Veel te diep, veel te duur

Duitsland stopt met steenkool delven. Niet meer rendabel. Twee mijnen zijn nog open. Bericht uit Prosper Haniel. „Zonder mijnen gaan de lampen in Duitsland uit.”

Mijnwerkers komen voor de laatste keer uit de kolenmijn Auguste Victoria bij Marl. De moijn ging op 18 december definitief dicht.

Het is een mythe die mijnwerkers elkaar graag vertellen. Je haat het, of je hebt het lief. ‘Het’, dat is het leven 1.200 meter onder onze voeten. In benauwde molsgangen waar het donker is en stoffig en warm en waar het afstandelijke woord ‘collega’ niet bestaat.

Beneden zitten mannen die nukkig hun schouders ophalen bij die mythe – mijnbouw is wérk, niks meer. Maar Holger Stellmacher, 46 jaar, komt uit het kamp dat er vurig van houdt.

Dat kan nog maar even. Want vorige week ging zijn grote liefde Auguste Victoria dicht, de steenkolenmijn verderop bij Marl waar hij altijd heeft gewerkt. Alleen deze mijn, Prosper Haniel, in Bottrop, en die in het noordelijker gelegen Ibbenbüren (bij Münster) zijn nog open. Tot eind 2018, daarna delft Duitsland geen steenkolen meer.

De laatste mijnen van Duitsland:

Een laatste reis unter Tage, in vijf etappes.

Etappe 1 Lift

Glück auf! En hou je vast.

De liftdeur van schacht 10 rammelt dicht en we donderen met 40 kilometer per uur loodrecht de aarde in.

Bonk. Kloenk.

Toen Stellmacher op z’n achttiende voor het eerst de lift uitstapte en de gangen inliep, voelde hij paniek. „Er is geen deur, geen venster, je kunt nergens heen.” Maar hij drukte de angst weg en werd verliefd.

De helmlampen moeten aan, de veiligheidsbrillen op, de scheenbeschermers recht. Het verplichte kompelondergoed slobbert onder het katoenen pak. Door de tunnel bij de lift waait een warme wind. Wetter heet de luchtconditie, en die is hier in het hoofdgangenstelsel nog prima. Bij böses Wetter moet je wegwezen.

We gaan op weg. Prosper Haniel bestaat uit 120 kilometer gang en de plek waar nu steenkool wordt gewonnen is nog ver. Als iemand gewond raakt in de buitengebieden, kost het wel anderhalf uur om ’m boven te krijgen. Stellmacher: „Je moet vrij nemen als je vrouw gaat bevallen. Het duurt te lang.”

Met een onrendabele diepte van 1.200 meter behoort Prosper Haniel tot één van de diepste steenkolenmijnen op aarde. Veel te ver, veel te duur, er zijn genoeg plekken waar je steenkool gewoon van de grond kunt rapen. Waarom zou Duitsland zo’n ongezonde werkplek subsidiëren?

Sommige mannen zien dat. Sommigen niet. Eén mijnwerker die meegaat wordt emotioneel: „Zonder de mijnen gaan de lampen in Duitsland uit.”

Etappe 2 Dieselkatze

In een zijgang beneden hangt een klein treintje aan een monorail klaar voor de bezoekers. Een half uur lang schommelt deze Dieselkatze door de gangen.

Hoe klinkt het middenin de aarde? Oorverdovend lawaaierig en tegelijkertijd muisstil. De transportband die we volgen ratelt en dreunt, de ventilatoren blazen, de motoren pompen en sissen. Maar al dat geluid valt dood op de steenmassa rondom ons.

Het treinritje begint steeds meer op een naargeestige Efteling-attractie te lijken. De luchtvochtigheid en de temperatuur lopen op, de lampen worden schaarser, de plafonds lager. Stof in de lucht, stof op de huid, stof in dikke, zwarte lagen op de kabels en kettingen en buizen waar we overheen en onderdoor reizen. Alles ziet er honderden jaren verlaten uit. De helft van het treintje is in slaap gevallen.

De gangen zijn volgestort met materiaal – nieuw of afgedankt, dat is er niet aan af te zien. Onderweg zitten kompels in donkere zijgangen te eten. Je ziet enkel hun oogwit en mijnlamp. Zij reizen niet met de Dieselkatze, maar liggend op hun buik op de transportband – veel sneller. Af en toe zoeft bovenop de steenkool een mijnlamp langs.

Mijnen zijn niet gebouwd op mooi of plezierig. Mijnen zijn niet gebouwd op mensen.

Etappe 3 Lopen

We moeten te voet verder. De temperatuur stijgt boven de 30 graden, de zwaartekracht lijkt verdubbeld. Het wordt drukker.

In de mijn zijn op elk moment zo’n vijfhonderd mensen aan het werk. In 1969 had Ruhrkohle AG (RAG) 52 mijnen, 29 cokesfabrieken en 183.000 werknemers. In 2015 waren er nog 9.100 mijnwerkers en drie mijnen over. Nu nog twee.

De sluiting van Auguste Victoria drukt zwaar op de regio. De autofabriek van Opel in Bochum, een andere grote werkgever, gaat ook al dicht. Telecombedrijf Nokia (2.300 banen in Bochum) vertrok al eerder.

De werkloosheid in de regio ligt rond 10 procent (landelijk 6 procent). Sommige gemeentes schieten uit naar 15 procent. Er is wel werk en geld voor opleiding, zeggen mijnwerkers, maar werk voor laagopgeleiden is verdwenen.

Marl rouwt met koorgezang, blazers en bier. De parochie organiseerde een afscheidsdienst waarbij kompels een beeld van de heilige Barbara door de straat droegen, de beschermvrouw van iedereen op wie de dood loert met vuur en explosies.

Barbara staat ook naast de lift in schacht 10. Ze is nodig, net als de bakken water die om de paar meter aan het plafond hangen. Door de schokgolf van een explosie kletteren de bakken tegen de wanden, waardoor het water een gordijn tegen het vuur vormt.

Duitse mijnen zijn relatief veilig. Toch kwam Stellmachers opzichter om bij een ongeluk. Stellmacher herinnert zich een bodembrand en de angst die hij voelde toen hij moest rennen voor het vuur.

Maar de echte killer is stof. Opa Gustav, mijnwerker, ging op z’n 64ste dood aan z’n longen. Papa Gunther, mijnwerker, kreeg er hartklachten van. Ga leren, zei hij. Word arts, leraar. Maar zoon Holger wilde net als tien van de twintig jongens in zijn klas naar beneden.

Stellmacher ging op z’n 16de de mijnbouwopleiding doen. Pas in het derde jaar mochten de leerlingen de mijn in. Veel te laat natuurlijk. Steevast stopten een paar jongens daarna met hun opleiding – claustrofobie.

Etappe 4 Kruipen

We zijn er, bij het spul van 300 miljoen jaar oud. Het spul waar de wereldeconomie op draait en waar klimaatakkoorden voor nodig zijn.

In een zijwand van de tunnel is een lange kruipruimte gemaakt, dwars door een laag steenkool heen. Die laag, hier een bescheiden anderhalve meter hoog, strekt zich ver onder het Ruhrgebied en Nederland uit. Decimeter voor decimeter wordt hij weggeschraapt.

We kruipen het leeggehaalde gat in. Boven ons houden verrijdbare betonnen platen krakend een kilometer aardkorst tegen. Achter ons is het leeg. Daar, zegt Stellmacher, „is het gevaarlijk”.  Alsof het hier in het gat verder helemaal oké is.

Een grote rasp, de Hobel, raast van links naar rechts over een rails. De brokken steenkool gaan op een klein transportbandje naar de grotere tunnel.

Alle Duitse kolen zijn voor de Duitse elektriciteitscentrales. Dat is lang niet genoeg, het overgrote deel van wat Duitland verbruikt, importeert het. Tegen eenderde van de prijs die het bij Prosper Haniel kost. Jarenlang moesten er daarom miljarden euro’s per jaar aan Beihilfe bij om de mijnen open te houden.

In 2008 werd besloten dat dit niet langer kon, want het was eigenlijk ongeoorloofde staatssteun.

Etappe 5 Buiten

De lange weg terug. Boven douchen we. De ter beschikking gestelde wattenstaafjes blijven zwart uit de oren komen.

De buitenlucht is kraakhelder. Mijnwerkers staan buiten het gebouw te roken. Alsof het nog uitmaakt voor je longen, zegt Stellmacher, terwijl hij er ééntje opsteekt.

Hij weet nog niet wat hij gaat doen. Als mijnwerker mag hij over een paar jaar met pensioen. Maar misschien gaat hij nog iets anders proberen. Geen staalbouw, dat is te gevaarlijk. Hij heeft gedacht aan werken in een gevangenis.

Hij gaat de vriendschap missen. Een kompel is geen collega, zegt hij. Een kompel is je vriend die je vaker ziet dan je vrouw. Je familie met wie je beneden Kerst viert met Lebkuchen. Je redding van wie je leven afhangt als het misgaat. „Je maakt alles met elkaar mee.”

Alleen de zon. Unter tage is geweldig, maar de zon, daar verlangt hij naar.