Lezen, luisteren én kijken: het laatste hoofdstuk van ‘De Avonden’

Voor liefhebbers van schrijver Gerard Reve (1923-2006) is het een traditie: in de laatste tien dagen van het jaar De Avonden (1947) herlezen. Dit jaar doet NRC mee. Van 22 december tot Oudejaarsdag elke dag een hoofdstuk. Vandaag het tiende en laatste hoofdstuk.

Illustratie Pepijn Barnard

Klik op de play-knop en beluister de eerste alinea van het tiende en laatste hoofdstuk van De Avonden, voorgelezen door de auteur.

Dinsdagmiddag verliet hij om twee uur het kantoor. Een fijne motregen had juist opgehouden. ‘Ik zou me erg moeten vergissen, als er niet een stevige mist op komst was,’ zei hij bij zichzelf, toen hij buitenkwam. ‘We houden eerst nog even wind, maar zodra die gaat liggen, is het zo ver.’ Hij liep op de fietsenstalling toe, maar bleef vlak bij de ingang plotseling staan. ‘De fiets is nog thuis,’ dacht hij, ‘menselijke onmacht.’

Luister hier heel hoofdstuk tien, voorgelezen door Reve zelf:

Hij draaide zich om en begon naar huis te lopen. Met gebogen hoofd, de handen in de zakken, stapte hij in matige pas voort. ‘We zijn vroeg vrij vandaag,’ dacht hij, ‘de dienst is als op Zaterdag. In werkelijkheid is het echter een Dinsdag. Morgen is het een Zondag, maar het is een Woensdag. Wanneer we weer aan het werk gaan, is het dus een Maandag, maar tegelijk Donderdag. Dan zullen we dus kunnen zeggen: overmorgen is het Zaterdag. We zien hieruit, hoe men eenvoudige dingen met geringe middelen ingewikkeld kan maken. Het is geen slechte week.’ Hij haalde diep adem en zuchtte. ‘Valt er nu regen of niet?’ zei hij bij zichzelf. ‘Er is een toestand, dat het regent en een, waarbij het droog is. Daartussen is niets. Toch zijn er minuten, dat je het niet nauwkeurig weet, je hand uitsteekt en niet zeker ervan bent. Laten we bij onzekerheid zeggen: het regent nog, maar onmerkbaar. Ja, dat is een goede vorm.’

Media-redacteur en Reve-fan Wilfred Takken leidt het tiende en laatste hoofdstuk op locatie in:

Hij keek in het voorbijlopen in de uitstalling van een boekwinkel naar het grote model van een vulpenhouder, dat aan twee dunne draden, met de pen naar beneden, boven de boeken hing. ‘We moeten de kleinigheden buiten beschouwing laten,’ dacht hij, ‘dan staat alles er niet zo slecht voor. Gesteld, dat oudejaar op een Zaterdag viel? God behoede ons daarvoor. Toch kan het. Of kan het niet? Ja, eens in de zoveel jaar moet het gebeuren.’

Hij stak een druk plein over en volgde een gracht, die telkens door andere werd gekruist. Elke keer ging hij een kleine, steile brug over. ‘Ik neem liever deze weg, als ik te voet ben,’ dacht hij. ‘Heerlijk,’ zei hij zacht, over het water van de grachten ziend, ‘het lijkt wel of de mist uit het water dampt. Schijn en werkelijkheid. We zijn vanmiddag ongewoon diepzinnig.’

Toen hij de derde gracht passeerde, werd hij op de schouder getikt. ‘Kijk, Maurits,’ zei hij, toen hij zich had omgedraaid. ‘Wat hindert het?’ dacht hij. ‘Het is oudejaarsdag.’ Hij stak zijn arm uit. De ander greep onmiddellijk zijn hand en grinnikte. Hij droeg een lange donkerblauwe jas, die goed sloot en lichtbruine, nieuwe schoenen. Zijn haar was kort geknipt. ‘Je zet weer zoon uitgestreken gezicht, Van Egters,’ zei hij, ‘en je hebt alweer prachtige uitdrukkingen klaar. Wel leuk om me tegen te komen, niet?’ ‘Och,’ zei Frits, ‘ik kan je niet helemaal links laten liggen. Als ik je tegenkom, voldoe ik op zijn minst aan de voorwaarden van de burgerlijke beleefdheid.’

‘Wat denk je nou precies, als je me tegenkomt?’ vroeg Maurits. ‘Ik loop die kant op,’ zei Frits, recht voor zich uit wijzend, ‘terug ga ik niet. Als je wilt praten, moet je mee oplopen.’ Ze liepen de brug af. ‘Wat zeg je nou bij jezelf, als je me ziet?’ vroeg Maurits. ‘Ik vind het altijd belangwekkend,’ antwoordde Frits. ‘Je weet, dat ik je daden afkeur, maar je stijl van leven boeit me. Je bent een zondige en misdadige natuur, maar ik vind, dat ik je moet blijven vermanen.’ ‘Ja,’ zei Maurits, ‘maar heb je de pest in, als je me ziet? Ik bedoel: wat zeg je dan bij jezelf? Daar heb je die gore kop weer?’

‘Je had een beetje een vochtige hand,’ zei Frits, ‘ken je die van die twee boeren?’ ‘Nee,’ zei Maurits. ‘De ene boer komt de andere tegen,’ zei Frits, ‘ze geven elkaar een hand. De een zegt: Heb je hoofdpijn, man? Je hebt zoon klamme hand. Nee, zegt de ander, ik heb net gepist.’ Maurits grinnikte. ‘Heel goed,’ zei hij, ‘maar ik wou wel, dat je dat eens vertelde: krijg je de pest in, als je me ziet?’

‘Je moet goed begrijpen,’ zei Frits, ‘dat ik je kennis van het misdrijf niet onderschat. In mijn beleefdheid schuilt ook vrees. Ik weet veel van je. Ik moet altijd rekening houden met de kans, dat je me in een kwade bui in een steeg kapot steekt.’ Hij bekeek scherp Maurits’ gezicht. ‘Eens kijken, hoe hij dat opneemt,’ zei hij bij zichzelf. ‘Hee,’ dacht hij, ‘het is geen zwart lapje meer. Hij heeft een rose voor.’ ‘Zeg Maurits,’ vroeg hij, ‘heb je dat andere lapje weggegooid? Je dacht zeker, dat dit beter bij je vel kleurde, niet? Je dacht zeker: dan denken ze op een afstand, dat ik er wel een oog in heb, maar dat het ooglid dicht zit. Maar er is geen misverstand mogelijk, je kan het een uur ver zien: je bent een eenoog en je blijft het.’ Maurits’ gezicht stond strak. ‘Doet dit je pijn?’ ging Frits verder, ‘verwondt het je ziel, als ik dit zeg?’

‘Godverdomme,’ zei Maurits grijnzend, ‘ik dacht er net niet aan.’ Ze kwamen aan het eind van de gracht en sloegen links af een brede straat in. ‘Is dit je gewone weg naar huis?’ vroeg Maurits. ‘Je lot is verschrikkelijk,’ zei Frits, ‘maar dat is ieders eigen zaak. Dagelijks voel ik me dankbaar, als ik denk aan wat jij te doorstaan hebt en nog zult ondervinden. Nu is dat oog nog maar een onaangename kleinigheid, maar als je tegen de dertig loopt, zal de waanzin aan je deur kloppen. Mooi gezegd eigenlijk. Wat een heerlijke mist komt er opzetten, niet? Vind je dit soort weer niet verrukkelijk?’ ‘Meen je dat nou?’ vroeg Maurits, ‘hoe bedoel je, als ik dertig ben?’

‘O,’ zei Frits, ‘ik zal het je uitleggen. Dat is gratis, daar reken ik niks voor. Als je om de twintig bent en je krijgt geen vrouw, dan kun je jezelf wijsmaken: ik begin er niet aan, of: laat ze van me afblijven, of: ik leef sober. Maar als je dertig bent, dan kom je tot de ontdekking, dat het absoluut niets anders kan zijn dan dat oog. Het is geen kwaal, die te genezen is of een slechte gewoonte, die je kan afleren. Het is dat oog, dat je nergens meer terug kan krijgen, al ging je tien jaar sparen. Dat lot wacht jou. Draag het met kracht. Als je tamelijk sloom was, zou het nog wel meevallen. Maar ben je iemand met scherp verstand, die de oorzaak der dingen kan inzien, dan wordt het een hel.’

‘Ik wou, dat ik in de gaten kon krijgen, wanneer jij iets meent,’ zei Maurits. ‘Kijk,’ vervolgde Frits, ‘overdenk alles maar eens thuis. Of ik het meen, is niet de belangrijkste vraag. Je moet eerst zien vast te stellen, of het waar is. En ik ben bang, heel bang, dat je dan moet zeggen: ja.’

‘Dat is wel anders dan wat je laatst vertelde,’ zei Maurits. ‘Goed onthouden,’ zei Frits, ‘maar toen was ik in een goede bui. Ik was geneigd van alles, ook het rampzaligste, een goede zijde aan te wijzen. Vandaag voel ik me verplicht de waarheid te dienen.’ ‘Maar je hebt me toen verhalen gedaan,’ zei Maurits, ‘hoe ik er uit moest zien, hoe ik me moest kleden – ’

‘Dat heb je je ook ter harte genomen, zie ik,’ zei Frits, ‘je bent netjes gekleed. Nu helpt het nog wel een beetje, maar als je dertig bent, niet meer. Heb je die jas uit een etalage gehaald? Hij is zo nieuw. En die schoenen?’ ‘Uit het Zwemschoolbad,’ zei Maurits grijnzend. ‘Ik dacht, dat daar iedereen zijn kleren in bewaring geeft,’ zei Frits, ‘laat me niet te veel vragen, vertel het maar eens eerlijk.’ Ze passeerden een druk kruispunt.

‘Nou,’ zei Maurits, ‘ik ga gewoon naar het zwembad. Het is nogal duur, dus erg druk wordt het er niet. De meesten oefenen thuis in een kuip.’ ‘Drukte lijkt mij een voordeel voor jouw werk,’ zei Frits. ‘Nee nee,’ zei Maurits, ‘dat is beslist niet zo. Dat is zoon stom idee.’ ‘Zwem je er?’ vroeg Frits. ‘Nee,’ antwoordde Maurits, ‘ik ben bang voor water. Ik kijk een beetje rond. Eergisteren was ik er, dan komen er veel mensen die buiten de stad wonen, waar geen overdekt zwembad is – ’ ‘Jezus,’ zei Frits, ‘als je wilt dat ik je aanhoor en raad geef, moet je sneller ter zake komen.’

‘Nee, dat heeft een bedoeling,’ vervolgde Maurits. ‘Ik bedoel, die lui van buiten hebben zich meestal bizonder netjes aangekleed.’ ‘Boeren met mensenkleren aan,’ zei Frits. ‘Ja,’ zei Maurits grinnikend. ‘Er zijn heel wat mensen onder die lui, die te stom zijn om hun kleren op de haak te hangen en in bewaring te geven: ze laten ze gewoon in het kleedhok achter. De hele zaak is, in het eerste hokje raak te slaan.’ ‘Hoe dan?’ vroeg Frits. ‘Jongen, dat is niet moeilijk,’ antwoordde Maurits. ‘Je blijft voor de hokjes staan en kijkt een beetje rond. Net of je dat springen van de plank erg gewichtig vindt. Mis springen ze niet, al wacht je ook een uur. Dan kijk je goed, wat er binnenkomt. Is het iemand, die behoorlijke kleren over zijn vel heeft, dan let je goed op, waar hij heen loopt.’ ‘Ja,’ zei Frits, ‘je hebt dus wel een systeem. Dat is prachtig. Zonder systeem bereik je niets. Maar je moet oppassen, dat het systeem je niet de baas wordt. Dan ga je zonder na te denken werken en dan loopt het mis. Luister naar raad van oude, wijze mensen.’

‘Kijken, waar hij heen loopt,’ ging Maurits door, ‘hem achterna, opletten welk hokje. Dan ga je zelf in het hokje ernaast. Je wacht tot hij het water ingaat. Als hij goed aan het spatten is, loop je rustig zijn hokje binnen.’ ‘Je moet niet bang zijn of aarzelen, neem ik aan,’ zei Frits. ‘Het wordt nog donkerder,’ dacht hij, ‘er komt een bui.’

‘Alleen bij het binnengaan heb je even een raar gevoel,’ vervolgde Maurits, ‘maar als je er in bent en gebukt staat – de deurtjes zijn tot je schouder, dus je hoeft niet zo diep te bukken – dan heb je alle tijd. Je zoekt uit, op je gemak. Je hoeft eigenlijk nergens bang voor te zijn. Die kerel is net in het water, die komt er voorlopig nog niet uit. Niemand ziet je. Voor de zekerheid blijf je nog achter in het hok, dat ze je voeten niet zien, maar de deurtjes zitten vlak bij de grond. Het lijkt wel, of het ervoor gemaakt is.’ Hij lachte en kuchte.

‘Hoe voel je je dan?’ vroeg Frits. ‘Bonst het in je hoofd? Heb je niet het gevoel: heerlijk, hij zwemt daar en ik doe met zijn kleren, wat ik wil? Ruik je aan die kleren, snuifje de lucht er van op?’ ‘Nu opletten,’ dacht hij.

‘Hoe weet je dat?’ vroeg Maurits heftig. ‘Hoe weet je dat? Het is zo. Ja, verdomd.’ Hij keek even naar de grond, zag Frits scherp aan en zweeg. ‘Neem je het over je arm of in je hand mee, of trek je het aan?’ vroeg Frits. ‘Dan moet je toch je eigen kleren achterlaten, niet? Is dat niet riskant?’ ‘Welnee,’ antwoordde Maurits, ‘als je maar niks in je zakken laat zitten. Maar ik had geen overjas aan. Ik had dikke kleren aan onder mijn pak. Dus ik deed die jas gewoon aan en die schoenen ook – aardige schoenen niet? – en mijn eigen eenvoudige schoeisel liet ik staan.’ Hij grinnikte. ‘En een portefeuille met zes en veertig gulden.’

‘Het is een goede vangst,’ zei Frits, het vochtige oppervlak van Maurits’ jas betastend, ‘maar het is alleen geschikt om te verkopen. Mooie kleren staan jou niet.’ ‘Het is nog een klein eindje naar huis,’ dacht hij, ‘ik moet nog een paar geschikte dingen bedenken om te zeggen.’

‘Hoe denk je nou werkelijk over mijn uiterlijk?’ vroeg Maurits. ‘Je hebt je haar nogal kort laten knippen,’ zei Frits. ‘Nu is het nog veel beter te zien, dat je hoofd aan de hoeken kaal begint te worden.’

‘Welnee jongen,’ zei Maurits, over zijn hoofd strijkend, ‘het is weer aan het groeien.’

‘Je vergist je aardig,’ zei Frits. ‘Dat is schijn. Je behandelt je haar met een of ander middel. Daar wordt het stugger of dikker van. Het lijkt dan meer. Maar met het groeien heeft dat niks te maken. In werkelijkheid wordt de uitval er zelfs erger van. Bij het kammen blijven hele bossen tussen de tanden zitten: ze worden uitgerukt. De totale kaalhoofdigheid is bij jou een kwestie van een jaar of vier, hoogstens zes. Maar volgend jaar, ik bedoel, ja, volgend jaar, dan krijg je al een leeg plekje midden op je kop. Er is voor jou nog maar één middel, maar het is een beetje ongewoon, je zult misschien denken, dat ik je bedonder.’ ‘Wat gaat hij nu vragen?’ dacht hij, ‘welke woorden zal hij kiezen? Zal hij vragen: wat bedoel je? Of: meen je dat? Of: zeg dat nog eens een keer?’

‘Wat is dat voor een middel?’ vroeg Maurits. ‘Ik wil het je wel vertellen,’ zei Frits, ‘maar niet als je denkt, dat ik je belazer. We moeten in ernst spreken.’ ‘Ja, natuurlijk,’ zei Maurits, ‘vertel op.’

‘Je moest,’ zei Frits met nadruk, een wijsvinger opstekend, ‘zodra het niet meer zo koud is – nu kan het niet – je hoofd kaal laten knippen, of het zelf doen. Dan vernieuwt zich alles op je hoofd.’ ‘Godverdomme, zou dat moeten?’ vroeg Maurits, met de palm van zijn hand over zijn achterhoofd strijkend.

‘Wist je dat niet?’ ging Frits verder. ‘Wanneer het haar tot op de huid wordt afgesneden, kunnen de wortels goed lucht krijgen. Door het goed scheren – want je moet nascheren – worden ze geprikkeld; het vel wordt koel, daardoor wordt de bloedsomloop rondom de wortels weer opgewekt. Heel veel mensen, bij wie het haar niet meer zo vlot groeide, hebben het gedaan. En met verbluffend resultaat.’ Hij bleef staan en zei: ‘Ik moet links af, ik ben zowat thuis.’

‘Hoe weet jij dat allemaal, van die haren?’ vroeg Maurits, ‘belazer je me nou? Jij zou je wel rot lachen, als ik met een geschoren kop ging lopen. Hoe weet jij dat?’ ‘Het is alledaagse kennis,’ antwoordde Frits, ‘maar je moet het weten, anders ben je een hulpeloos mens. Ik stel tot mijn teleurstelling vast, dat je ondanks je doordringende scherpzinnigheid niet voldoende bij alles wat je tegenkomt, jezelf afvraagt: Hoe? Waarom? Toch zijn die ogenschijnlijk kleine vraagstukken het belangrijkst, het boeiendst. Weet jij, waarom een vrouw bang is voor een muis?’

‘Ze zijn er niet allemaal bang voor,’ zei Maurits. ‘Ik bedoel dan diegenen, die er bang voor zijn,’ ging Frits voort, ‘weet jij waarom?’ ‘Nee,’ zei Maurits, ‘nou ja, omdat ze het een vies beest vinden, dat overal opkruipt.’ ‘Een vies beest, natuurlijk,’ zei Frits, ‘maar waarom is een vrouw er zo bang voor, dat ze alles en iedereen bij elkaar gilt?’ ‘Ik weet het niet,’ zei Maurits. ‘Ze kunnen het je zelf niet vertellen,’ zei Frits, ‘maar waarom is een vrouw bang voor een muis? Denk maar eens goed na. Waar is ze onbewust bang voor?’

‘Verdomme,’ zei Maurits langzaam, ‘ik weet het.’ Hij grijnsde. ‘Zou het dat zijn?’ vroeg hij. ‘Is het dat, ja?’ ‘Precies,’ antwoordde Frits, ‘het is wetenschappelijk bewezen.’ ‘Voor spinnen en kikkers waarschijnlijk dus om dezelfde reden?’ vroeg Maurits. ‘Ja,’ antwoordde Frits, ‘nu begrijp je natuurlijk meteen, waarom ze op een stoel klimmen.’ Maurits grinnikte. Ze zwegen even.

‘Het is me opgevallen,’ zei Frits, ‘dat je me noch die schoenen, noch die jas te koop hebt aangeboden. Mag ik daaruit de gevolgtrekking maken, dat je niet meer in geldnood verkeert?’ ‘Nee,’ zei Maurits, ‘de laatste dagen gaat het beter. Ik heb laatst een tas gevangen. Nieuw, met honderdtachtig gulden erin. Niet slecht, wat?’ ‘Voel je je niet zondig?’ vroeg Frits. ‘Degene, van wie hij is, die heeft de hele avond gehuild.’ ‘Het gaat dadelijk regenen,’ dacht hij, ‘ik kom nog net droog thuis.’

‘Maurits, het ga je goed,’ zei hij, met zijn hand zwaaiend. ‘Ik zie je nog wel.’ Hij stapte snel weg. ‘Ik moet je toch nog eens een keer spreken,’ riep Maurits hem na. ‘Ik hoef ten minste die hand niet te pakken,’ dacht Frits. ‘Maar een plezierige oudejaarsavond en een voorspoedig nieuwjaar had ik hem wel kunnen wensen. Dat is een verzuim.’ ‘Ja Maurits, we zien elkaar nog wel,’ riep hij terug.

Het begon te regenen. Hij versnelde zijn pas. ‘Regen met zwakke windvlagen,’ dacht hij, toen hij voor de huisdeur stond. ‘Hier is het droog, ik zal even de tijd nemen om na te denken.’ ‘Ik ga dus naar boven,’ zei hij bij zichzelf, ‘goed. Loop de trap op, ga naar binnen. Wat zullen ze zeggen? Gesteld dat mijn vader alleen thuis is. Die zegt: dag mijn jongen. Als mijn moeder alleen thuis is, die zegt: zo, ben je daar? Als ze allebei thuis zijn, zeggen ze eerst niets. En dan stelt mijn moeder een of andere vraag, of de deur dicht is, of ik mijn voeten geveegd heb, of zoiets. Waarom? Wie weet dat?’

Hij opende de straatdeur, duwde hem zacht weer dicht, klom langzaam de trap op en liep de gang door. Vlak voor de kamerdeur bleef hij staan. ‘Ik had naar de jassen aan de kapstok kunnen kijken,’ dacht hij. ‘Nu heb ik geen enkele aanwijzing. Wie zijn binnen?’ Hij sloot de ogen. ‘Beiden,’ zei hij bij zichzelf. ‘Ik ruik het, ik voel het. Ik weet het. Binnen zijn de twee mensen, die mijn ouders zijn. Voorwaarts.’

Hij opende de deur en trad binnen. Naast de kachel zat zijn vader in de leunstoel te lezen. Zijn moeder lag op de divan. Hij deed de deur zacht achter zich dicht. ‘Ik moet maar heel gewoon iets zeggen,’ dacht hij. ‘Het ligt aan mij.’ ‘Frits,’ vroeg zijn moeder met een slaperige stem, ‘hang je je jas op een hanger bij de kachel, als hij nat is? Regent het buiten?’ ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘binnen niet.’ ‘Hij ligt naast het buffet,’ zei ze.

‘Ja,’ zei hij, raapte de hanger op, schoof de schouders van zijn jas er overheen en hing de haak over de kamerrichel boven de schuifdeuren. ‘Kijk,’ dacht hij, ‘zie toe, hoe het licht binnenvalt in de kamer. Licht is het niet, maar onvolledige duisternis.’ ‘Wat doen we vanavond, moeder?’ vroeg hij. ‘Wie komen er?’ ‘We zijn gezellig met ons drieën thuis,’ antwoordde ze. ‘Wat is er?’ vroeg zijn vader, ‘wordt er gebeld?’ ‘Nee,’ zei Frits. ‘Komen Joop en Ina niet, moeder?’ vroeg hij. ‘Die zijn bij de familie Adelaar vanavond,’ antwoordde ze. ‘Het is pas kwart voor drie,’ dacht hij, ‘en toch komt deze dag vol, zo goed als elke andere.’ Hij trok een stoel bij de radio en zette het toestel aan.

‘ – beslissing genomen worden,’ zei een matte stem. ‘De toestand van vele speelvelden maakt het nog onzeker, of de competities van Zondag doorgang kunnen vinden. Maar dat weten we Zaterdagmiddag; dan zal ik met u de kansen bespreken, die in het bizonder Enschedese Jongens, Wees Vlug, Snelheid en Haarlem Een te benutten krijgen. Tot Zaterdag dus, luisteraars. Ik dank u.’ ‘U hebt geluisterd naar het sportpraatje van Henk Appelman,’ zei de omroeper. ‘Ten tweeden male op deze middag spelen de Luchtmeesters voor u. Ze beginnen met de foxtrot Blauw Blauw, Overal Zie Ik Jouw Ogen van John Fireground, in de bewerking van Piet Matel en met zang van Arie Toleman.’

‘Hilversum Twee,’ mompelde Frits, de afstemknop naar rechts draaiend. De laatste maten van een wals klonken uit. ‘Ja, en nu komen we aan een verzoek van de heer en mevrouw Frissendonk in Zeist,’ zei een omroeper met een snelle spreektrant. ‘Ze vragen Geschiedenissen Uit Het Weense Bos van Johann Strausz. Ja hoor, we hebben de geschiedenissen voor u. Deze plaat is tevens voor de heer – ’ Frits draaide de knop af en stond op. ‘Ik ga de band plakken,’ zei hij bij zichzelf. Hij liep naar de keuken, opende een kastje naast de gootsteen, trok er een grote blikken doos uit en bekeek de inhoud. ‘Benzine,’ zei hij zacht, ‘solutie, vier lichters – meer dan genoeg – pleisters, ja, dat is in orde.’ Hij zette de doos op de keukentafel en trok in de gang zijn fiets uit het berghok.

‘Frits,’ riep zijn moeder. Hij liet de fiets half in het hok staan en ging naar binnen. ‘Ga je aan je fiets beginnen?’ vroeg ze. ‘Ja, het moet eindelijk wel eens gebeuren,’ antwoordde hij. ‘Denk eraan,’ zei ze, ‘dat je niet in de keuken komt met de fiets.’ ‘Nee, ik ga wel in mijn slaapkamer,’ zei hij. ‘Dat gebeurt niet,’ zei ze, ‘als je wat met de fiets te knoeien hebt, kun je naar de zolder.’ ‘Dat is me teveel gesjouw,’ zei Frits. ‘Ik wil het hier beneden niet hebben,’ zei ze, ‘je hebt boven alle ruimte.’

Hij liep de gang in, zette de fiets weer in het berghok, trad zijn slaapkamer binnen en ging op het bed liggen. ‘Ik heb het gereedschap in de keuken niet opgeborgen,’ dacht hij. ‘Waarom ben ik gaan liggen? Niet om te slapen. Ik moet nadenken. Wanneer ik slaap nodig zou hebben, dan was ik oud en ziek.’ ‘Zo ligt iemand, als hij griep heeft,’ zei hij bij zichzelf. ‘Het is winter, het licht is schel en het gaat regenen. Nu regent het ook.’ Hij viel in slaap.

Na vijf kwartier werd hij wakker. ‘Waarom lig ik hier, alsof ik uitgeput ben?’ dacht hij. ‘Ik moet plannen overdenken. Ik moet een programma voor morgen opstellen. Langzaam wordt het donker, terwijl ik hier lig.’ Hij stond op, trad aan het raam en keek naar buiten. ‘Dit is de laatste dag van het jaar,’ dacht hij, ‘tot middernacht is het nog December van dit jaar. Onmiddellijk daarop is het de eerste Januari. Daartussen is niets. Het is koud hier.’

Hij liep enige passen op en neer en zei bij zichzelf: ‘Wanneer ik hier blijf liggen, wordt mijn hoofd suf.’ Hij ging op het bed zitten, krabde zich aan de slapen, liet zich languit achterover zakken en sliep weer in.
Hij liep buiten op een smal weggetje door open veld. Het begon te regenen. Hij holde in de richting van een groot gebouw met fabrieksschoorstenen. ‘Dat heb je altijd,’ dacht hij, ‘regen komt er alleen, als je zonder overjas weggaat.’ Hij sloeg de kraag van zijn colbertjasje op. Toen hij het afdak aan de voorkant van het gebouw had bereikt, was hij al doornat geworden. Hij rilde. Een dubbele deur, als van een garage, ging open. In de opening verscheen een man in een gele overall. Inplaats van een mensenhoofd had hij een vossekop. ‘U bent welkom,’ zei hij, ‘let u maar niet op mijn uiterlijk. Ik zou u zeer dankbaar zijn, als u aan mijn hoofd geen aandacht besteedde.’

‘Stellig niet,’ antwoordde Frits, ‘bovendien is uw gezicht verstandiger dan dat van de meeste anderen. Mij bevalt het wel.’ ‘Het bevalt mij allerminst,’ dacht hij.

‘U bent nat,’ zei de vossekop, ‘het treft goed, dat we net de vuren op volle kracht stoken. U bent in een kwartier kurkdroog. Gaat u maar mee.’

Ze gingen een fabrieksruimte binnen, waar in allerlei ovens en ook in de open ruimte grote vuren brandden. Er werd lucht in geblazen, zodat de vlammen zoemden en wit van kleur waren. Ze verspreidden grote hitte. Frits bleef voor elke vuurhaard even staan, zo dicht naderend als zijn huid kon verdragen. ‘Ik verbrand haast,’ dacht hij, ‘maar warm word ik niet.’ Hij kreeg reeksen koude rillingen. ‘Het is heel goed, wat u doet,’ zei de vossekop, ‘u hoeft niet bij een bepaald vuur te blijven staan, wandelt u maar mee; al kijkende droogt u dan.’

Hoe verder ze de zaal inliepen, hoe lager het plafond werd. De vuren, die ze voorbijkwamen, waren telkens feller en Frits moest elke keer zijn gezicht tegen de gloed beschutten. ‘Werkt hier niemand?’ vroeg hij, ‘we zijn nog niemand tegengekomen.’ De vossekop keek hem doordringend aan. ‘U kunt u hier drogen,’ zei hij, ‘maar u hebt niet het recht u ergens mee te bemoeien.’ ‘Neemt u me niet kwalijk,’ zei Frits. Eindelijk kwamen ze in een schemerige hoek van de zaal, daalden een stenen trap af en traden een kelderruimte binnen. In het midden brandde een enorm vuur, waarvan de vlammen twee meter hoog waren; het licht ervan deed Frits pijn aan de ogen. Naast het vuur stond een aanbeeld.

Er kwam een man in een nauwsluitend, leren pak binnen. Hij was zo lang, dat hij gebukt moest lopen; met zijn hand tastte hij langs het plafond. Over zijn schouder droeg hij een grote hamer aan een lange steel. Toen hij bij het aanbeeld kwam en in het volle licht van de vlammen trad, zag Frits, dat hij een berekop had met kleine, korte oren. Het wezen hief de hamer op en begon op het aanbeeld te beuken. De slagen werden steeds harder. Plotseling steeg het plafond een eind. De man kon rechtop staan, draaide zich een eindje om in Frits’ richting en toonde in een grijns een paar slagtanden.

‘Hij slaat nergens op,’ dacht Frits, ‘het aanbeeld is leeg. Waarom is het leeg?’ ‘Het blijft niet leeg,’ zei opeens de man met de vossekop, hem strak aankijkend.

De man in het leren pak sloeg iedere keer harder dan de voorafgaande, na telkens hoger optillen van de hamer, waarvan de kop aldoor groter werd. ‘Mijn hoofd barst,’ dacht Frits. Bij iedere slag opende hij de mond. ‘Houd op,’ riep hij, ‘laat me weggaan.’

‘We doen u niets,’ riep de vossekop. ‘Dit is onze smid. Hij hamert nu, maar als ik wil, laat ik hem ook wel aan een ketting dansen. Met een zweep, als hij niet wil. Als u het hier te rumoerig vindt, kunt u vertrekken.’ De man met de berekop liet een gegrom horen en gaf zoon harde slag op het aanbeeld, dat Frits in beide oren iets voelde scheuren: uit de openingen liep vocht over zijn wangen. Zijn ogen begonnen zoon pijn te doen, dat hij ze moest sluiten. Tastend met de voeten zocht hij naar de trap. ‘Hierheen, meneer,’ hoorde hij de man met de vossekop roepen, ‘hierheen.’ De stem begon te lachen en riep: ‘Hierheen, meneer, we wachten op u.’ ‘Nee,’ dacht hij, ‘het is het aanbeeld. Het wacht op mij. Weg! Ik moet weg! Het is een list. Ik ben verloren.’

Hij zette juist een voet op de eerste tree van de trap naar boven, toen er een ijskoude wind opstak, die hem bijna achterover wierp. Het lukte hem, zich overeind te houden, maar de trap kon hij niet bestijgen. Het slaan op het aanbeeld hield op. ‘Nu komen ze,’ dacht hij, ‘ik moet naar boven.’ Hij probeerde zich in beweging te zetten, maar het lukte hem niet.

Hij werd wakker met een zwaar bonzend hart, rilde en kwam overeind. ‘Ik heb niets over me heen gedaan,’ dacht hij, ‘misschien heb ik al kou gevat.’ Hij stond op en stak het licht aan. Er bleven een minuut lang zwarte vlekken voor zijn ogen dansen. Hij keek op zijn horloge: het was half zes. ‘De kou hier is niet te verdragen,’ dacht hij, ‘ik ga naar binnen.’ Hij liep de keuken in en dronk water. Zijn moeder was aan het eten koken.
‘Waar zat je al die tijd?’ vroeg ze, ‘je moet kolen halen. Die plakrommel, alles heb je maar laten liggen. De dienstbode ruimt het wel op, hè? Als je maar weet, dat ik het net zo lief uit het raam gooi, als dat ik het opberg. De volgende keer gooi ik het in de asbak.’ ‘In de kachel, dat kan ook,’ dacht hij. ‘Tiditediti tom tom,’ zong hij bij zichzelf. Hij sloot de blikken doos met gereedschap, die nog op de keukentafel stond en schoof hem weer in het kastje bij de gootsteen. Daarna ging hij naar de huiskamer.

Zijn vader zat in een stoel bij het raam en las een krant. ‘Frits,’ riep zijn moeder in de keuken. ‘Nee,’ dacht hij, ‘rust. Ik hoor niets.’ ‘Frits,’ riep ze opnieuw. ‘Roept moeder?’ vroeg zijn vader. ‘Nee,’ antwoordde hij, ‘je vergist je.’ ‘Hè?’ vroeg zijn vader. ‘Nee, er roept niemand,’ zei Frits luid. ‘Twee keer,’ dacht hij, ‘dat is genoeg.’ Hij luisterde scherp. ‘Goed zo,’ zei hij na enige ogenblikken bij zichzelf, ‘ze roept niet meer.’ Hij ging bij de radio zitten.

‘Laat ik eerst eens in het programma kijken,’ dacht hij, stond op en doorzocht een stapel kranten op de kleine tafel bij het raam. ‘Wat zoek je?’ vroeg zijn vader. ‘O, ik kijk ergens naar,’ antwoordde hij. Na het doorzoeken legde hij de kranten weer op elkaar, maar stootte tegen de stapel, zodat er een paar op de grond vielen. ‘Laat maar even liggen,’ dacht hij, ‘straks kijk ik hier nog wel een keer, voor de zekerheid. Want de krant die ik zoek is weg.’

Hij zocht in het krantenrekje aan de muur. Zijn moeder kwam binnen. ‘Wat zoek je?’ vroeg ze, ‘haal niet alles omver. In die kranten ginds’ – ze wees op de kleine tafel – ‘ben je natuurlijk weer bezig geweest. Je zoekt niet, je graait alleen maar.’ ‘Ik zoek de krant van gisteren,’ zei hij, ‘voor het programma, voor de radio.’
‘De krant van gisteren is daar niet tussen,’ zei ze, ‘krab niet alles door elkaar.’ ‘Waar is hij dan, de krant van gisteren?’ vroeg Frits. ‘Hier is hij ook niet tussen,’ zei ze, op het krantenrek wijzend, ‘ik heb hem vanmiddag nog gehad.’ ‘Daar heb ik niks aan,’ zei hij. ‘Je moet maar zoeken,’ zei ze, ‘hij is hier in de kamer. Anders heb jij hem weggemaakt, of iemand anders.’

Hij stak de kranten, die hij voor het doorzoeken uit het rek had genomen, er weer in en liep naar de kleine tafel terug. Hij raapte de gevallen kranten op, doorzocht langzaam de hele stapel en trad aan het raam. Hij opende de overgordijnen op een kier en keek naar buiten. Bij een lantaarnpaal stonden drie mensen te praten. ‘De avond van oudejaar,’ mompelde hij, ‘de nacht van de jaarwisseling.’ Hij schoof het gordijn weer toe en draaide zich om. Opeens viel zijn blik op de krant, die zijn vader zat te lezen. Hij las de datum: Maandag 30 December. ‘Daar is hij,’ zei hij bij zichzelf, ‘hij heeft hem.’

‘Nou moeder,’ zei hij, ‘hier op tafel ligt hij niet. Als jij denkt, dat ik niet zoeken kan, kijk jij dan maar eens.’ ‘Het is net of jullie achterlijk zijn, of jullie hier in huis allemaal geen verstand hebben,’ zei ze. ‘Jullie kunnen niet eens kijken.’ ‘Wat is er weer voor naar geschreeuw?’ vroeg zijn vader. ‘Niets,’ antwoordde Frits, ‘er is werkelijk geen enkel meningsverschil. Het is een vriendschappelijk debat. Straks kun je vragen stellen.’

Zijn moeder doorzocht eerst het rekje en daarna de stapel op de kleine tafel. ‘Net of ik een huis met zes kleine kinderen heb,’ zei ze, ‘het lijkt er precies op.’ ‘Zie je wel, dat hij er niet bij is?’ zei Frits, toen ze de hele stapel had doorzocht. ‘Ik kan heus wel zoeken.’

‘Wat heeft hij daar voor een krant?’ vroeg ze en trad op zijn vader toe. Ze greep een bladzij vast. ‘Alsjeblieft,’ zei ze. ‘Ik twijfel er wel eens aan, of jullie goed wijs zijn.’ ‘Zoek je deze krant?’ vroeg zijn vader. ‘Als ik hem even mag hebben, graag,’ zei Frits en nam hem aan. Hij ging opnieuw voor de radio zitten, stak zijn hand uit en legde hem op het toestel. ‘Wat eerst doen, opzoeken of inschakelen?’ dacht hij.

‘Frits, haal jij even kolen?’ vroeg zijn moeder, ‘alles is op, ook de zakjes. Er staan nog wel een paar boven, maar die wou ik nog bewaren. Schep maar uit de kist, dat moet eerst op. Ga je meteen? Anders gaat hij uit.’ ‘Nee,’ antwoordde hij, ‘ik ben bang in het donker, dat weet je. Dat is te veel gevraagd.’ ‘Hier is de kit, achter de kachel,’ zei ze. ‘Haal hem vol en leg een paar briketten bovenop. Ik denk, dat ik hem vannacht maar laat uitgaan, want we staan morgen toch niet zo vroeg op.’

‘Moeder,’ zei Frits, ‘je weet best, dat ik in het donker heel erg bang ben. Het is onredelijk om me te vragen nu naar de zolder te gaan.’ ‘Wat is er?’ vroeg zijn vader. ‘Ach,’ zei zijn moeder, ‘hij wil geen kolen halen, van de zolder.’

‘Dat is het niet,’ zei Frits luid, ‘ik wil met alle plezier kolen halen. Maar ik ben bang in het donker. Boe, boe. Je weet nooit, wat er achter een deur zit. Waar of niet, vader?’ ‘Tire, tire, tire,’ zong hij bij zichzelf, ‘boemsekee. Oude zak.’ ‘Hij is te beroerd om kolen te halen,’ zei zijn moeder. ‘Alsof ik niet de hele dag gesjouwd heb.’

‘Maar als je nou bang bent?’ vroeg Frits. ‘Er zit van alles op zolder. Als kind was ik al bang.’ ‘Wat een ellende,’ dacht hij, ‘ik moet doorgaan.’ ‘Ik begrijp niet, wat je voor aardigs aan die aanstellerij vindt,’ zei zijn vader. Hij trok zijn gezicht in rimpels. ‘Wat kan mijn vader een vies gezicht zetten, als hij kwaad is, niet, moeder,’ zei Frits. ‘Hè?’ vroeg zijn vader. ‘Ik zeg, dat men iemand zijn opvattingen moet eerbiedigen,’ riep Frits. ‘Als iemand bang is, mag men hem niet dwingen. Dat is een bekende fout in de opvoeding.’

Hij nam de kolenkit op, zwaaide hem rond, liet hem daarbij vlak over de tafel scheren en liep de gang in. ‘Waarom een vrouw bang is voor een muis,’ dacht hij, ‘dat heb ik Maurits verteld. Maar ik heb vergeten er bij te zeggen, dat een olifant er eigenlijk om een zelfde soort reden bang voor is. Hij is bang, dat er een in zijn slurf komt.’

Hij klom de trappen op en liep de onverlichte, smalle gang naar de zolder door. ‘Als hier het monster zit,’ dacht hij, ‘en het grijpt me, en wurgt me, voor ik ook maar een schreeuw heb kunnen geven, dan merkt niemand het.’ Hij opende de deur en ging naar binnen. De aftekening van de ramen was slechts flauw te zien; op de grond kon hij niets onderscheiden. Tastend zocht hij zich een weg. Hij stootte zich aan een oud fietsframe, vloekte en begon zijn kuit te wrijven. ‘Kolen en briketten,’ zei hij bij zichzelf, trad aan een raam en luisterde naar de stilte.

‘Als hier iemand is,’ zei hij fluisterend, ‘die kwaad wil, die klaar staat met dun touw, om me te wurgen, dan ben ik verloren.’ Hij keek met langzame wendingen van het hoofd om zich heen, zoog zijn borstkas vol adem en stond stil. ‘Ik ben bang,’ dacht hij, ‘maar toch geniet ik. Ik geniet van de angst. Hoe kan dat?’ Hij bukte zich over een grote kist naast hem, waarvan hij de hoeken kon onderscheiden, deed hem open en snoof diep. ‘Geuren kunnen niet vergaan,’ zei hij bij zichzelf, ‘het is dezelfde lucht.’

‘In zulk een kist,’ zei hij op fluisterende toon, ‘speelden eens twee kinderen, twee broers, op een schip. Het was een heel grote kist, heel zwaar, met een zwaar deksel. En hoog, hij was heel hoog. Kunt u mij verstaan? Hebt u het tot zo ver gevolgd? Goed. Ze speelden, waren samen in de kist en de deksel viel dicht. Ze konden er niet uit, konden de deksel niet omhoog krijgen. Na een half uur werden ze gemist. Een uur werd er gezocht. Toen zei iemand, dat hij twee kinderen in een kist had zien spelen. De rest is eenvoudig. Ze waren gestikt. Ja mensen, het leven is geen kleinigheid.’ ‘Ik ben bang,’ zei hij bij zichzelf, ‘maar dat zeg ik niet hardop. Als hij het hoort, springt hij te voorschijn.’

Hij ging onder het raam met zijn rug tegen de muur zitten, stak zijn hoofd tussen de opgetrokken knieën, haalde diep adem en keek voor zich uit in de duisternis. ‘Nu kan hij boven op me springen,’ dacht hij. ‘Ik ben bang, ik beef, maar tegelijk geniet ik ervan. Het is als die zuurtjes, vroeger, die rode. Je zuigt, tot het verhemelte stuk is, maar het blijft lekker.’ Hij klemde de kolenkit tussen de benen en beet op zijn tanden. Er stegen rillingen in hem op. Hij stond op, liep op zijn tenen naar de kolenkist en schepte de kit vol.

Voorzichtig stappend, verliet hij de zolder, sloot de deur en holde zo snel de trap af, dat hij twee maal bijna struikelde.

‘Alsjeblieft,’ zei hij, toen hij de kit achter de kachel zette. ‘Wat heb je in godsnaam zo lang boven gedaan?’ vroeg zijn moeder. Ze zat bij de kachel. ‘Ik kon de schep niet vinden,’ antwoordde Frits. ‘Die leg ik er altijd bovenop,’ zei ze, ‘altijd er bovenop, je hoeft nergens naar te zoeken.’ ‘Nou, hij lag er niet bovenop,’ zei Frits. ‘Ik heb de hele vloer moeten aftasten. Bij het raam lag hij.’ ‘Dan heb jij hem daar gelegd,’ zei ze, keek langs de kachel in de kit en vroeg: ‘Heb je geen briketten meegebracht?’ ‘Nee,’ zei Frits, ‘ik heb geen idee, waar die dingen liggen, dan had je me maar aanwijzingen moeten geven. Briketten, neem briketten mee. Dat is niet genoeg. Ik weet niet beter of ze liggen bij de kolen. Maar daar lagen ze niet. Ik kan niet in het donker over de grond kruipen om ze te zoeken.’

‘Ze liggen opgestapeld tegen de muur, rechts, naast en achter de blauwe kist,’ zei ze. ‘Als ik geen briketten heb, dan kan ik morgen de kachel niet aan krijgen.’

‘Jawel,’ zei Frits, die weer voor de radio was gaan zitten, ‘dat gaat best. Als ik de kachel aanmaak, dan gaat het heel goed zonder briketten.’ ‘Ja, als je een pakhuis vol met hout hebt,’ zei zijn moeder. Ze nam de kit op en schudde kolen in de kachel. ‘Nu met een klap dicht,’ zei Frits bij zichzelf.

Ze schoof met de wijsvinger gruis van de rand van de kachelopening naar binnen en sloeg de vulklep met kracht dicht. ‘Au,’ zei Frits fluisterend. ‘Toch ben ik van mening, moeder,’ zei hij, ‘dat je beslist verkeerd de kachel aanmaakt. Je doet het erg onhandig. Eerst neem je een krant. Die steek je aan. Als hij in brand staat, dat je je bijna je poten brandt, stop je hem in de kachel. De deksel blijft open. Dan gooi je karton er in, dan hout, en aldoor blijft een grote vlam uit de opening loeien. Je krijgt een kamer vol rook. En pas als je de briketten er op hebt gegooid, doe je hem dicht.’ Zijn vader stond op, trok een boek uit de kast en ging weer in de stoel bij het raam zitten.

‘Hoe wou jij het dan doen?’ vroeg ze, het schudrooster heen en weer ratelend. ‘Ik doe altijd eerst alles op elkaar er in,’ antwoordde Frits. ‘Onderin papier, daarop karton, daarop dan hout, daarop dikker hout, een of twee briketten, doormidden gebroken, en een klein beetje kolen, een dun laagje. Dat kun je gerust allemaal er in doen. Alles laat je goed dicht en je steekt het van onderen aan.’

‘Ik maak dertig jaar of misschien wel langer de kachel aan,’ zei ze. ‘Dan doe je het dus dertig jaar of misschien wel langer verkeerd,’ zei Frits, ‘des te erger.’

‘Wat is er nou weer om ruzie over te maken?’ vroeg zijn vader. Hij hield het boek dichtgeslagen op zijn schoot. Zijn moeder begon de tafel te dekken. ‘Welnee,’ zei Frits, ‘we houden een natuurkundige verhandeling over vuur in kachels.’ ‘Wat?’ vroeg zijn vader. ‘Het is een gesprek over een beginsel,’ riep Frits. ‘Ik begrijp niet,’ zei zijn vader, ‘waarom er altijd zo gesnauwd moet worden.’ ‘Het vel wordt helemaal rood, waar het in een plooi gaat,’ dacht Frits. Zijn moeder bracht het eten binnen. Ze gingen aan tafel.

De maaltijd begon met soep. Frits sloeg met zijn vork tegen de rand van zijn bord, hield de tanden naast zijn oor en maakte een neuriënd geluid. ‘Sol,’ zong hij daarna luid. Hij herhaalde het twee keer en keek zijn vader aan. Deze trok de wenkbrauwen op. ‘God Christus,’ dacht Frits, ‘ze slurpen beiden. Beiden slurpen. Nu kan nog de verontschuldiging gelden, dat het heet is. Hoewel dat eigenlijk geen verontschuldiging is. Maar straks slurpen ze door, alleen omdat het makkelijker is. Zou het werkelijk makkelijker zijn?’ Hij nam opnieuw zijn vork op, sloeg er mee tegen zijn bord, hield hem aan zijn oor en zong luid, met lage stem: ‘Sol!’

‘Soms moet je toch wel eens aan je eigen verstand twijfelen,’ zei zijn vader. Hij trok zijn mond samen, zodat er een halve kring van plooien op zijn kin ontstond.

‘Stellig,’ zei Frits luid, ‘ik ben een kleine zenuwlijder. Het begint met kleine dwangneigingen. En het eindigt met dubbeltjes tellen of nee zeggen.’ Hij maakte met de rechter hand het gebaar van snel munten uittellen en schudde in korte draaiingen zijn hoofd heen en weer. ‘Dan ben je een eind heen.’ ‘Het lijkt me niet iets om trots op te zijn,’ zei zijn vader. ‘Dat moet je niet zeggen,’ zei Frits, ‘het is geweldig in de mode.’ Ze aten zwijgend verder hun soep op.

Zijn moeder bracht de diepe borden naar de keuken. ‘Zo hebben we meer ruimte,’ zei ze, toen ze terugkwam. ‘Meer ruimte,’ zei Frits bij zichzelf, ‘ruimte.’ Hij schepte zich uit de schalen op. Er waren aardappelen, ingemaakte tuinbonen, appelmoes en varkensvlees. ‘Ik vind, dat het weer verrukkelijk is, moeder,’ zei hij, ‘vooral de jus.’ ‘Doe daar niet te gek mee alsjeblieft,’ zei ze, ‘want meer dan in de kom is er niet.’ ‘We eten bizonder lekker vandaag,’ zei Frits. Hij nam nog een tweede keer aardappelen en appelmoes.

‘Misschien was het lekkerder, als de appelmoes koel was,’ dacht hij. Zijdelings keek hij naar zijn vader. ‘Dat hij zijn vlees zo lang laat liggen, is zijn eigen zaak,’ zei hij bij zichzelf. ‘Ik vind het best. Er zit een botje in, zie ik. Niet groot. Je kan het met een enkele beweging met mes en vork van het vlees losmaken. Maar God, almachtige, ik weet zeker, dat hij het in zijn handen neemt.’ ‘Lust je niet meer?’ vroeg zijn moeder. Hij at snel door, maar bleef op zijn vader letten. Toen deze zijn bord op het vlees na leeg had, nam hij het vast en scheidde met duim en wijsvinger het vlees en een rand vet van het bot, legde het vlees weer neer, stak het bot in de mond, trok het er met een zuigend geluid uit en hield het in de holle hand. ‘Ik wou – ’ zei hij, rondziend. ‘Pak even een schoteltje,’ zei zijn moeder. Frits stond op, nam een geel schoteltje van het buffet, droeg het op de vlakke hand aan, maakte naast zijn vader een buiging en hield het hem voor. ‘Heel goed,’ zei deze en wierp het bot er op. ‘Almachtige, eeuwige,’ zei Frits bij zichzelf. ‘Ik kan niet geloven, dat dit voor u onopgemerkt is gebleven. Wat doet hij nu met de vingers? Dat valt niet te voorzien.’

Zijn vader haalde zijn zakdoek te voorschijn. ‘Jawel,’ zei Frits bij zichzelf. Zijn vader veegde zijn handen af, balde de doek weer samen, maar stak hem niet in de zak. ‘Wat nu?’ dacht Frits. Zijn vader opende de doek weer, snoot zijn neus, keek daarna even nauwlettend op het linnen en stak de zakdoek weer bij zich. ‘Zonder afwijkende verschijnselen verlopen,’ zei Frits bij zichzelf, geluidloos de mond bewegend.

Als dessert was er gele vanieljepudding met beschuiten, jam en chocoladehagelslag in lagen er in verwerkt. ‘Niet meer zo verschrikkelijk koud,’ zei zijn moeder, terwijl ze de glazen schaal van de schoorsteenmantel tilde en op tafel zette. ‘Het is heerlijk,’ zei Frits bij de eerste hap, ‘het had alleen iets meer kunnen afkoelen. Het is nu nog lauw. Dat komt de smaak niet ten goede. Maar het is toch heel lekker.’

‘Ik kan aan mijn tanden die kou niet hebben,’ zei zijn moeder. ‘Dan moet er iets aan gedaan worden,’ zei Frits, ‘wanneer ga je naar de tandarts? Vader moet ook. Die heeft ook nogal eens last van zijn tanden.’

‘Wat is er?’ vroeg zijn vader. ‘Ik zeg,’ zei Frits luid, ‘dat jullie eigenlijk je gebit verwaarlozen. Wanneer ga je eens naar Mergel?’ ‘Ja,’ zei zijn vader en bracht de hand bij zijn gezicht. ‘Nu wordt ons een blik gegund in het menselijk gebit,’ zei Frits bij zichzelf.

Zijn vader opende de mond en betastte een rij kiezen in de bovenkaak. ‘Hier zit het,’ zei hij. ‘De spijsresten horen er niet bij,’ dacht Frits. ‘Als hij het niet merkt, laat hij ze aan de vinger zitten. Maar het kan ook, dat hij ze er af zuigt of zijn vinger aan zijn broek afveegt.’ ‘Opletten,’ zei hij bij zichzelf, ‘opletten. Alarm.’

Zijn vader trok zijn hand weg, sloot de mond, bekeek zijn wijsvinger en veegde hem af aan de rand van het tafelkleed. Daarna at hij verder van de pudding. ‘Wat is erger?’ dacht Frits. ‘Ik weet het,’ zei hij bij zichzelf, ‘als er soepbenen gekookt zijn. De soep is getrokken. De beentjes afkluiven met brood erbij. Dat was een maand geleden. Toen zat er een stuk onderkaak in, met een eind lip en haren. Niets heb ik laten merken. Dat was moedig.’

‘Weet je, wat iets ergs is, moeder?’ vroeg hij luid. ‘Dat vertelde Louis. Die logeerde bij een boer in Doornspijk. Hij heeft snachts dorst – luister je, vader?’ ‘Het begin,’ zei zijn vader, ‘wat was er met Louis?’ ‘Ik had het over iets ergs,’ zei Frits, zijn gezicht naar zijn vader gericht, ‘dat vertelde Louis. Die logeerde in Doornspijk bij een boer. Hij krijgt dorst snachts en gaat naar de keuken, maar de pomp is drooggelopen, die wil niet pakken. Dat heb je wel, dan moet er van boven water in gegooid. Hij kijkt rond.’ ‘Wat doet hij?’ vroeg zijn vader. ‘Hij kijkt rond,’ herhaalde Frits. ‘Er staat een glas met water. Hij drinkt er uit en als het bijna leeg is, valt er een kunstgebit tegen zijn tanden. Dat is wat, niet?’ ‘Prachtig, zoon vies gezicht als die man kan trekken,’ dacht hij.

‘Je had het wel voor na het eten kunnen bewaren,’ zei zijn moeder. ‘Dat is dus het gebit,’ dacht Frits, ‘wat hebben we nog meer? Ja, de olifant.’

‘Weet je, waarom een olifant bang is voor een muis, moeder?’ vroeg hij, ‘weet je dat?’ ‘Ik niet,’ antwoordde ze. ‘Hij is bang, dat er een in zijn slurf kruipt,’ zei hij. ‘Zo,’ zei ze. ‘Maar het komt ook wel een beetje, omdat zijn moeder er al bang voor was,’ zei hij. ‘Hi ho,’ mompelde hij in zichzelf, ‘la la, lachen lachen, honderd procent vermaak.’

Zijn moeder schoof de borden in elkaar en ruimde af. ‘Al is het maar een half uur,’ dacht Frits, ‘ik moet er uit.’ ‘Moeder,’ zei hij, ‘ik moet even nog ergens heen. Om acht uur ben ik terug.’ ‘Kom je dan meteen weer terug?’ vroeg ze. ‘Ik heb lekkers, en er is ook nog iets anders.’ ‘Zo zo,’ zei Frits glimlachend, ‘wat is dat?’ ‘Dat zal je wel zien,’ zei ze. ‘Een verrassing?’ vroeg hij. Ze knikte.

‘Waar ga je naar toe?’ vroeg ze, toen hij zijn overjas van de kapstok had gehaald. ‘Gaat hij vanavond weg?’ vroeg zijn vader. ‘Ik moet even nog ergens heen,’ zei Frits, ‘anders wordt het vergeten.’ ‘Tot straks,’ riep hij en vertrok.

Buiten sloeg hij zijn kraag op. Het was droog en het zicht was helder; er woei een matige wind uit het oosten. ‘Ik had best een das om kunnen doen,’ dacht hij. ‘Ik weet zeker, dat het weer aan het omslaan is. De mist is al uit elkaar gedreven en het wordt droog. Dan gaat het licht vriezen, met dooi overdag.’ Hij liep de rivier langs en bleef voor Louis Spanjaards deur staan. ‘Nog geen kwart voor zeven,’ mompelde hij, op zijn horloge ziend. Hij trad achterwaarts uit de portiek en keek naar boven. ‘Het licht brandt,’ zei hij zacht, ‘hij moet er zijn. Het geluk is ons gunstig.’

Onmiddellijk op zijn bellen ging de deur open. ‘Jawel,’ riep Louis van boven, ‘je bent natuurlijk welkom, maar ik ga straks weg. Als je daarmee rekening wilt houden, word je hier met alle welwillendheid ontvangen.’ ‘Dat komt uitstekend uit,’ riep Frits terug. ‘Hoe gaat het?’ vroeg hij boven, terwijl hij Louis de hand schudde, ‘je ziet er niet zo bizonder goed uit, moet ik zeggen.’ Louis had een donkerblauwe, dikke trui aan met een hoge kraag. Hij droeg een grijze broek met te weinig lusjes: de rand hing op twee plaatsen een eind onder de riem uit. Hij liep op kousevoeten. Ze zwegen, tot ze in zijn kamer waren. De petroleumvergasser suisde er zacht.

‘Hier was ik Zondagavond voor een week ook,’ zei Frits bij zichzelf. ‘We beginnen, waar we geëindigd zijn.’ Hij ging op de stoel bij het raam zitten. ‘Er zijn geen bloemen,’ dacht hij en veegde met zijn wijsvinger over het beslagen glas. ‘Je ziet er bepaald ongezond uit, Louis,’ zei hij. Louis zat aan zijn tafel, trommelde met de vingers op een boek en zweeg.

‘Dus je bent vanavond niet thuis?’ vroeg Frits, ‘ga je naar je ouders?’ ‘Ja,’ antwoordde Louis. ‘Ik zie geen kat hier,’ zei Frits. ‘Ze hebben er de laatste tijd van afgezien hier in de kamer te komen,’ zei Louis. ‘Ze zijn natuurlijk bang,’ zei Frits. ‘Zo, is het dat,’ zei Louis, naar de grond kijkend. ‘Weet je, waarom een olifant bang is voor een muis?’ vroeg Frits. ‘Nee,’ zei Louis. ‘Omdat hij bang is, dat er een in zijn slurf kruipt,’ zei Frits. ‘Zo, zou het dat zijn,’ zei Louis. Ze zwegen. ‘Wat moet ik nu zeggen?’ dacht Frits. ‘Is het druk bij jullie vanavond, Louis?’ vroeg hij. ‘Is er wat te drinken?’ ‘Misschien wel,’ antwoordde Louis. ‘Als het erg vervelend is, ga ik meteen weg. Tot twaalf uur blijf ik niet, denk ik.’

‘God beware,’ zei Frits, ‘de goede stemming heb je niet vanavond, dat merk ik al.’ Met zijn rechter wijsvinger schreef hij in spiegelschrift ‘Frits’ op de ruit. ‘Kijk Louis,’ zei hij, ‘dat schrijf ik vlot. Het is niet veel moeilijker dan gewoon schrift.’ ‘Ja,’ zei Louis, de wenkbrauwen optrekkend, ‘vroeger schreef iedereen van rechts naar links. Met de rechter hand.Tot iemand merkte, dat hij in zijn eigen schrift veegde.Toen deden ze het andersom.’

‘Zo vlot zal het wel niet gegaan zijn,’ zei Frits. ‘De eerste, die het beweerde, is natuurlijk op een zacht vuur verbrand.’ ‘Ach natuurlijk,’ zei Louis, ‘dat is ook zo. Heb je wat te roken?’ ‘Verdomd, ik heb mijn shag vergeten,’ zei Frits. ‘Als er weer zoon zwijgen komt, gaat het verkeerd,’ dacht hij. ‘Ik ben vanavond thuis,’ zei hij, ‘ik ben alleen met mijn ouders.’ ‘Hola, holala,’ zei Louis, ‘o Jezus.’ ‘Nou, zeg maar niks,’ ging Frits voort, ‘wie weet, wat het voor een ellende bij jou thuis is vanavond. Lach nog maar niet.’ ‘Altijd beter dan met zijn drieën,’ zei Louis. ‘Dat is net nog erger dan met zijn tweeën.’

‘Er is drank bij jullie, niet?’ vroeg Frits. ‘Jij gebruikt er niet van, hè? Je kan er niet tegen, of wel? Je bent wel erg te beklagen. Je bent net als zoon kind, dat het hart rechts heeft. Of dat de maag mist. Mevrouw, uw kind kan maar hoogstens elf jaar oud worden. Is er geen hoop, dokter? Nee mevrouw, helaas, nee. Maar jij bent al aardig over de elf jaar heen. Je bent ver over tijd. Dus je drinkt niet? Overigens kan je goed lachen, als iedereen te veel op heeft, en je zit er nuchter tussen.’

‘Ik heb zoon mooi verhaal gehoord over Elseboom,’ zei Louis. Hij grinnikte en wreef zich in de handen. ‘Je weet toch wie ik bedoel? De schilder.’ ‘Jaja,’ zei Frits. ‘Ze hadden een drinkavondje bij iemand thuis, net in die koude week,’ ging Louis verder. ‘En hij was helemaal vol, Elseboom, als een spons. Hij moet kakken. Ze brengen hem naar de plee. Maar het was zo koud, dat ze allemaal hun overjas aan hadden. Hij ook.’ ‘Was je daar?’ vroeg Frits. ‘Nee,’ antwoordde Louis, ‘maar ik weet het van Willi.’ ‘Ja, ga verder,’ zei Frits. ‘Hij zat op de plee,’ ging Louis voort, ‘deed zijn broek naar beneden, zoveel schranderheid had hij nog wel, en hij gaat op de bril zitten, maar op zijn jas. Dus hij kakte alles in zijn jas. En hij sliep in. En zo bleef hij zitten. Het was zo koud daar – de plee was aan de rand van het huis – dat de stront is vastgevroren in zijn jas. Dat was die nacht, dat het achttien graden heeft gevroren.’

‘Godverdomme, schitterend,’ zei Frits, in de handen klappend. ‘Dat is geweldig.’ ‘Ze vonden hem met de vastgevroren stront in zijn jas,’ vervolgde Louis. ‘Toen hebben ze hem met jas en kleren aan in een badkuip gezet en zijn emmers water over hem heen gaan gooien. Toen kwamen de drollen los. Het werden vlokken in het water.’ Hij grinnikte en maakte met de handen een gebaar van verspreiden. ‘Heel mooi, heel mooi,’ zei Frits, ‘onsmakelijk, maar mooi.’

‘Zijn er dingen, die jij echt onsmakelijk vindt?’ vroeg Louis. Hij draaide zijn stoel om en zette zijn voeten op de kap van de vergasser. ‘Nee,’ zei Frits, ‘je bedoelt, waar de eetlust van verdwijnt? Nee, dan moet het al heel erg zijn. Erg vies vind ik, wat bij ons thuis eens iemand vertelde, een verpleegster. Die hielp in een gezin, waar de moeder ziek was. Drie kinderen, drie jongens, die aten elke avond, als ze zich uitgekleed hadden, voor het naar bed gaan, het zwart tussen hun tenen op.’

‘Hoe!’ riep Louis, met zijn voeten op de grond stampend, ‘oei oei. Jaja. Dat is heel goed.’ Hij zette zijn voeten weer terug op de vergasser. ‘Nu weet ik waarachtig niets meer om te zeggen,’ dacht Frits. ‘Zondag voor een week zat ik hier ook. Er is nog maar weinig hoop voor deze avond.’ ‘Weet je, Louis,’ vroeg hij, ‘dat je haar tamelijk dun aan het worden is? Het is niet veel meer. Het duurt vast niet zo heel lang meer, voordat je helemaal kaal bent.’ ‘Ja?’ vroeg Louis op matte toon. ‘Het schijnt je weinig te kunnen schelen, of er al dan niet wat op je hoofd groeit,’ zei Frits. ‘Is het je onverschillig?’

‘Ik word voorlopig nog niet kaal,’ zei Louis. ‘Het begint heel snel uit te vallen bij de hoeken,’ zei Frits, ‘dat moet ik zeggen. En omdat je in het algemeen niet zoveel haar hebt, zie ik de kaalheid naderen. Maar als je je er niet te veel van aantrekt, des te beter. Er bestaan kale mensen, die heel gelukkig zijn. Niet dat ik me dat kan indenken, want ik zou liever dood zijn, maar het bestaat.’ ‘Nou, echt, helemaal kaal word ik nooit,’ zei Louis. ‘Ja, nu gaat hij toch voelen,’ zei Frits bij zichzelf, ‘het is zover.’ Louis tilde langzaam zijn hand op en bevoelde zijn voorhoofd en schedeldak.

‘Wat doe je in je haar?’ vroeg Frits. ‘Niets,’ antwoordde Louis. ‘Waar is het dan zo glad van?’ vroeg Frits. ‘Water, met water kam ik het, anders niets,’ zei Louis.

‘Kijk, daar heb je het,’ zei Frits, ‘je doet er water in en denkt, dat het niet hindert. Een sterk verbreid misverstand. Op een gewone, onbegroeide huid droogt water wel op. Zoals op je hand, of op je arm. Maar op je hoofd is het heel iets anders. Het is net zoiets als bij koud weer in een nat zwempak blijven lopen. De huid tussen de haren wordt aangetast. De haarwortels ook. Veel vuil, dat anders wegwaait, blijft in de poriën plakken.’ Louis zweeg.

‘Weet je, dat men eigenlijk nog steeds niet weet, wat de oorzaak van kaalhoofdigheid is?’ vroeg Frits. ‘Ze spreken van ouderdom, vetziekten, huidaandoeningen, vitaminegebrek, verkeerde bloeddruk, vooruit maar. Maar ze hebben nog geen oplossing gevonden.’

‘Zou het niet erfelijk zijn?’ vroeg Louis. Hij kauwde op het eind van een potlood. ‘Dat geloof ik niet,’ antwoordde Frits, ‘want je ziet zo vaak mensen met machtige haardossen uit een familie van kaalkoppen. Nee, daar heb ik op gelet. Dat gaat niet op. Het is iets persoonlijks.’ ‘Is het nu echt een ouderdomsverschijnsel?’ vroeg Louis, met het potlood tegen zijn tanden tikkend.

‘Weet je wat het kan zijn?’ zei Frits opeens, ‘de mensen verwekken te oud nog kinderen. Dat is het. Er zijn mensen, die vijf en dertig, of veertig, of vijftig, of zestig zijn – waarachtig – en die nog gewoon een kind maken. Zijn die ouders al dicht bij de kaalheid genaderd, dan geven ze die eigenschap van verminderde haargroei over aan hun kinderen. Dat geloof ik vast. Dat is het hele kwaad. Oude mensen maken ongestoord kinderen. Dat moet verboden worden.’ ‘Meteen een brochure schrijven,’ zei Louis.

‘Nee, nou ernstig,’ vervolgde Frits, ‘dat is het vast en zeker. Oude mensen brengen een hoop ellende in de wereld. Ze vergiftigen het bestaan. Op de tram verspreiden ze een scherpe lucht. Ze zijn net een pot met ingemaakte vruchten, die opengemaakt is en vergeten. Boven de zestig moet alles worden uitgeroeid.’ ‘Waarom niet boven de veertig?’ vroeg Louis. ‘Aan mij zal het niet liggen,’ antwoordde Frits, ‘maar we moeten menselijk blijven. Tussen veertig en zestig is nog leven waar te nemen.’

‘Overplanten van de ene kop op de andere, dat gaat niet, hè?’ vroeg Louis. ‘Daar heb ik ook al aan gedacht,’ zei Frits. ‘Het vel van het hoofd van een dode op dat van een kale overzetten. Dan zou je meteen weten, of het aan het bloed ligt of aan de huid. Aan het bloed niet, denk ik, want op andere plekken van je lijf groeit het als een dennebos. Zelfs je baard blijft groeien.’ ‘Het wordt langzamerhand tijd om te vertrekken,’ dacht hij.

‘In het Veiligheidsmuseum is het hele vel van iemand zijn kop te zien,’ zei Louis, ‘op sterk water. Door een machine afgerukt.’ ‘Kunnen ze dat er na zoon ongeluk niet weer gauw opzetten?’ vroeg Frits. ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Louis, ‘als het vuil is geworden en helemaal verfrommeld in de machine zit, dan zal het niet gaan, denk ik.’

‘Hoe is het nu met je gezondheid, meneer Spanjaard?’ vroeg Frits. Louis zweeg. ‘Weet je, wat ik denk,’ zei Frits, ‘er zit iets in je hoofd. Het groeit en zwelt. Het komt tegen je schedel, dan begint de pijn. Tot het uitbreekt, een ader barst, dan is het afgelopen.’

‘Nee,’ zei Louis, ‘dat geloof ik niet. Dan hadden ze het wel op de fotoos gezien.’ ‘Een operatie lijkt me toch goed,’ zei Frits. ‘Misschien zit het wel in een bocht, of achter een beenknobbel. Als ze het eens open maken, hebben ze kans, dat ze het vinden. Ze zijn daar heel handig in.’ ‘Als het mijn laatste kans was,’ zei Louis, ‘maar zolang ze dat zelf niet zeggen, zullen we maar afwachten.’

‘Ze hebben eens een kerel behandeld,’ zei Frits, ‘die was voorover in het ruim van een schip gevallen. Een meter of acht diep. Boven op zijn schedeldak. Helemaal gekraakt. Vol met barsten. Maar hij was niet dood. Dat was niet volgens de regels. Goed, ze wachtten in het ziekenhuis er op, dat hij dood zou gaan. Hij bleef bewusteloos, maar dood ging hij niet. Toen was er een professor, die zei: laat mij het eens proberen, het is heel merkwaardig. Die heeft de hele hersenpan er af gezaagd, de hersens weer op hun plaats geschikt, vuil en bloed er uit gehaald, het deksel er weer op en dicht. En die kerel leeft nog. Maar hij moet wel elk jaar op een congres komen, om zijn kop te laten zien. De treinreis krijgt hij vergoed. Knap werk, niet?’ ‘Het is wel een erg flauw verhaal,’ dacht hij, ‘ik ga weg.’ Louis hield zijn gezicht in een nadenkende uitdrukking op de grond gericht.

‘Weet je, wat ik laatst voor een sterk verhaal hoorde?’ vroeg Frits. ‘Dat moet je in gezelschap van dames vertellen: het slaat vast en zeker in. Het is lekker zielig.’ ‘Ja, vooruit,’ zei Louis, ‘altijd goed.’ Hij richtte zijn hoofd op en knipte met de vingers. ‘Het is niet echt gebeurd, of liever gezegd is me er niet bij verteld, dat het wel gebeurd is. Dus mogelijk is het. In ieder geval aardig om te onthouden. Een vader gooit zijn kleine kind, een jaar of anderhalf, aldoor omhoog en vangt het weer op. En hij grijpt mis. Het kind ligt op de vloer. Dood. Een dun bloedstraaltje uit de mond. Die vader geeft een geweldige schreeuw.’ ‘Natuurlijk,’ zei Louis, ‘het is een zware slag voor een vader.’ ‘De moeder hoort het,’ vervolgde Frits, ‘en die komt uit de keuken binnenrennen. Ze kijken naar het kind; een groot gejammer. Ineens denkt die vrouw aan het kindje van een paar maanden, dat ze in de keuken aan het baden was. Ze rent terug: het is al verdronken. Ze had het gewoon losgelaten in het badje. Dat moet je aan vrouwen vertellen, dan lach je je rot.’

‘Je hebt me dit toch niet eerder verteld?’ vroeg Louis. ‘Nee,’ antwoordde Frits, ‘je bent in de war met die vader, die zijn kinderen aan de kop optilde. Dat heb je trouwens zelf verteld. Dat was echt gebeurd, beweerde je.’ ‘Jaja,’ zei Louis, ‘maar deze is ook heel goed. Prachtige dingen.’

‘Ik moet vertrekken,’ zei Frits, ‘ik heb beloofd om tegen achten thuis te zijn.’ Hij stond op. ‘Ik loop zover mee,’ zei Louis. Hij draaide de vergasser uit en legde bladen papier en boeken op zijn tafel op orde. ‘We gaan,’ zei Frits. Ze daalden zwijgend de trap af. ‘Hij is niet verplicht iets te zeggen,’ dacht Frits, toen ze buiten liepen. ‘Waarom zou hij geen overjas aan hebben? Maar laat ik niet beginnen te praten. Ik kan mijn gedachten verzamelen.’ Hij keek telkens zijdelings naar Louis’ gezicht. ‘Deze dag,’ zei hij bij zichzelf, ‘was ernstig. Hij was werkelijk een verschrikking. Maar wat gebeurt er, als wij vergeten, wat ons nog te wachten staat? Laat ons denken aan wat nog komt, voor de nacht valt. Halleluja.’ Hij nam zulke passen, dat hij bij iedere stap op het midden van een trottoirtegel uitkwam.

‘Ik zal moed houden tot middernacht,’ mompelde hij. ‘Tot zo laat moet ik volhouden. Er is geen keus.’ ‘Toch moet ik iets zeggen,’ dacht hij, ‘ik weet niets. Ik ga naar huis. De kou begint overal door te dringen.’ ‘Houd jij van de winter, Louis?’ vroeg hij. ‘Zeker,’ antwoordde Louis, zonder zijn gezicht naar hem toe te wenden, ‘maar ik vind, dat het dan zo veel kouder is dan in de zomer. Maar verder heb ik er niets tegen.’

‘Deze dag was leeg,’ dacht Frits, ‘ik weet het.’ ‘Hier moet ik rechts af.’ zei hij, ‘jij gaat rechtuit, niet?’ ‘Ja,’ zei Louis, ‘ik wens je sterkte.’ Hij gaf Frits een por in de zij. ‘Mijn beste wensen vergezellen je,’ zei deze. ‘Laat ons er aan denken, dat het de laatste avond is van het jaar.’ Hij voelde zijn ogen vochtig worden. ‘Oudejaarsavond,’ zei Louis, ‘het is goed, dat je het zegt.’ Ze waren blijven staan. ‘Misschien heb ik je gekwetst vanavond, door iets te zeggen,’ zei Frits. ‘Nee nee, allerminst,’ zei Louis, ‘het was heel gezellig. Zeer tot genoegen.’ Ze schudden elkaar de hand. Louis liep verder zonder om te zien. Frits sloeg rechtsaf, maar keerde na enkele passen weer terug, ging in een portiek staan en keek, zijn hoofd erbuiten stekend, Louis na.

‘Zo sta ik dus hier, in deze donkere portiek,’ dacht hij, ‘als een spion. Wat ben ik anders dan een spion?’ Hij wachtte, tot Louis’ gestalte niet meer te zien was en zuchtte. ‘Eens spion, altijd spion,’ zei hij bij zichzelf. ‘Uit donkere kamers naar buiten spieden op de verlichte straat. Zo is het.’ Hij zette zich in een sukkeldraf en hield voor de deur van zijn huis op de plaats de looppas, terwijl hij de sleutel te voorschijn haalde. ‘Naar boven,’ dacht hij, ‘ineens door. Niet denken.’ Hij sprong het benedenportaal binnen, sloeg de buitendeur met kracht dicht en bleef een ogenblik staan. Daarna liep hij langzaam de trap op en de gang in.

Er hing een braadlucht. Hij hoorde in de keuken het spetteren van vet in een pan. ‘Doe de deur achter je dicht,’ zei zijn moeder, toen hij er binnentrad, ‘anders trekt die lucht door alle kamers.’ ‘Maak je oliebollen?’ vroeg hij. ‘Appelbollen,’ antwoordde ze.

Op de keukentafel stonden een diep bord met stukken appel en een schaal met beslag. Daartussen lagen vier geschilde appels. Ze nam van het bord een handvol stukken, dompelde ze in het beslag en wierp ze een voor een in de zwarte vleespan. ‘Nu krijg je allemaal vormeloze modellen,’ zei Frits, ‘want die stukken appel zijn verschillend. Je had eigenlijk een paar appels moeten schillen en het klokhuis er uit moeten steken. Dan kan je kransjes er af snijden. Dan krijg je gebak met een leuk uiterlijk.’

‘Als ik een ding had om ze uit te pitten,’ zei zijn moeder, ‘maar dat is niet meer in huis. Dat zal jij wel weggemaakt hebben.’ ‘Nee,’ zei Frits, ‘dat is er wel.’ Hij trok een la onder de keukenkast open, tastte er zonder te kijken in rond en haalde een klokhuissteker te voorschijn. ‘Alsjeblieft,’ zei hij en legde hem op de tafel.

‘Ik kan niet met zoon ding overweg,’ zei ze. ‘Als hij uitschiet, bezeer je je hand. Dat is mij al eens overkomen.’ ‘Er is niets aan,’ zei Frits. Hij greep een van de appels en stak er het klokhuis uit. ‘Zo gaat dat,’ zei hij, nam het schillemes van het aanrecht en sneed drie plakken van de appel af. ‘Kransjes zijn dit,’ zei hij.

‘Ja,’ zei ze, met een vork zes gare bollen een voor een op een platte schaal wippend, ‘maar ik weet niet, hoeveel beslag ik nog heb. Ik maak eerst nog een schaal vol van deze. Die zijn rond, die vindt iedereen lekker.’

‘Best,’ zei Frits. ‘Je wilt bollen maken met stukjes appel er doorheen, net als rozijnen. Maar dan moet je het ook goed doen. Nu zit in elke bol een dik stuk. Dat wordt niet gaar. Als je hapt, bijt je eerst in iets zachts. Maar het midden van zoon stuk is nog hard. Net als appelmoes, die niet helemaal gaar is. Je moet de stukjes fijn snijden en in iedere bol flink wat ervan doen. Heel kleine dobbelsteentjes. Of je moet kransjes maken. De plakjes appel moeten dan dun zijn. Maar zo blijven de stukken hard.’ Hij nam een van de gare bollen van de schaal, brak hem open en wrikte er met de wijsvinger van de vrije hand een stukje hard gebleven appel uit. ‘Godverdomme, heet,’ zei hij, blies op de bol, zwaaide hem heen en weer en liet hem op de grondvallen. ‘Ruim alsjeblieft op,’ zei zijn moeder, ‘ik heb vanmorgen nog de keuken aangeveegd.’

Hij raapte de brokken en kruimels op, stak alles achter elkaar in de mond, maakte blazende geluiden, verliet de keuken en ging zijn slaapkamer binnen. Hij draaide de kap van de burolamp omhoog, liep langzaam de kamer op en neer en nam het speelgoedkonijn van de boekenkast. ‘Goed konijn, lief konijn, jou mag ik wel,’ zei hij hardop. Hij zette het op zijn hoofd en trad, voorzichtig balancerend, met zijn gezicht voor de spiegel. ‘Hij mag op mijn hoofd zitten,’ mompelde hij zacht, de lippen nadrukkelijk bewegend, ‘hij mag meerijden.’ ‘Hoeveel rampen ons ook gezonden worden,’ zei hij bij zichzelf, ‘wij verlaten elkaar nooit. De nood stijgt. En nog is de maat niet vol.’

Hij zette het dier weer op zijn plaats, ging op zijn bed zitten, schoof het gordijn voor de onderste planken van de boekenkast weg en bleef met een starende uitdrukking stil zitten. Plotseling bewoog hij het hoofd naar voren, stak zijn hand uit en greep met een snelle beweging een boek uit de rij. Het had een harde, lichtblauwe band. ‘W.F.C. Timmerhout,’ zei hij hardop, ‘Frankrijk en de oudheid.’ Hij bladerde er in, sloeg het dicht, opende het weer, bekeek de eerste bladzijden scherp, bladerde toen verder en blies op bladzijde acht en veertig een dode, platgedrukte mug weg. Hij haalde diep adem, zocht, op de snee turend, het midden van het boek, spuugde daar tussen twee bladzijden en klapte het dicht. ‘Dit dwingt men jonge mensen, kinderen nog, te lezen,’ zei hij bij zichzelf. ‘Dat verzin ik niet: het is werkelijkheid.’ ‘God is mijn getuige,’ zei hij hardop. Hij bekeek de band en schoof het deel langzaam weer op zijn plaats.

‘Frits!’ riep zijn moeder. ‘Ja, kalm aan,’ zei hij bij zichzelf. ‘Nog één keer roepen, dan kom ik.’ ‘Frits!’ riep ze opnieuw. ‘Eigenlijk is nog een keer erbij wel het beste,’ mompelde hij. ‘Frits, kom eens hier,’ hoorde hij haar roepen. ‘Gesnoept heb ik niet,’ dacht hij, ‘dat weet ik haast wel zeker.’ Hij stond op, deed het licht uit en riep luid: ‘Een ogenblik. Ik kom.’ Hij trommelde zich op de borst, trok de buik in en ging naar de keuken.

‘Kijk,’ zei zijn moeder. Ze stond voor het gasstel en wees achter zich op het aanrecht. ‘Bedoel je die fles?’ vroeg hij. Er stond een fles met een donkerrode vloeistof. Op de hals zat een oranje kapsule. Hij trad naderbij. ‘Wat is dat?’ vroeg hij. ‘Ik heb een fles wijn gekocht voor vanavond,’ antwoordde ze, een aantal oliebollen uit de braadpan wippend. ‘Dat is prachtig,’ zei Frits. Hij nam de fles bij de hals op. Er zat een blauw etiket op met een gele rand. ‘Bessen-appel,’ las hij zacht. ‘Bessen-appel,’ zei hij bij zichzelf, ‘bessen-appel. Help ons, eeuwige, onze God. Zie onze nood. Uit de diepten roepen wij tot u. Verschrikkelijk.’

‘Moeder,’ zei hij. ‘Ja, muis,’ antwoordde ze. ‘Moeder,’ zei hij, ‘het geeft niet, maar het is geen wijn.’ ‘Geen wijn?’ vroeg ze, zich omdraaiend. ‘Die man zegt: Appel-bessen, vruchtenwijn. Wijn, zegt die man.’ ‘Ja,’ dacht Frits, ‘die man zegt: Appel-bessen, wijn. Het is trouwens Bessen-appel. O, zie ons. Grijp in.’

‘Nee,’ zei hij, ‘wijn is het niet. Het staat er ook gewoon op. Bessen-appel. Bereid uit het sap van vers geplukte, eerste kwaliteit rode bessen en goudreinetten. Het is gewoon sap. Met suiker, mogen we hopen. Maar met wijn heeft het niets te maken.’

‘Laat eens kijken,’ zei ze en nam de fles van hem over. Ze tuurde op het etiket, keek daarna over haar bril heen en gaf de fles terug. ‘Ik zie niets,’ zei ze, ‘de bril is beslagen. Straks zal ik binnen wel eens kijken.’ ‘Je hoeft niet te kijken, het is geen wijn,’ zei Frits.

‘Laat het nou maar dicht,’ zei ze, ‘dan breng ik het overmorgen wel terug.’ ‘Nou, dat is niet nodig,’ zei Frits, ‘het zal best smaken. Wat heb je betaald?’ ‘Die man zei: Appelbessen,’ zei ze, ‘wijn.’ ‘Hoeveel kostte het?’ vroeg hij. ‘En die vrouw zei het ook,’ ging ze voort, ‘hij vroeg haar: heb je nog van die wijn staan? Ja, zegt ze, daar.’ ‘Hoeveel heb je betaald?’ vroeg hij. ‘Drie gulden tien,’ antwoordde ze, ‘daar was een kwartje bij voor de fles.’ ‘Het zal best smaken,’ zei Frits, ‘het maakt niet veel uit.’ ‘Nu is het ogenblik gekomen om te huilen,’ dacht hij. Zijn ogen werden vochtig.

‘Moeder,’ vroeg hij, van achteren een hand op haar schouder leggend, ‘ben je verdrietig? Zullen we samen huilen? Zullen we samen fijn zielig doen?’ Hij legde een ogenblik zijn gezicht tegen haar arm. ‘Zullen we even medelijden met onszelf hebben?’ vroeg hij. Bij de laatste twee woorden was zijn stem hees. ‘Die man zei – ,’ zei ze. ‘Nu weg, vluchten,’ dacht hij. ‘Voor het te laat is.’

Hij snelde de keuken uit, sloot vlug, maar geluidloos de deur en trad zijn slaapkamer binnen. Na het licht te hebben aangestoken, ging hij voor zijn schrijftafel staan. ‘Gij, die de sterren houdt in het holle van uw hand,’ zei hij zacht, ‘ik weet, dat deze dingen door u gezien worden.’ Een traan verliet zijn rechter ooghoek; bijna onmiddellijk kwam er ook een uit de linker. Hij boog zijn hoofd voorover, greep een blad papier van de hoek van de tafel, legde het voor zich neer en bracht zijn gezicht er boven. Het vocht verenigde zich op de rug van de neus en vloeide naar de punt. Een druppel viel op het papier. Hij ging zitten, proefde er met de tong van en veegde zijn gezicht droog met zijn zakdoek.

‘Dit is alle leed bijeengeveegd in een doos,’ zei hij zacht. Hij snoof met een snikkend geluid slijm in de neus op en leunde achterover. ‘Jij goede,’ mompelde hij, ‘wijn. Het was wijn, zei die man.’ ‘Dit is het verschrikkelijkst van alles wat gebeurt,’ zei hij bij zichzelf. ‘Het is als toen ik klein was. Ik weet het nog. Ze kocht voor ons tweeën twee hondekoppen, een soort toeters. Kleine hondekopjes van ijzer, met een gummibal er aan. Als je daarin kneep, was het iets als blaffen. De ene was verguld, de andere rood. Elk een. Maar de rode deed het niet. Dat bleek pas, toen ze thuis kwam en ze uitpakte, en het voordeed. Waarom sterft men dan niet? Ze liet ons er om loten. Joop kreeg de kapotte, zonder geluid. Maar met de andere kon ik niet gelukkig zijn.’ Hij schudde het hoofd en fronste de wenkbrauwen. ‘Iets duurs kopen,’ fluisterde hij, ‘dat thuis kapot of waardeloos blijkt. Erger leed bestaat niet. Het is erger dan alles wat er is. Het is zo erg, dat men er niet over kan praten. Ik beef. Ik ben in opwinding.’

‘Of bloemen,’ dacht hij. ‘Dure bloemen kopen, die al zijn uitgebloeid. Als degeen, die ze krijgt, de bos even rondzwaait, vliegen alle bloemblaadjes er af. Dan kan men beter dood zijn. Het is half negen.’ Hij ging naar de huiskamer. Zijn vader lag op de divan te lezen. Hij liep naar de radio en schakelde hem in. Een orgel speelde een slepende melodie. Zijn moeder kwam binnen met een schaal oliebollen. ‘Beginnen jullie maar vast,’ zei ze, ‘ik kom direkt met thee.’ ‘Aha,’ zei zijn vader en stond op. Hij ging bij tafel zitten. Frits nam tegenover hem plaats. ‘Misschien is er niet genoeg suiker doorheen,’ zei ze, ‘dat kan wel, ik heb maar een klein beetje door het beslag gedaan.’ Ze zette de suikerpot op tafel met drie dessertbordjes. Daarna ging ze naar de keuken.

‘Met een vork en mes eten is overdreven,’ dacht Frits. ‘De gewone gang van zaken is, dat men suiker op zijn eigen bord schept, de bollen in de hand neemt en ze erin doopt. Afwachten, wat gebeuren gaat.’ Hij keek onder zijn wimpers door naar zijn vader. Deze nam een bol van het stapeltje, beet er een stuk uit, kauwde het, slikte het door en bekeek het overgebleven deel.

‘Het hindert niets,’ zei Frits bij zichzelf, ‘wat gebeuren moet, gebeurt. Vreselijk is het niet. Het is te verwachten. Men kan het beter van te voren al in het schema opnemen.’ Hij glimlachte. ‘Heb je geen trek?’ vroeg zijn vader. Frits pakte snel een bol. Zijn vader nam de deksel van de suikerpot, trok het lepeltje er uit en duwde de opengebeten zijde van de bol in de suiker. Daarna liet hij het lepeltje er weer in vallen.
Frits nam de pot, schudde er suiker uit op zijn bord en doopte daarin zijn bol. ‘Je kan beter de suiker op je bord nemen, vader,’ zei hij, ‘anders komt de pot zo vol met kruimels.’ ‘Wat?’ vroeg zijn vader langzaam. Hij glimlachte. ‘Je kan beter suiker op je bord nemen,’ zei Frits luid, ‘dat is gemakkelijker. Anders heb je kans dat er kruimels in de suiker komen. Dat is bij het theedrinken lastig.’

‘Ja,’ zei zijn vader. Hij nam suiker op zijn bord en at het overgebleven stuk bol, na het onder de palm van zijn hand over het bord heen en weer te hebben gerold, in twee happen op. ‘Dat is één,’ dacht Frits.

Het orgelspel hield op. ‘Met enkele variaties van Franck besloot Piet Karwiel dit orgelconcert,’ zei de omroeper. ‘U hoort nu tot negen uur een nonstopprogramma van Hawaianmelodieën.’ ‘Dat is wel een beetje erg, dat gejank,’ zei zijn vader, toen de muziek begon, ‘laten we dat maar afzetten.’ ‘Ik houd er veel van,’ zei Frits, ‘ik ben dol op die uithalen van de snaren.’ ‘Zachter kan het in ieder geval,’ zei zijn vader, stond op en dempte het geluid. ‘Dat is zoiets verkeerds,’ zei Frits, ‘dat doen ze overal. Er is iets op de radio; ze moeten iets anders doen, of ze voeren een gesprek. Dan zetten ze het zachter. Ik vind: je moet luisteren of niet. Als je luistert, moet je het flink laten spelen. Net als wanneer je het zelf in de zaal hoorde.’ ‘Ik druk me heel stom en slordig uit,’ dacht hij. ‘Ben je het niet daarmee eens, vader?’ vroeg hij.

‘Wat zei je?’ vroeg zijn vader. ‘Ik vind dat de radio een wonder van techniek is,’ zei Frits. Zijn vader zweeg.

Zijn moeder kwam binnen met thee. ‘Frits, weet jij, wat er vanavond op de radio is?’ vroeg ze. ‘Waar is de krant van gisteravond gebleven?’ vroeg hij. ‘Op tafel, vlak voor je neus,’ zei ze, ‘je hoeft niks overhoop te halen.’ Ze zette kopjes op tafel en schonk in.

‘Hoe smaken ze?’ vroeg ze, op de oliebollen wijzend. ‘Je hebt deze, die bovenop liggen, de laatste, goed doorgebraden,’ zei Frits, ‘want het appel is zacht. Heb je ook nog met kransjes gemaakt?’ ‘Nee,’ zei ze, ‘het beslag was op. Is er niets anders op de radio?’ Ze ging zitten.

‘Ik vind dit heerlijk,’ zei Frits, ‘laten we even wachten, tot dit afgelopen is.’ Ze zwegen. Frits sloeg de tweede pagina van de krant op en bekeek het radioprogramma in de linker benedenhoek. ‘Nee,’ zei hij, ‘er is niets vanavond.’ ‘Laat mij eens lezen,’ zei ze. Hij reikte haar de krant aan. ‘Waarom het in zulke kleine lettertjes moet staan, dat begrijp ik niet,’ zei ze, hem weer neerleggend. ‘Straks, als ik mijn andere bril op heb.’ Opnieuw ontstond er een zwijgen. Alle drie namen ze van de oliebollen en aten voort.

De muziek hield op. ‘Hier is Hilversum Een, de Vara,’ zei de omroeper. ‘Dit is het einde van ons programma van vandaag. We gaan sluiten en komen terug morgenochtend om zeven uur, over Hilversum Twee. Tot morgen, luisteraars. Een genoeglijke avond en – om twaalf uur hoort u me niet, dus ik zeg het nu maar – een gelukkig nieuwjaar.’ De luidspreker gaf een licht klikgeluid en zoemde daarna zacht. ‘Hier is Hilversum Een, de Ensejervee,’ zei een andere stem. ‘Goedenavond, waarde luisteraars. Wij verbinden u met de kerk van de Opnieuw Gevormde Gemeente te Den Haag. Voorganger is dominee K.W. Zwijgzang.’

Het toestel ruiste even. Een ogenblik was geen enkel gerucht te horen. Daarop klonk een knappend geluid en opeens dreunde het psalmgezang van een volle kerk door de kamer. ‘Ik schrik me een beroerte,’ zei zijn moeder. ‘Laten we daar even een eind aan maken,’ zei zijn vader. ‘Ik vind het heerlijk om te horen,’ zei Frits, ‘je komt er van in een goede stemming, vind ik.’ Zijn vader, die al rechtop stond met de handen op de stoelleuningen, ging weer zitten.

‘Dat was een nare geschiedenis in Papendrecht,’ zei Frits, ‘met die vergiftigde oliebollen.’ ‘Ja, waar heb ik dat gelezen?’ zei zijn moeder, ‘twee mensen dood. Vreselijk.’ ‘Die ene was maar een oud mens,’ zei Frits, ‘een vrouw van tegen de zestig.’ Zijn vader trok twee boeken uit de kast, ging weer aan tafel zitten, sloeg ze beurtelings open en bladerde ze door.

‘Hoe kwam het eigenlijk?’ vroeg zijn moeder. ‘Vrij eenvoudig,’ antwoordde Frits. ‘Het bakmeel was niet goed. In de fabriek hebben ze een baal verkeerd gemengd. Er moet een klein beetje van die stof doorheen, waardoor het rijst. Maar een knecht deed het precies andersom: een zak vol van die rotzooi en een beetje meel.’ ‘Is dat goed dan zo vergiftig?’ vroeg ze. ‘Nou, vergiftig niet,’ antwoordde hij, ‘maar er zijn mensen, die er dood van gaan. Die vrouw, die er te veel van had gegeten, die viel dood neer, toen ze uit de kerk kwam.’

‘Hoe oud zou het gebruik zijn, vader,’ vroeg hij, ‘om oliebollen te maken?’ ‘Wat?’ vroeg zijn vader. ‘Hoeveel jaren zouden de mensen al oliebollen bakken?’ vroeg Frits. ‘Ja,’ zei zijn vader. De zang hield op. Uit de kerkruimte klonk het gerucht van hoesten en voetgeschuifel. ‘Laat ons bidden,’ riep opeens een holle stem.

‘Gauw,’ zei Frits. Hij sprong op het toestel toe en schakelde het uit. Daarna ging hij weer zitten. ‘De hele zaak is, een gesprek te beginnen en aan de gang te houden,’ zei hij bij zichzelf. Toen de oliebollen op waren, nam zijn moeder de schaal op en ging naar de keuken.

‘Bakten ze bij jou thuis ook oliebollen, vader?’ vroeg Frits. ‘Zijn er geen oliebollen meer?’ vroeg zijn vader. ‘Ik vroeg,’ zei Frits, ‘of er bij jou thuis, vroeger, ook oliebollen werden gebakken op oudejaarsavond.’

‘Ja zeker,’ antwoordde de man, ‘in een grote, diepe pan. Ja.’ Hij stak zijn rechter hand, met de rug naar boven, vooruit en wees op een bleke vlek ter grootte van een gulden, op halverwege de afstand van wijsvinger naar pols. ‘Daar komt de brandvlek,’ zei Frits bij zichzelf. ‘Ik weet nergens van.’ ‘Mijn moeder was aan het bakken,’ zei zijn vader. ‘Er kwam iets in de pan, dat geweldig siste.’ Hij hield zijn blik op de plek gericht en vervolgde: ‘Het ging spatten; toen kreeg ik het op mijn hand.’

Zijn moeder kwam binnen met een nieuwe stapel oliebollen. Ze droeg de schaal met beide handen; onder haar linker oksel droeg ze de fles met vruchtensap. ‘Aha,’ zei zijn vader, naar de fles kijkend, ‘wat zal dat zijn? Wijn?’ ‘Dat is zogenaamde wijn,’ zei zijn moeder. ‘Is dat wijn?’ vroeg zijn vader. ‘Dat is vruchtensap van bessen en appels,’ antwoordde Frits luid, ‘een frisse, licht zure drank. Heel lekker, als je iets vets gegeten hebt.’ ‘In wat voor glaasjes moet ik het doen?’ vroeg zijn moeder, ‘in die kleine wijnglaasjes?’ ‘Doe ze maar in de mosterdglaasjes,’ zei Frits, ‘dat is de goede grootte.’

Ze schikte de schaal met oliebollen, die ze op een hoek van de tafel had neergezet, naar het midden, haalde uit het buffet drie mosterdglaasjes en scheurde de kapsule van de fles. ‘Hier is de kurketrekker, Frits,’ zei ze. Frits nam de fles tussen de benen, dreef de spiraal in de kurk en trok. Zijn vader boog zich naar voren en keek toe. ‘Hij zit tamelijk diep,’ zei hij. ‘Godverdomme,’ dacht Frits na twee keer krachtig trekken, ‘hij moet er uit.’ Hij trok opnieuw uit alle macht en maakte tegelijkertijd wrikkende, zijwaartse bewegingen. Opeens schoot de kurk los. ‘Huup,’ zei zijn moeder. Zijn stoel schoof met een schok achteruit en uit de fles gutste een scheut sap over zijn broek. ‘Op mijn broek,’ zei hij. Zijn vader stond op, leunde met zijn ellebogen op tafel en zei: ‘Gauw schoonmaken. Een wijnvlek krijg je er heel moeilijk uit, als je niet dadelijk iets doet.’ ‘Huup,’ dacht Frits, ‘huup.’ ‘Het is geen wijn,’ zei hij luid. ‘Geen wijn?’ vroeg zijn vader. ‘Geen wijn? Wat is het dan?’

‘Ik was in de winkel,’ zei zijn moeder, ‘en ik vroeg aan – ’ ‘Het is vruchtensap,’ zei Frits, met zijn gezicht naar zijn vader gericht. ‘Sap van bessen en appels. Een frisse, zure drank.’ Hij veegde met zijn zakdoek over de plek in zijn broek. ‘Huup,’ zei hij bij zichzelf, ‘huup.’ ‘Nou,’ zei zijn vader.

Zijn moeder schonk de glaasjes vol en proefde uit het hare. ‘Zuur,’ zei ze, de mond samentrekkend, ‘afschuwlijk zuur.’ ‘Wat?’ vroeg zijn vader. ‘Moeder vindt het een beetje koud,’ antwoordde Frits, ‘maar dat is juist lekker.’ Hij proefde. ‘Heel goed,’ zei hij. ‘Er zit suiker in. Maar net niet zoveel, dat de frisse, zure smaak er af is gegaan. Net goed.’ Zijn vader dronk zijn glaasje uit en zweeg. Hij nam een oliebol, propte hem in de mond en ging op de divan liggen. Zijn moeder nam breiwerk van de kleine tafel en ging bij de kachel zitten. Geen van drieën zei iets.

‘We naderen tien uur,’ zei Frits bij zichzelf. ‘Straks gaan we het voorbij. Dan nog even moed houden tot elf uur. Dan is het eigenlijk gebeurd.’ Hij stapelde zijn rechter vuist op tafel bovenop de linker en legde zijn voorhoofd er op. Na vijf minuten richtte hij zich weer op. ‘Een stilstaand gesprek is gevaarlijk,’ dacht hij. ‘Al is een vraag volstrekt zinloos, het is beter dan niets.’ ‘Vader,’ zei hij luid, ‘vader.’ De man richtte zich op. ‘Het is niet erg, om ongelukkig te zijn,’ dacht Frits, ‘maar hoe moet het een mens te moede zijn, als hij weet, dat nergens buiten hemzelf schuld is aan te wijzen? Het graf gaapt, de tijd zoemt, en nergens is redding. Arme man. Lekker zielig. Fijn medelijden hebben.’

‘Ja,’ zei zijn vader. ‘Vader,’ vroeg Frits, ‘waren dat gewone oliebollen, vroeger bij jou thuis, of volgens een apart recept, volgens het gebruik daar in Twente?’ ‘Nu moet je opletten,’ zei hij bij zichzelf. ‘hij gaat er in ernst op in, op een vraag, die volkomen zwakzinnig is. Ik kan alles vragen. En ik doe het ook.’ ‘Nee, gewone oliebollen,’ antwoordde zijn vader. Hij hield de mond open en fronste het voorhoofd. ‘Hij wil nog iets zeggen,’ dacht Frits, ‘maar hij kan er niet opkomen. Bijna heeft hij een gedachte, maar dan is hij weer weg en moet hij weer opnieuw gaan denken. Een heel werk. Dat valt niet mee.’ Zijn vader sloot de mond en ging weer liggen.

‘Als ik niets zeg,’ dacht Frits, ‘gebeurt er misschien niets bizonders. Ik zeg niets. Kijken, hoe het gaat.’ In de stilte hoorde hij de klok tikken. De breipennen van zijn moeder ratelden. ‘In de boeken en in kinderversjes zeggen ze altijd, dat een klok tik tak zegt,’ dacht hij, ‘maar dat is niet zo.

Het is in ieder geval niet tik tak, want dat zijn twee verschillende klanken.’ Hij luisterde scherp. ‘Tukke tukke tukke tukke is beter,’ zei hij bij zichzelf, ‘maar ik kan het nog niet goed horen. Ik moet geduldig wachten, tot er weer een pen is afgebreid, dat ze even niet zo ratelt.’

Op het ogenblik, dat zijn moeder de pennen omwisselde, deed hij de mond open, sloot de ogen half en luisterde met ingehouden adem. ‘Het is eigenlijk geen woord,’ zei hij bij zichzelf. ‘Goed gehoord, is het teppe teppe teppe teppe, en dat heel zacht. Dat is het wel niet, maar daar lijkt het het meest op.’ ‘Tien uur is de eerste mijlpaal,’ dacht hij, ‘dan op weg naar elf uur. Als we daar voorbij zijn, is het eigenlijke leed geleden.’

Hij stond op, ging, zonder gerucht te maken, naar zijn slaapkamer, nam de spiegel van de muur en zette hem op de schrijftafel, tegen de muur. Daarna greep hij het speelgoedkonijn, zette het ernaast en ging aan de tafel zitten. ‘Luister, konijn,’ zei hij zacht. ‘Vanavond moet je aandachtig luisteren. Vandaag ben ik niet in de stemming voor grapjes en onhebbelijke opmerkingen. Het is dus geen kwestie van met een half oor luisteren en intussen denken: stik maar.’ Hij schudde aan de tafel, zodat het dier een knikkende beweging maakte. ‘Je geeft tekenen van instemming,’ zei hij, ‘maar te vertrouwen ben je niet.’ Hij nam het dier op, wierp het tot vlak onder het plafond omhoog en ving het weer op. Daarna opende hij riem en gulp van zijn broek, legde het dier tegen zijn buik, knoopte zijn broek weer dicht en haalde de riem aan. Alleen de kop van het dier stak er boven uit.

Hij zoog diep lucht in, hield de adem in en perste zijn buik naar buiten. ‘Nu krijg je het benauwd, niet, lief diertje?’ vroeg hij. ‘Daar is niets aan te doen.’

Hij schoof de spiegel recht voor zich, boog zich naar voren, draaide de kap van de burolamp op en neer, tot het licht rechtstreeks op zijn gezicht viel en bekeek het beeld. ‘Een huid vol grove, onreine poriën,’ mompelde hij, ‘een vermoeid, onfris gezicht. Een mond met schrijnende hoeken, waar het vel schilfert. Blauwe kringen onder de ogen. Over voorhoofd en wangen een laag vet, glimmend zweet.’ ‘Ja, houd jij je maar kalm,’ zei hij, het konijn een paar tikken op de kop gevend, ‘jij kunt daar niet weg. Dat hoef je heus niet te proberen. Voor jou heb ik een heel bizondere straf uitgedacht. Je krijgt drie en twintig zweepslagen. Als je schreeuwt, nog tien erbij. Dan prik ik je met een naald in je kont en in je nek.’ Hij omknelde met de rechter hand beide oren en vervolgde: ‘Dan verdraai ik je oren. Net als natte was wring ik ze, tot er een beetje bloed afdruipt.’ Hij liet de oren weer los. ‘En dan moet je op een hete, ijzeren plaat dansen. Dat is wel een erge straf, maar wat je gedaan hebt is ook zo schandelijk, dat het alleen maar op deze wijze kan geboet worden.’ Hij zette zijn tanden in een oor. ‘Er af kan je niet,’ fluisterde hij, ‘want om je hals zit een ketting, die vastgemaakt is aan de zolder. Die plaat maak ik aldoor heter, tot hij gloeit.’ Hij liet het oor los, aaide over de kop en zei iets luider. ‘Huil maar niet, hoor. Zo ver is het nog niet. Dat is pas om half elf. Je hebt nog een half uur.’

Hij keek weer in de spiegel. ‘En mijn haren, konijn,’ mompelde hij, ‘daar heb ik nog niet naar gekeken.’ Hij duwde zijn haarbos plat en bekeek van vlakbij de grens van de inplanting langs het voorhoofd. ‘Nee konijn,’ zei hij, ‘de haren groeien nog goed. De haren groeien wel. Ze zitten nog behoorlijk vast, daar mankeert niets aan. Als de almachtige mij genadig is, handhaaft hij mijn haargroei tot in lengte van dagen.’

‘Tidi tedidi. Tidi tedi,’ zong hij, half neuriënd. ‘Wanneer je geen enkel middel op je hoofd doet,’ zei hij bij zichzelf, ‘geen vet, geen plaksel, geen kleursel, geen bleekmiddel, geen haarpoeder en geen reukwater in je haar doet, dan heb je op de anderen een grote voorsprong. De onwetenden zijn voor de kaalhoofdigheid een gemakkelijk te bemachtigen prooi. God geve, dat het blijft groeien.’ Hij duwde de haren uiteen en bekeek de huid ertussen. ‘Een gezond vel,’ mompelde hij, ‘maar ik moet het komende jaar gaan masseren, anders wordt het hard en gespannen. Een soepele hoofdhuid is het behoud van de haargroei.’

‘Nu stijgt de kou op in mijn benen,’ dacht hij, ‘hij is al aan mijn knieën. Als bij een stervende. Maar het bevordert het nadenken.’ Hij deed, zonder op te staan, het licht uit door de lamp half los te draaien en legde zijn hoofd plat op de tafel. ‘Ik moet even nadenken,’ dacht hij, ‘en daarvoor is stilte nodig.’ ‘Konijn,’ zei hij hardop, ‘als er iemand komt, zeg dan maar, dat ik er niet ben. Net uitgegaan. Of zeg maar, dat ik in het bad zit.’ Zonder te spreken maakte hij bewegingen met de kaken. ‘Het kraakt,’ zei hij bij zichzelf. ‘Het is, alsof het in het gewricht kraakt, maar het is de tafel.’

Hij raakte in een sluimering, ontwaakte weer, richtte zich op, legde zijn hoofd voorover neer en bleef roerloos zitten. ‘In een donkere kamer,’ dacht hij, ‘ik ben in het donker. Alles wat om me heen gebeurt, kan ik zien en zelf ben ik onzichtbaar.’ Hij sluimerde telkens in, maar als hij bijna sliep, werd hij met een schok weer klaar wakker. ‘Alles doet pijn,’ dacht hij, ‘het hoofd is een reusachtige zweer.’ Hij draaide de lamp weer aan.

‘Frits!’ riep zijn moeder. ‘Jawel,’ zei hij bij zichzelf, ‘nog maar eens.’ ‘Frits!’ riep ze opnieuw. ‘Dat is twee keer,’ dacht hij, ‘maar ik heb het niet gehoord. Je moet rekenen: ik hoor slecht.’ ‘Frits, waar zit je?’ riep ze. Hij hoorde zijn vader met diepe stem iets zeggen. ‘Dat is drie keer,’ zei hij bij zichzelf, ‘maar de vierde keer hoor ik het wel.’ Hij wachtte. Binnen hoorde hij zijn ouders luid spreken. ‘Frits!’ riep zijn moeder na een halve minuut. ‘Ja, ik kom er aan,’ riep hij terug en stond op. Hij trok het konijn onder zijn riem weg, kuste het op de kop en zette het op de boekenkast.

‘Waar zat je in godsnaam?’ vroeg zijn moeder, toen hij de huiskamer binnenkwam. Ze zat nog op de stoel bij de kachel. Zijn vader lag op de divan, op een zij leunend, in een groot boek te lezen, dat hij op de zitting van een aangeschoven stoel voor zich had liggen. ‘Vader zegt al,’ zei zijn moeder, ‘hij is weg. Maar ik zei: dan had ik hem moeten horen. Waar ben je geweest? Ik heb een paar keer geroepen. Een half uur geleden al.’

‘Nergens,’ zei Frits. ‘Ik was even hiernaast, iets nakijken.’ ‘Het is kwart over elf geweest,’ zei ze. ‘Kwart over elf?’ vroeg hij, ‘kwart over elf?’ Hij keek op zijn horloge. Het wees acht minuten voor half twaalf.

‘Verrek,’ zei hij, ‘ik wou even naar een boek kijken. Dan heb ik zeker zitten suffen of zitten dromen.’

‘Het is elf uur geweest,’ dacht hij opeens. ‘Tien uur geweest, elf uur is voorbij. Allang voorbij. Zingt, engelen. Bijna half twaalf. Heerlijk. Verrukkelijk.’ ‘Dit is hetzelfde gevoel,’ zei hij bij zichzelf. ‘Meneer Vogel is ziek. Het laatste lesuur vervalt.’ Hij zette de radio aan. ‘De dingen zijn eenvoudig,’ dacht hij. Er klonk langzaam pianospel. De klanken werden zwakker en verdwenen. ‘Zit niet meteen al heen en weer te draaien,’ zei zijn moeder. ‘Nee,’ zei hij, ‘het zakt weg. Dat hoort in het programma.’

‘Op de avond van deze dag, voor de nacht valt,’ zei langzaam een rustige, volle stem, ‘willen wij nog eenmaal treden voor het – ’ Hij draaide verder de schaal langs. ‘ – gekomen aan het laatste nummer van ons programma van vrolijke oudejaarsavondmelodieën,’ zei een omroeper. ‘U hoort de Zwaaiende Nachtegaals in Zonneschijn Jongen.’ ‘Is er werkelijk niets anders?’ vroeg zijn vader, toen de muziek begonnen was. ‘Dit is Brussel,’ zei Frits, ‘we kunnen nog op Hilversum Een kijken.’ Hij draaide verder. ‘Dit is hem,’ zei hij. Er klonk geschuifel in een holle ruimte. ‘Dat is zeker weer een kerk,’ zei zijn moeder. Een orgel zette zacht in. Na enkele maten viel de menigte met zang in. ‘Hoort, hoort,’ zei Frits bij zichzelf, ‘uren, dagen, maanden, jaren.’ ‘Hoor eens,’ zei hij, ‘uren, dagen, maanden, jaren.’ ‘Uren, dagen, maanden, jaren,’ herhaalde hij bij zichzelf, ‘uren, dagen, maanden, jaren.’ Hij zette de knop harder. ‘Kan het niet zachter?’ vroeg zijn vader. ‘Nee,’ antwoordde Frits, ‘dit moet hard. Laat dit even staan, zoals het staat.’ Zijn hart bonsde. ‘Uren, dagen, maanden, jaren,’ zei hij bij zichzelf. ‘Dit is de avond. Dit is de nacht. Het is oudejaarsavond. Over ruim acht en twintig minuten is het middernacht. Ik heb nog acht en twintig minuten. Ik moet mijn gedachten verzamelen. Ik moet klaar zijn met denken, als het twaalf uur is.’ Hij keek naar zijn vader. ‘Help hen, die bedrukt zijn en zich verlaten wanen in deze wereld,’ dacht hij. ‘Oude zak.’

De zang eindigde. Na een kort naspel zweeg ook het orgel. ‘Gemeente,’ zei een hoge stem. Frits draaide het station weg, maar zocht geen ander. De luidspreker suisde zacht.

‘Nu moet ik het zeggen,’ zei hij bij zichzelf, ‘ik moet het zeggen. Hoe? Nog enkele ogenblikken. Het moet. Het is nog niet te laat.’

‘Vader,’ zei hij luid, ‘vader.’ ‘Ja mijn jongen,’ zei zijn vader. Hij legde een potlood tussen de bladzijden van het boek en sloot het. ‘Hij luistert,’ dacht Frits, ‘maar ik weet nog niet, wat ik ga zeggen. Ik weet het niet.’ Het bonsde in zijn hoofd. ‘Als ik nu niet onmiddellijk spreek, gebeurt er iets verschrikkelijks.’

‘Vader,’ zei hij. De man richtte zich op. ‘Frits praat tegen je,’ zei zijn moeder. ‘Ja, dat hoor ik waarachtig wel,’ zei zijn vader. Hij vertrok zijn gezicht even, zodat er, waar de neus het voorhoofd bereikte, een rij kleine plooien ontstond. ‘Nu kan ik niet meer terug,’ dacht Frits. De kamer kantelde voor zijn ogen heen en weer, werd even vaag en kwam weer tot rust. ‘Wat was er, wat heb ik gezegd?’ dacht hij.

‘Vader,’ zei hij, ‘alleen mensen kunnen zingen. Dat is wonderlijk. Zingen is iets, dat alleen mensen kunnen.’ ‘Verloren, alles is verloren,’ dacht hij, ‘ik heb het niet durven zeggen. Ik heb iets anders gezegd. Wat heb ik gezegd?’ Hij voelde zijn hoofd heet worden. ‘Heel iets anders,’ dacht hij, ‘en onzin. Krankzinnige onzin. Een handvol woorden genomen. Onzinnige dingen gezegd. Gewoon onzin, die nergens wat mee te maken heeft. Het is onzin: vogels zingen ook. Wat heb ik precies gezegd?’

‘Vogels zingen toch ook?’ zei zijn moeder. ‘Help,’ dacht hij, ‘ik ben verloren.’ ‘Ja,’ zei zijn vader, ‘vogels zingen heel mooi, dacht ik altijd.’ ‘Ik bedoel,’ zei Frits, ‘ik, ik bedoel, vader, begrijp je niet wat ik bedoel?’ Voor zijn ogen werd de lamp klein, zeilde weg in de verte en kwam weer terug. ‘Wat gebeurt er?’ dacht hij, ‘wat heb ik gezegd?’ ‘Nee,’ zei zijn vader, ‘dat alleen mensen kunnen zingen, dat is niet zo.’ Hij kruiste de armen op de borst. ‘Misschien, als ik verder praat,’ zei Frits bij zichzelf, ‘dan kan ik de aandacht afleiden.’ ‘Jij bedoelt die vogels, die ze vangen en in kooien houden,’ zei hij, ‘voor het fluiten. Een kanarie, dat kan ik me indenken, dat is nu eenmaal een tropische vogel, die kan hier niet buitenshuis leven. Trouwens, de meeste kanaries zijn in gevangenschap geboren. Die weten niet beter.’

‘Wat zei ik nu?’ dacht hij, ‘wat heb ik gekletst?’ ‘Maar ze vangen ook wel lijsters en merels,’ ging hij verder. ‘En nog ik weet niet wat voor andere vogels, die in het wild leven. Die doen ze in kooien.’ ‘Het is niets anders dan onzin,’ dacht hij. ‘Er is geen uitkomst.’ In zijn oren voelde hij het bloed kloppen. ‘Ik moet zitten,’ dacht hij. ‘Een stoel.’ Hij trok een stoel van tafel en liet er zich op neerzakken. ‘Zouden ze niets gemerkt hebben?’ dacht hij.

‘Ja,’ zei zijn moeder, ‘buiten, op het land, daar zie je dat zo vaak. Een merel, of een leeuwerik, in een kooi aan de muur voor het huis. Wat is daar voor aardigheid aan? Ik begrijp het niet.’ ‘Lieve, goede,’ zei Frits bij zichzelf, ‘wijn. Appel-bessen. Bessen-appel is het eigenlijk.’ ‘Ik ben helemaal zinloos begonnen te praten,’ dacht hij, ‘zouden ze het begin vergeten zijn?’ Het geklop in zijn hoofd nam iets af.

Zijn vader schoof de benen van de divan en ging op de rand zitten. ‘Toen ik klein was,’ zei hij, ‘ging mijn vader, met nog een stel anderen, als het zomer werd, vinken vangen. Dat was een heel feest.’ Hij krabde zich aan de kin, liet een wind en ging voort: ‘Ze gingen Zaterdagavond weg en Zondagmorgen om een uur of negen kwamen ze pas weer thuis. Met een heleboel vinken. Die verkochten ze.’

‘Ik ben gered,’ zei Frits bij zichzelf, ‘op een onzinnig begin gaat het gesprek verder.’ ‘Is het nu waar,’ vroeg zijn moeder, ‘dat ze ook vinken blind maken? Is dat waar?’ ‘Jaja,’ antwoordde zijn vader, ‘ze maakten ze blind, dan zongen ze beter; dat werd gezegd.’ Hij opende de lippen, zette de tanden op elkaar en zei: ‘Dat heb ik mijn vader nog wel zien doen. Met een gloeiende breinaald brandde hij ze de ogen uit.’ Hij nam de kin in de hand en keek Frits aan. ‘Vader,’ dacht deze, ‘vader.’ ‘Zijn de oliebollen op?’ vroeg hij. Hij wees op de lege schaal. ‘Vader zei: laten we ze maar opmaken,’ zei zijn moeder, ‘Frits komt toch niet zo gauw terug. Ik zei: laten we het niet doen. Ja, toch doen. Je vader heeft ze in zijn buik. Wil je een boterham?’ ‘Welnee,’ zei Frits. ‘Wat zei je?’ vroeg zijn vader aan zijn moeder. ‘Ik zei,’ riep ze, ‘dat je alle oliebollen, ook die voor hem, opgevreten hebt.’ ‘Ja,’ zei de man. ‘Die oliebollen,’ zei hij opeens, zich tot Frits wendend, ‘ik heb jouw oliebollen opgegeten, geloof ik. Of niet?’ ‘Nee, dat is juist heel goed,’ zei Frits, ‘anders zijn ze morgen taai en hard. Ik lust niet meer.’

‘Moet je nog wat wijn?’ vroeg zijn moeder. ‘Het is sap,’ zei Frits bij zichzelf. ‘Bessen-appel.’ ‘Ja, heel graag,’ antwoordde hij. ‘De helft blijft over,’ zei ze, terwijl ze hem inschonk. ‘Dat is goed voor een pudding,’ zei hij, ‘daar kun je een goede saus van maken bij griesmeelpudding.’

‘Denk je aan de radio?’ vroeg ze. ‘Het duurt niet zo lang meer.’ Hij keek op zijn horloge. ‘Vier minuten,’ antwoordde hij, ‘dat wordt drie, dat is drie minuten. Ruim drie minuten.’ Hij trok zijn stoel bij de radio en begon te draaien. ‘ – brengen wij u Een Vakantiedag Voor De Politieman,’ zei een stem. ‘Dan blijft er nog ongeveer een halve minuut over. U hoort dan de sekonden tikken; tien sekonden voor twaalf uur hoort u het geluid, dat wij omroepers zo goed kennen, dat het uur aankondigt: een korte, droge tik.’

‘Wel een raar nummer om mee te eindigen, niet?’ vroeg Frits, toen de plaat begon. ‘Vul de glazen maar vast,’ zei zijn vader. Zijn moeder schonk in. Ze morste. ‘Appel-bessen,’ dacht Frits. ‘Bessen-appel.’ De muziek hield op. De sekonden tikten. ‘Rrrtok,’ klonk er opeens tussendoor. ‘Het komt,’ zei Frits. Hij huiverde.

‘Zeven, acht, negen,’ telde hij bij zichzelf. Langzaam vielen de tonen van het voorspel. Daarna was er twee tellen stilte. De slagen begonnen. Buiten gingen sirenes loeien. ‘Een gelukkig nieuwjaar, jongen,’ zei zijn moeder, zijn vader bij de hand vattend. ‘Gelukkig nieuwjaar,’ zei deze. Ze kusten elkaar. ‘Een gelukkig nieuwjaar, moeder,’ zei Frits, toen zijn ouders elkaar hadden losgelaten. Zijn moeder trok hem aan zijn arm naar zich toe en gaf hem een kus op zijn wang en een in zijn nek. ‘Een gelukkig nieuwjaar,’ zei ze. Hij zoende haar op de hoek van haar mond. Terwijl ze hem nog vasthield, stak hij zijn hand uit naar zijn vader. ‘Een gelukkig nieuwjaar, vader,’ zei hij. ‘Gelukkig nieuwjaar, mijn jongen,’ zei de man en drukte hem krachtig de hand, de arm fors op en neer schuddend.

Zodra Frits los was, nam hij zijn glaasje op. Zijn ouders volgden zijn voorbeeld. Ze brachten ze bij elkaar, lieten ze voorzichtig botsen en dronken. ‘Appel-bessen,’ dacht Frits. ‘Het is voorbij.’ Zijn ouders gingen zitten. De radio zette een mars in.

‘Ik ga even de straat op,’ zei hij. ‘Ik moet even buiten zijn.’ Hij schoot zijn jas aan en stormde de trap af. Voor het huis bleef hij even staan. ‘Eerst pissen,’ mompelde hij liep naar de muur en waterde tegen een gootpijp. Steeds meer sirenes en fluiten mengden zich in het geraas. Terwijl hij zijn gulp sloot, keek hij omhoog. Midden aan de hemel was in de bewolking een open plek, waar de sterren helder schitterden. In het zuiden steeg een groene vuurpijl op; hij klom, minderde vaart, viel en doofde halverwege uit. ‘Dat zijn vliegende zonnen,’ dacht hij, ‘vier cent.’ Voorbijgangers, die naar de pijl waren blijven staan kijken, liepen verder.

Hij holde de kade af tot de rivier, sloeg links af en liep, af en toe springend, snel langs de oever voort. Er was bijna geen wind: op het wateroppervlak vertoonden zich slechts flauwe rimpeltjes. Twee jongens op één fiets, waarachter ze aan een touw drie grote blikken bussen over de straat voortsleepten, passeerden hem in grote vaart. Af en toe sprong een bus een eind de hoogte in. ‘Heel goed,’ zei Frits bij zichzelf. Aan de overkant van het water, vlak achter de huizenrij, stegen, vlak achter elkaar, drie rode vuurpijlen op. ‘Het is geen rood,’ dacht hij, ‘maar zacht paars. Zoals het zilverpapier om de chocoladetorentjes, toen we klein waren.’ Op hun hoogtepunt spatten de pijlen uit elkaar tot witte sterretjes, die in enkele tellen uitdoofden.

‘We lopen verder,’ zei hij bij zichzelf, ‘even gelukkig nieuwjaar wensen.’

Op een zolderschuit aan de andere oever onderscheidde hij gestalten. ‘Het is tamelijk licht,’ dacht hij, ‘zijn dat de lantaarns of zit de maan nog ergens? Hij zit zeker in een wolk. Ik zie hem niet.’ De gestalten op de schuit bukten zich om iets heen. Opeens zag hij een vlam tussen hen in, ter hoogte van het dek. Het licht ervan was eerst wit, werd feller en verkleurde tot diep groen. De vlam groeide, veranderde van vorm en werd een bol. De gezichten van de omstanders werden duidelijk zichtbaar. ‘Bengaals vuur,’ dacht hij. ‘Het lijkt wel of er mos op hun gezicht groeit. Zelfs de stenen van de muren kan je zien.’

De gloed hield een halve minuut aan, bereikte zijn hoogste sterkte en doofde langzaam, met flikkeringen, uit. De een na de ander hielden de sirenes en fluiten op. Hij keek om zich heen. Op enkele passen naast hem stonden twee kleine jongens. Ze droegen zwarte regenjassen. De een was een hoofd groter dan de ander.

Hij deed een paar stappen in hun richting. Onmiddellijk sprongen ze een eind opzij. ‘Ze zijn bang,’ dacht hij. ‘Ze zijn bang voor me; een jaar of acht.’ Hij kuchte en vroeg: ‘Zo jongelui, mogen jullie nog zo laat op straat?’ ‘Ja meneer,’ antwoordde de grootste, ‘het is oudejaarsavond.’ ‘Inderdaad,’ dacht hij, ‘ze geven antwoord, omdat men ook op de domste vraag iets moet terugzeggen.’ ‘Toch is het gevaarlijk, hoor jongens,’ zei hij, ‘want de kinderdieven zijn op straat.’ ‘Die bestaan niet eens,’ zei de kleine jongen, ‘en we zijn samen. Dan sla ik hem op zijn kop met die stok.’ Hij haalde een dikke tak onder zijn jas vandaan.

‘Hij zegt, dat dat koud vuur was,’ zei de grote jongen, eerst op de ander en daarna naar de overkant wijzend, ‘dat kan toch niet bestaan, hè meneer?’ ‘Koud vuur bestaat niet,’ zei Frits, ‘dat is er niet.’ ‘Zie je wel,’ zei de grote jongen tegen de kleine. Opeens renden ze weg. ‘Een bekend misverstand bij de jeugd,’ zei Frits bij zichzelf. ‘Het geloof aan koud vuur. Ze denken, dat vuurwerk en vonken koud vuur zijn.’ Hij trad vlak aan het water en ging op de granieten oeverrand lopen. ‘Hier is zowat de plek,’ dacht hij, ‘waar Louis in het water liep. Dat is zeker achttien jaar geleden. Hij keek niet uit. Zijn vader hoorde opeens achter zich een plons.’

Hij ging de brug met de stenen balustrades over en zette zich in een sukkeldraf. ‘Eerst Jaap nieuwjaar wensen,’ dacht hij. Aan de overkant draafde hij vlak langs het water, holde in een boog de gracht met de pakhuizen op, rende door tot nummer een en zeventig, klom huppelend de stoep op en belde aan. ‘Elf minuten,’ zei hij hardop.

‘Laat ik iets aardigs roepen. Duitse politie.’ ‘Eenmaal,’ dacht hij na een halve minuut wachten. Hij belde opnieuw aan, sprong de stoep af en liep langzaam terug. ‘Natuurlijk,’ zei hij bij zichzelf, ‘ze zijn bij Jaaps ouders. Het kind meegenomen. Heel verstandig. Of ze hebben het thuisgelaten, hopende dat er geen brand komt.’

‘Er is vanavond niets aan de hand,’ dacht hij, ‘het was maar een klein beetje lawaai. In Londen gaat iedereen op straat. In Moskou schieten ze kanonnen af en maken groot vuurwerk, boven de hele stad.’

Hij liep de weg terug langs de rivier en belde bij het huis met de torentjes aan. ‘Viktor is er in elk geval,’ zei hij bij zichzelf, ‘en naar bed is hij nog niet.’ ‘Wie is daar?’ riep een vrouwestem door de spreekbuis. ‘Frits,’ riep hij terug, ‘is Viktor thuis?’ ‘Ik hoef al niet meer te wachten,’ dacht hij, ‘thuis is hij niet. Dan had hij zelf wel opengedaan.’ ‘Viktor is naar huis, naar Haarlem,’ antwoordde de stem. ‘Goed,’ riep Frits terug, ‘doe hem de groeten van Frits van Egters. Hij weet wel, wie het is. Ik kom hem nog wel nieuwjaar wensen. Dag Lidia.’

Langzaam slenterde hij de brug over. ‘Er is nog één kans,’ dacht hij, ‘dat is Louis. Ik vermoed, dat hij al ongeveer een uur thuis is.’ Hij bleef voor Louis’ deur minuten lang staan. ‘Ik bel nog niet aan,’ zei hij bij zichzelf. ‘Het vriest, maar niet meer dan een halve graad. Alles koelt af. De straat, de bomen en de muren moeten eerst nog koud worden. Ze geven nog een etmaal lang warmte af. Nu bel ik aan. Almachtige God, zie mijn benauwdheid. Dit is de laatste deur.’

Hij hield de knop vijf tellen lang ingedrukt en wachtte. ‘Niemand,’ zei hij. ‘Niemand.’ Hij belde opnieuw aan, trad achteruit en bleef voor de portiek staan. ‘Niet thuis, die zak,’ mompelde hij. ‘Hier sta ik.’ Hij begon naar huis te lopen.

‘Uit de diepten heb ik geroepen,’ zei hij bij zichzelf, ‘maar mijn stem is niet gehoord. Bessen-appel. Nu ga ik op weg naar huis. Eeuwige, enige, onze God, ik ga naar mijn ouders. Zie mijn ouders.’ Zijn ogen werden vochtig.

‘Eeuwige, enige, almachtige, onze God,’ zei hij zacht, ‘vestig uw blik op mijn ouders. Zie hen in hun nood. Wend uw blik niet af.’ ‘Luister,’ zei hij, ‘mijn vader is doof als de pest. Hij hoort weinig, het is niet de moeite van het noemen waard. Schiet voor de grap een kanon bij zijn oor af.

Dan vraagt hij, of er gebeld wordt. Hij slurpt bij het drinken. Hij schept suiker met de dessertlepel. Hij neemt het vlees in zijn vingers. Hij laat winden, zonder dat iemand er een nodig heeft. Hij heeft spijsresten achter zijn gebit. Hij weet niet, waar de gulden in moet. Als hij zijn ei pelt, weet hij niet, waar de schaal heen moet. Hij vraagt in het Engels, of er nog nieuws is. Hij mengt het eten op zijn bord door elkaar. Eeuwige God, ik weet, dat het niet ongezien is gebleven.’

Er passeerde hem een groep van zes meisjes, die naast elkaar gearmd, nu eens hard holden, dan weer hun vaart inhielden. ‘Hij morst bij het uitkloppen van zijn pijp,’ fluisterde hij, toen ze voorbij waren. ‘Hij maakt postzegels weg. Niet expres, maar hij maakt ze weg. Je bent ze kwijt, en daar gaat het toch maar om. Hij veegt zijn vingers af aan zijn kleren. Hij zet de radio af. Als ik sol zeg met de vork, denkt hij, dat ik gek ben. En hij prikt in de schalen. Dat is onrein. En vaak heeft hij geen das aan. Maar groot is zijn goedheid.’ Hij bleef staan en tuurde over het water. ‘Zie mijn moeder,’ zei hij zacht. ‘Ze zegt, dat ik gezellig thuis moet blijven. Dat ik de witte slipover aan moet doen. Ze bakt oliebollen met verkeerde stukjes appel. Dat zal ik u bij gelegenheid wel eens uitleggen. Ze maakt de kachel aan met een heleboel rook. En ze heeft de zoldersleutels laten verbranden. Almachtige, eeuwige, ze dacht dat ze wijn kocht, maar het was vruchtensap. De lieve, de goede. Bessen-appel. Ze gaat bij het lezen met haar kop heen en weer. Ze is mijn moeder. Zie haar onmetelijke goedheid.’ Hij veegde met zijn mouw een traan uit zijn rechter ooghoek en liep verder.

‘Duizend jaren zijn voor u als de dag van gisteren,’ ging hij voort, ‘en als een wake in de nacht. Zie de dagen van mijn ouders. De ouderdom nadert, ziekten nemen bezit van hen, en er is geen hoop. De dood nadert, en het graf gaapt. Een graf is het eigenlijk niet, want ze komen in een urn: daar betalen we elke week voor.’ Hij schudde het hoofd.

‘Zie hen,’ fluisterde hij. ‘Er is voor hen geen hoop. Ze leven in eenzaamheid. Waar ze om zich heen tasten, is leegte. Hun lichamen zijn een prooi van het verval. Haar heeft hij nog wel op zijn kop, een flinke bos. Nee, kaal is hij niet. Maar dat komt nog wel.’

Hij had de huisdeur bereikt. ‘Vrede,’ dacht hij, ‘het is voorbij. Het is vrede. Een verheven blijmoedigheid stijgt op.’ Met voorovergebogen hoofd ging hij naar binnen, klom zacht de trap op en liep langzaam door de gang. In de huiskamer stond zijn vader in ondergoed bij de kachel. ‘Goedenavond,’ zei Frits. ‘Zo, mijn jongen,’ antwoordde de man. ‘Hoe kan iemand zoon uitpuilende buik krijgen?’ dacht Frits. ‘Een zwangere huisknecht.’

‘Almachtige God,’ zei hij bij zichzelf, ‘zie dit. Hoe heet zulk ondergoed met hemd en broek uit één stuk? Hansop, geloof ik.’ Hij bekeek de kleding nauwlettend. Aan de achterkant, onder aan de rug, was een lange vertikale spleet, die open stond. ‘Ik kan zijn reet zien,’ dacht hij. ‘De klep om te kakken staat open.’ ‘Almachtige God,’ zei hij bij zichzelf, ‘zie toe: zijn reet is te zien. Zie deze man. Het is mijn vader. Behoed hem. Bescherm hem. Leid hem in vrede. Hij is uw kind.’

‘Frits, ben je terug?’ vroeg zijn moeder uit de achterkamer. Hij ging er binnen. Ze lag te bed. ‘Was er nog wat op straat?’ vroeg ze. ‘Niet veel,’ antwoordde hij, ‘een paar vuurpijlen.’

Zijn vader kwam uit de huiskamer binnen en stapte in bed. Hij deed de leeslamp, die op een stoel bij het bed stond, uit. ‘Blijf je niet te lang rondlopen?’ vroeg zijn moeder. ‘Ik ga meteen naar bed,’ antwoordde Frits.

‘Wel te rusten.’ ‘Val niet over het snoer,’ zei ze. Hij verliet, de benen hoog optillend, de kamer, deed het licht in de huiskamer uit en ging in de keuken zijn tanden poetsen. Plotseling hield hij op, liet de borstel in zijn mond staan en spreidde de armen uit. Met grote passen liep hij naar de spiegel in de gang en ging er voor staan. Hij trok de borstel uit de mond.

‘Ik leef,’ fluisterde hij, ‘ik adem. En ik beweeg. Ik adem, ik beweeg, dus ik leef. Wat kan er nog gebeuren? Er kunnen rampen komen, pijnen, verschrikkingen. Maar ik leef. Ik kan opgesloten zijn, of door gruwelijke ziekten worden bezocht. Maar steeds adem ik, en beweeg ik. En ik leef.’ Hij liep terug naar de keuken, voltooide het poetsen en betrad zijn slaapkamer.

‘Konijn,’ zei hij, het konijn op de arm nemend, ‘je straf is ingetrokken, gezien je grote verdiensten voor de zaak.’ Hij zette het dier op de schrijftafel, sloot de gordijnen en begon zich uit te kleden. Toen hij gereed was, trommelde hij zich met de vuisten op de borst en betastte zijn lichaam. Hij kneep in het vel van de nek, in de buik, de kuiten en de dijen. ‘Alles is voorbij,’ fluisterde hij, ‘het is overgegaan. Het jaar is er niet meer. Konijn, ik ben levend. Ik adem, en ik beweeg, dus ik leef. Is dat duidelijk? Welke beproevingen ook komen, ik leef.’

Hij zoog de borst vol adem en stapte in bed. ‘Het is gezien,’ mompelde hij, ‘het is niet onopgemerkt gebleven.’ Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap.

Amsterdam, Zondag 18 Mei 1947.