Levend aas

Inge Steenhuis tekent en schrijft over haar geboortestreek Oost-Groningen.

Illustratie Inge Steenhuis

Iedereen die voor zijn plezier dieren fokt kent het probleem van de overgebleven mannetjes. De vrouwtjes wil je houden, daarmee ga je verder. Een mannetje moet nieuw bloed geven en die koop of huur je elk seizoen opnieuw.

Mijn baas fokt kippen voor de lol. Soms laat hij een nestje uitbroeden, zoekt de hennetjes eruit en zit dan met de haantjes. Leveren aan de bio-industrie kan niet want de Europese regelgeving staat dat niet toe. Leveren aan groene slagers kan niet want de haantjes zijn niet gecertificeerd. Hij vroeg op mijn werk in de kantine wie ze wilde hebben. Onze conciërge hoorde deze vraag en riep zonder een seconde na te denken enthousiast: „Leem daas!” Hij is kampioen snoekbaarsvangen en begon zijn plan in detail uit te leggen: mijn baas moest de haantjes levend in het Ter Apelkanaal voor zijn huis gooien, om het kwartier een paar. Hij zou dan met de vrienden van de visclub klaarzitten en de snoekbaarzen zouden overal vandaan toeschieten. Levend aas, geweldig.

Sommige hoogopgeleide diervriendelijke collega’s verstonden het eerst niet en begrepen het daarna niet. Hoe kon iemand zoiets stuitends voorstellen? Zij kopen hun kip bij de groene slager. Die laat 16-weeks haantjes van de vrije uitloop ondersteboven in een rij hangen zodat ze met hun koppen onder water terechtkomen. Door het water gaat een stroomstoot zodat ze verdoofd raken om daarna biologisch verantwoord het mes op de keel te krijgen. Je houdt je hart vast hoe het er in de serieuze bio-industrie aan toe gaat. In beide gevallen vloog ik liever één keer in een vrije val boven het Ter Apelkanaal om daarna door een snoek opgegeten te worden.