligheidsdiensten en politie moet worden bestreden in het Westen zelf.

Wat vragen ze ons om dan wel te doen? De Syrische stemmen zijn duidelijk in wat er dan wel gedaan moet worden in plaats van bombarderen. Het beschermen van burgers is het beste antwoord op IS dat alleen maar wreedheid nastreeft. Zorg daarom voor een humaan vluchtelingenopvang beleid en dito opvang in de regio: in plaats van geld te steken in bommen, investeren in humanitaire hulpverlening zoals voedsel, onderwijs, werk. Veilige havens en vluchtroutes creëren door niet te bombarderen maar diverse grondtroepen en milities hierbij in te zetten. Zet alles op alles om een diplomatieke oplossing te bereiken.

En vooral: zoek en onderhoudt het contact met de burgers van Syrië, steun de vele Syrische burgeractivisten en hun organisaties, ook als dat ingewikkelder is en meer moeite kost dan bombarderen. Het is de hoogste tijd dat het Westen moeite doet om naar de Syriers zelf te luisteren. Niemand anders doet het.