Nieuwe route in de zorg: zoek de pers en Van Rijn grijpt in

Gemeenten gaan nu een jaar over de zorg voor jongeren en ouderen. Die nieuwe, lokale macht leidt tot onwennigheid. „Rijk en gemeenten houden elkaar in een wurggreep.”

Mies van Luijk (91) met traplift. Gemeente Alphen weigerde hem de traplift waarna een bedrijf hem er een gaf. Foto Hans Bracke

Mies van Luijk, een man van negentig, vroeg zijn gemeente Alphen aan den Rijn begin dit jaar om een traplift. Alphen weigerde. De man had kunnen zien aankomen dat het traplopen moeilijker zou worden. Problemen met de „bloeddoorstroming” en „verminderde spierkracht” waren al jaren bekend, aldus Alphen in de afwijzingsbrief. Hij had „in een eerder stadium” kunnen verhuizen naar een gelijkvloerse woning.

De zaak leidde tot landelijke ophef. SP-Kamerlid Renske Leijten stelde Kamervragen. Waarop staatssecretaris Martin van Rijn (VWS, PvdA) drie weken later antwoordde dat zijn ministerie de zaak inmiddels had onderzocht. Zelf had hij met de zorgwethouder van Alphen gesproken. De gemeente, reageerde Van Rijn, had niet gehandeld „volgens de uitgangspunten” van de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De gemeente zou haar verordening aanpassen.

Gemeenten zijn sinds 1 januari verantwoordelijk voor taken als ouderenzorg en jeugdzorg. Maar kennelijk – zo laat de Alphense trapliftzaak zien – is die verantwoordelijkheid begrensd. De staatssecretaris floot Alphen in feite terug. In hoeverre is er, terugkijkend op 2015, écht sprake van een decentralisatie van beleid? Hoe vrij zijn gemeenten om de taken naar eigen inzicht uit te voeren?

Kwetsbare mensen

Volg het nieuws en één ding wordt duidelijk: er is wijdverspreide onwennigheid over de nieuwgewonnen vrijheid van gemeenten. Plots gaan gemeenten behalve over afvalstoffen en ozb ook over de zorg voor kwetsbare mensen. Kinderen in probleemgezinnen, negentigjarigen met een haperende bloeddoorstroom.

Precies dat was het idee achter de overheveling van taken, op 1 januari dit jaar. Zorg dicht bij de burger. Grote beleidsvrijheid voor gemeenten. Maatwerk. Het gevolg van die vrijheid is dat het als zorgbehoevende uitmaakt waar je woont. En dat is wennen, voor velen.

Lees wat Kinderombudsman Marc Dullaert schrijft over de staat van de jeugdzorg, in zijn onlangs gepubliceerde Kinderrechtenmonitor 2015: „Vanzelfsprekend ontstaan er verschillen tussen gemeenten.” Immers, „gemeenten hebben een grote beleidsvrijheid gekregen, zij bepalen zelf hoe het lokale jeugdhulpsysteem is ingericht”.

Maar, schrijft de Kinderombudsman al een paar zinnen later, „als gemeenten niet in staat zijn alle kinderen van passende hulp te voorzien, dan is het aan de rijksoverheid om in te grijpen.”

Met andere woorden: het staat gemeenten vrij om de jeugdhulp naar eigen inzicht in te richten én het Rijk moet die vrijheid beknotten zodra het de hulp ‘niet passend’ acht. Veel mistiger kan een rolverdeling niet zijn.

Voor iedereen gelijk kan niet meer

„We hinken op twee gedachten”, zegt Maarten Allers, in Groningen hoogleraar economie van decentrale overheden. „We geven gemeenten beslisbevoegdheid over de zorg en tegelijkertijd willen we dat iedereen dezelfde zorg krijgt.” Dat kan niet allebei, zegt hij. „We laten de taken door 393 gemeenten uitvoeren. Het is onmogelijk dat ze alle 393 even goed zijn.”

Volgens de Groningse hoogleraar staatsrecht Douwe Jan Elzinga verhoudt de nieuwe gemeentelijke beleidsvrijheid zich slecht met het „solidariteitsprincipe”, dat volgens hem in Nederland „diepgeworteld” is. „Nederlanders vinden, anders dan Amerikanen, dat je allemaal op dezelfde zorgvoorzieningen moet kunnen rekenen.”

Zo werkte ons zorgsysteem ook, zegt hij. Tot 1 januari 2015. „Toen hebben we daar, heel bijzonder, een brok uit gehaald. Nota bene voor mensen in kwetsbare situaties.” Wytze van der Woude, universitair hoofddocent staatsrecht in Utrecht: „De communis opinio is dat bij de zorg gelijkheid belangrijker is dan maatwerk.”

Het heersende rechtvaardigheidsidee druist dus regelrecht in tegen de uitwerking van het systeem zoals dat begin dit jaar is ingevoerd: beleidsvrijheid voor gemeenten om de zorg zelf in te richten. Wrijving en onvrede liggen dan al gauw op de loer. Het is dit keer immers niet de afvalstofheffing die per gemeente verschilt, maar de zorg aan zwakkere burgers. Ophef gegarandeerd.

En als iets zich niet laat decentraliseren, anno 2015, dan is het ophef. Lokaal leed krijgt binnen de kortste keren landelijke aandacht. De meest voorkomende route is deze: een belangengroep of regionale krant signaleert een lokale misstand, sociale media duiken erbovenop, en de SP stelt Kamervragen. Zo ging het bij wegbezuinigde thuishulp in gemeente Berkelland en Tiel, zo ging het bij versoberde hulp in Delfzijl, zo ging het na de trapliftweigering in Alphen aan den Rijn.

De staatssecretaris wil het oplossen

Dat leidde ertoe dat een staatssecretaris die is belast met vijf zorgwetten en een slordige 14,5 miljard aan budget, dit jaar achtereenvolgens tijd moest vrijmaken voor de 79-jarige Gerrie Timmermans (gebroken heup), de 96-jarige Teun Elshof (vergeetachtig), de 94-jarige ‘Jan’ (doofblind) en de 90-jarige Mies van Luijk (slecht ter been).

En dat dééd Van Rijn. Neem Alphen: hij liet zijn ministerie onderzoek doen, hij sprak met de wethouder, hij beargumenteerde waarom dit besluit zijns inziens niet deugde.

Van der Woude, universitair hoofddocent staatsrecht in Utrecht, vindt het een opvallende gang van zaken. Van Rijn had in zijn antwoord kunnen volstaan met een verwijzing terug naar de gemeente, zegt hij. „Die gaat er nu immers over.”

Hij had kunnen zeggen dat de Alphense gemeenteraad moet optreden, als die het besluit onwenselijk vindt. Dat de burger bezwaar kan aantekenen bij de gemeente, en ook naar de rechter kan stappen. Goed, zegt Van der Woude, misschien wilde Van Rijn de zaak aangrijpen om zijn interpretatie van een kersverse wet over het voetlicht te brengen. „Maar het meedenken door de staatssecretaris is hier zo specifiek, dat je je afvraagt: had je de zorg dan wel wíllen decentraliseren?”

Alphen staat niet op zich: Van Rijn toonde zich na Kamervragen ook uitstekend op de hoogte van de lokale omstandigheden elders. Zo kon hij SP’er Leijten melden dat Berkelland cliënten benadert via een zogenoemd ‘Voormekaar team’ en dat Delfzijl de huishoudhulp niet langer indiceert in uren, „maar in resultaten”.

De juridische basis is mager

Waarom die specifieke belangstelling van een man die zelf heus weet dat gemeenten nu eigenlijk aan zet zijn?

Omdat Van Rijn in zekere zin wel degelijk verantwoordelijkheid draagt voor de gevolgen van de zorgdecentralisatie. Hij draagt zogenoemde ‘stelselverantwoordelijkheid’. Die verplicht het Rijk zorg te dragen voor een deugdelijk wettelijk en financieel gesternte waaronder gemeenten aan de slag kunnen. Er is echter een groot probleem met de term stelselverantwoordelijkheid, zegt Van der Woude. „De juridische basis is uitermate mager. Dat maakt het een schimmige en dus rekbare term.”

De praktische betekenis van stelselverantwoordelijkheid is daarentegen kraakhelder: zodra ophef over gemeentelijk optreden groot genoeg is, belandt een zaak onvermijdelijk op het bord van de minister of staatssecretaris. Renske Leijten vroeg het letterlijk aan Van Rijn, in haar rits Kamervragen over de trapliftweigering: „Met welke reden grijpt u niet in bij gemeenten die in strijd handelen met de Wet maatschappelijke ondersteuning (…)? Vindt u ook niet dat u wel erg makkelijk met uw systeemverantwoordelijkheid omgaat?”

Het begrip is zo rekbaar, dat elk omstreden gemeentelijk optreden een politiek risico voor Haagse bewindspersonen in zich draagt. Het kán Van Rijn de kop kosten als een paar gemeenten de pgb-chaos niet weten te bedwingen of de huishoudelijke hulp rigoureus schrappen. Dát verklaart zijn besluit om zijn ambtenaren toch maar even te laten bellen met Alphen en Berkelland. Even polsen of de gemeenten handelen binnen de perken van de wet, ook al kan Van Rijn dat ook overlaten aan de gemeenteraad en desnoods aan de rechter. De staatssecretaris neemt het zekere voor het onzekere.

Als gevolg van die stelselverantwoordelijkheid ontstaat er een intensieve verstandhouding tussen Rijk en gemeenten, zegt Van der Woude. Veel intensiever dan je zou verwachten op basis van het woord ‘decentralisatie’.

Lokale belastingheffing pas na 2019

Rijk en gemeenten zijn sowieso al tot elkaar veroordeeld, zegt Maarten Allers. Door geld. Gemeenten zijn voor hun financiën nagenoeg volledig afhankelijk van Den Haag. Het Rijk beslist immers hoeveel het jaarlijks stort in het Gemeentefonds. Gemeenten zijn dus ook afhankelijk van de bezuinigingsgrillen van elk kabinet. Het Rijk op zijn beurt is afhankelijk van een goede gemeentelijke uitvoering van de taken – het is immers stelselverantwoordelijk.

Dus elke keer dat gemeenten extra geld nodig hebben, moeten ze aankloppen in Den Haag; zoals 234 wethouders van Financiën in november deden. En het Rijk ziet zich bij elke roep om geld genoodzaakt – alleen al uit eigenbelang – grondig te onderzoeken of extra geld inderdaad nodig is. Allers: „Rijk en gemeenten houden elkaar sinds 1 januari in een wurggreep.”

Een ruimer lokaal belastingbeleid had uitkomst geboden. Dan hadden gemeenten meer zeggenschap gehad over hun inkomsten. Het kabinet bereidt zo’n verruiming voor, maar die volgt op zijn vroegst in 2019. Allers: „Dit had natuurlijk allang moeten gebeuren.”

De gemeentelijke beleidsvrijheid – de kern van de decentralisaties van de zorg – wordt kortom flink beknot. Financieel en, mede door ingebakken moreel ongemak, politiek. Als je al van een decentralisatie mag spreken, dan één in een verder zeer gecentraliseerd land.

Het is dan ook geen toeval dat Mies van Luijk, 91 jaar inmiddels, een traplift heeft gekregen zonder dat de gemeente eraan te pas hoefde te komen. Een trapliftbedrijf uit Bergambacht speelde handig in op de landelijke beroering, en schonk Van Luijk een gratis exemplaar. Hij is er blij mee, zegt hij door de telefoon. „Ik ga niet meer verhuizen.” Hij vindt dat gemeente Alphen verkeerd zat. „Maar het interesseert me niet”, voegt hij eraan toe, „want ik heb mijn lift.”