De God in deze kelder

Met Kerst hebben mijn ouders het weer over hun katholieke jeugd. Over dat vreselijke biechten: hoe mijn vader dan, bij gebrek aan echte zonden, zei dat hij zijn tanden niet had gepoetst.

Niet meer geloven is voor mijn ouders een teken van emancipatie. Daardoor ben ik, zoals zoveel leeftijdgenoten, opgegroeid in een wereld zonder God.

Het voelt dan ook bijna als iets exotisch wanneer ik hoor over het Straatpastoraat, een initiatief van de Protestantse Diaconie in Amsterdam dat daklozen structuur wil bieden. Straatpastor Luc Tanja nodigt me uit langs te komen in de Krekelkelder, bij de wekelijkse filosofiepraatgroep voor ex-daklozen.

In de kelder hangt geen erg religieuze atmosfeer: iemand rookt een joint, ondertussen vertelt Huub (71) over zijn escapades. „Ik val op oudere mannen. Die pik ik zo met hun rollator van de straat.” Hij verloor zijn huis omdat de buren de woningbouwvereniging hadden gebeld. „Die vertelden dat ik vijf daklozen in huis had.” „Neeeee Huub”, corrigeert een ander. „Ze belden omdat jij elke morgen keihard klassieke muziek aanzette.” Huub praat onverstoorbaar door. „Het was een gezellige tijd. Maar als iemand ziek werd of doodging, was het lastig om het brancard van de trap te krijgen.”

Wanneer Luc Tanja binnenkomt gaan de zeven aanwezigen in een halve kring zitten. De praatgroep verloopt rommelig. José, zangeres in daklozenkoor de Straatklinkers, is dit weekend overleden en dat maakt sommigen prikkelbaar. Na een korte meditatie volgt de lunch, de filosofie is even opgeschort. Boven een pak Yoki Perzik bespreken mensen de dood. Ton, trombonespeler van de Straatklinkers, is kwaad. „Waar slaat het leven op als je toch doodgaat?” Een man die op Jan Wolkers lijkt vertelt dat zijn overleden vrouw soms „door het huis spookt”, dan liggen er ineens dingen op de grond. „Dan zeg ik: waar ben je mee bezig geweest, loeder!”

God komt nauwelijks ter sprake. „Ik weet niet of God bestaat, Hij zou zich eens moeten laten zien, haha!” zegt Huub. Luc Tanja vertelt dat de deelnemers is gevraagd hoe vaak ze het in de praatgroep over God hebben. De antwoorden varieerden van ‘altijd’ tot ‘nooit’.

Maar een religieus karakter heeft het Straatpastoraat nog wel. „Vorming is ook een taak van de kerk”, zegt ex-dakloze Saskia. Zij houdt wel eens voordrachten, over Maarten Luther bijvoorbeeld en over de dubbele bloedsomloop.

De God in deze kelder, voor zover aanwezig, is een andere dan de potentaat die mijn ouders vreesden. Hij lijkt me eigenlijk best een aardige man.