Voor krachtpatser wordt het nu hoog tijd om te oogsten

De man in vorm won zowel de 1.000 als de 1.500 meter. „Ik verbaas mezelf enorm hier.”

Eindelijk voelt hij zich volwassen. Kjeld Nuis, de krachtpatser die de NK afstanden kleur gaf met goud op de 1.000 en 1.500 meter, had een lange aanloop nodig. Nu is de nieuwigheid eraf, de twijfels zijn weg. Opkijken tegen anderen is niet meer nodig. De tijd is aangebroken om te oogsten. Zo voelt hij het tenminste.

Met een triomfantelijke kreet en twee juichende armen toonde Nuis (26) dinsdag het publiek zijn spierballen en die enorme tatoeage op de binnenkant van zijn linkerarm. Niet zonder reden: hij was zojuist onder matige omstandigheden over het ijs van Thialf geraasd en miste op de 1.000 meter (1.08,24) ternauwernood het baanrecord dat de Rus Pavel Koelizjnikov onlangs had gereden (1.08,16).

Alleen Kai Verbij (1.08,57) had Nuis nog enigszins volgen. Olympisch kampioen Stefan Groothuis (1.09,05) greep het derde Nederlandse ticket voor de WK afstanden, in februari in het Russische Kolomna.

‘Gouden weekend’

Een dag eerder had Nuis al de 1.500 meter gewonnen. „Ik noem het een gouden weekend”, zei hij stralend. „Ik verbaas mezelf enorm hier.” Want de NK waren een experiment geweest voor de ploeggenoot van Sven Kramer. Door zijn goede voorseizoen, met wereldbekerzeges op beide afstanden in Salt Lake City en Inzell, was Nuis al verzekerd van de WK in Kolomna. „Daardoor heb ik voor de NK gewoon nog een paar zware blokken getraind. En dan rijd ik zó hard. Ik werd helemaal gek.”

Nuis, geboren in Leiden maar door de liefde naar Emmen gedreven, beseft steeds meer dat de grenzen van zijn groei nog altijd niet in zicht zijn. Misschien is dat wel zijn belangrijkste conclusie in het voorseizoen. „Dat ik gewoon kan doortrainen en zulke tijden rijden zegt alleen maar dat ik nog niet aan mijn top zit.”

Hij hoort al jaren bij de favorieten. Aanvankelijk alleen op de 1.000 meter, nu ook op de 1.500 meter, waar allrounders en sprinters elkaar tegenkomen. Niet voor niets won hij onlangs op het superijs van Salt Lake City de World Cup in een nationaal record (1.42,14) – de vierde tijd ooit.

Maar hij weet als geen ander dat hij nog zoveel te bewijzen heeft op de internationale toernooien. Na al die nationale titels – inmiddels zes – wordt het hoog tijd dat hij zijn vleugels uitspreidt buiten de landsgrenzen. Want daar zit het pijnpunt. Grote internationale titels ontbreken nog altijd op zijn erelijst. Tot zijn eigen verbazing miste hij zelfs tweemaal de Spelen. Misschien was hij voor Vancouver (2010) nog wat jong, voor Sotsji (2014) was hij favoriet. Het kwam er nooit van. Wilde te graag. Was te gretig. Op de WK’s afstanden kwam hij nooit verder dan brons en twee keer zilver op de 1.000 meter.

Met die traditie wil hij breken. In samenspraak met coach Jac Orie breidde hij zijn trainingsarbeid uit, vooral om meer inhoud te krijgen voor de 1.500 meter. Daarmee moet hij ook de twee snelste Russen, Koelizjnikov (1.000 meter) en Denis Joeskov (1.500) kunnen verslaan. En het hielp. „Ik heb dit seizoen nog geen slechte wedstrijd gereden.”

Dat is wat hij bedoelt: „Ik voel me volwassen.” Het was het letterlijk een kwestie van tijd, na zes jaar onder coach Jac Orie. Hoe pijnlijk het proces ook was, vooral het missen van Sotsji (2014): blijkbaar was het allemaal nodig.

Niet meer bang voor Shani Davis

„In het begin is alles nieuw, de banen, de grote tegenstanders, voor het eerst in Calgary. Dat is allemaal opzij geschoven. Nu kijk ik lekker op mijn hotelkamer mijn serietje en ik zorg dat ik zo uitgerust mogelijk aan de start sta. Niet meer: whoa, Shani Davis! Nu denk ik steeds meer: ik vreet je op.”

Het grote examen volgt nog, in het Kometa IJsstadion van Kolomna. „De Russen verslaan op hun eigen ijs, dat moet pijn doen. Maar ik ga niet roepen dat ik daar zal winnen. Ik weet alleen dat ik goed bezig ben.”