Gevluchte Ghadeer (14) werkt elke dag in Turks naaiatelier

Uit Syrië gevluchte kinderen in Turkije moeten uit werken, omdat hun ouders geen werkvergunning krijgen.

De Syrische Emina Ramadan in textielatelier in Istanbul. Op de foto linksboven methaar broer Ghadeer, die ook in een atelier werkt, en haar zus.Foto’s Marga Zambrana

De 14-jarige Ghadeer Ramadan moet zich haasten om op tijd op zijn werk te komen. Hij werkt van acht tot half acht ’s avonds in een textielfabriek op de vierde verdieping van een pand in Esenler, een stadsdeel van Istanbul. Zijn ontbijt is een glas melk met suiker. Daarna trekt hij de deur achter zich dicht en dendert de vier trappen vanaf de kale tweekamerwoning naar beneden.

Zijn zusje Emina van twaalf begint vandaag later, om twee uur. Ze helpt bij het afronden van een partij witte overhemden voor de Israëlische markt. Ze knipt de draadjes af die uit de naden steken. Of ze staat bij de machine waar de versteviging voor de boorden wordt geperst. Daarvoor krijgt ze maandelijks 600 lira, minder dan 200 euro.

In Turkije werken steeds meer Syrische kinderen. De ruim 2,3 miljoen Syrische vluchtelingen zijn legaal in het land. Maar ze krijgen geen uitkering of huisvesting. Omdat ze ook geen werkvergunning kunnen krijgen moeten ze alles aangrijpen om rond te komen.

Van de ongeveer 600.000 leerplichtige Syrische kinderen in Turkije gaat zo’n 15 procent naar school. Betrouwbare statistieken over kinderarbeid zijn er niet. Doordat veel Syriërs na vier jaar oorlog door al hun financiële reserves heen zijn, moeten ook hun kinderen gaan werken.

Ghadeer werkt al sinds zijn elfde. Vorig jaar kon hij dankzij donaties van Canadese Syriërs negen maanden naar school. Die donaties zijn gestopt, zegt zijn moeder Salwa (41). Ze heeft de kinderen weer van school gehaald omdat het gezin anders niet rondkomt.

Selwa blijft thuis bij haar dochter Rukaia van 9 jaar. Voordat het gezin drie jaar geleden Syrië ontvluchtte, is ze 95 procent van haar gehoor kwijtgeraakt, toen naast haar een bom afging. In Turkije is haar gehoorapparaat kapotgegaan. Doordat ze niet meer hoort, vergeet ze hoe ze moet praten.

„Ik kan zelf niet werken”, zegt Salwa. „Ik ben wel gegaan, maar ik moet van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds staan. Ik ben te dik. Ik heb diabetes en cholesterol.” Vader Ali is twee maanden geleden naar Syrië teruggegaan. Eerst belde hij iedere dag. Nu hebben ze al een maand niets van hem gehoord. „Het was gemakkelijker toen hij er nog was.”

Ghadeer werkte eerst in dezelfde textielfabriek als zijn vader. Toen die vertrok heeft zijn moeder hem meegenomen naar een ander naaiatelier, waar nog zo’n twintig anderen werkten. De manager vroeg: ‘Waar is hij goed in?’ en nam hem twee weken op proef om te bepalen hoeveel hij zou betalen. Ghadeer strijkt nu vijf dagen per week en krijgt 700 lira (ongeveer 220 euro) per maand. De werknemers mogen tijdens het werk niet praten.

„Ik voel me moe, uitgeput”, zegt hij ’s ochtends, voor hij naar zijn werk gaat. „Ik zou naar school moeten. Ik verspeel mijn toekomst.” Hij zit stil naast zijn zusjes op de bank en begint in zijn ogen te wrijven.

Het is een kwartier lopen naar zijn werk. Esenler is een dichtbevolkte wijk die sinds de jaren 60 snel is gegroeid. Aan de rommelige straten is te zien dat de huizenblokken er eerder waren dan de infrastructuur. ’s Ochtends rijden volle busjes met forenzen af en aan tussen woonblokken.

Turkije is grote textielexporteur

Te midden van de hoogbouw zit een web van textielateliers, op de verdiepingen en in kelders. Turkije is een grote textielproducent. In 2014 werd voor 27,7 miljard dollar geëxporteerd. Meer dan de helft ging naar Europa.

Doordat in de textiel ongeveer 60 procent van het werk zwart is, en er veel wordt gewerkt met kleine onderaannemers, vinden veel vluchtelingen werk in de sector. „De kans is groot dat kleding die wij in Europa kopen, vooral T-shirts, ook door Syrische vluchtelingen en kinderen zijn gemaakt”, zegt Ruth Vermeulen. Zij houdt namens de Fair Wear Foundation, een ngo die ijvert voor betere omstandigheden in de kledingindustrie, toezicht op de arbeidsomstandigheden in Turkije.

Het probleem wordt onderkend, zegt Vermeulen, maar nog niet aangepakt. „Kinderarbeid was enorm afgenomen in de Turkse industrie. Door de vluchtelingen is het nu weer in opkomst. Dat is niet goed voor het imago van Turkije als productieland. Dat weten ze zelf ook.”

Ramazan Boyuince heeft vijftig werknemers, onder wie Emina Ramadan. Zij is de jongste. „Ze doet zoveel als ze kan”, zegt hij over haar. De meeste orders komen uit Irak, Israël en Libië. De concurrentie is hard, zegt Boyuince. De Turkse economie heeft bovendien te lijden onder de oorlogen in het Midden-Oosten, een bijna burgeroorlog in het zuidoosten van het land en Russische sancties.

De komst van Syriërs heeft de industrie geholpen, zegt hij eerlijk. „De reden dat ze hun land moeten verlaten is natuurlijk treurig, ook voor ons, we zien ze als broeders. Maar we hebben er ook iets aan. Er was een personeelstekort in onze sector en dat hebben zij opgelost.”

De moeder van Emina hemelt Boyuince op als werkgever. „Er is hier veel werk. Maar het is moeilijk mensen te vinden die ook daadwerkelijk betalen.” Zonder dat haar kinderen werken lukt het gewoon niet, zegt ze. „In Syrië hadden we een eigen zaak en een tweede huis dat we verhuurden. Arm zijn valt me zwaar.” Ze wonen in twee kamers met schaarse meubels, afdankertjes van Turken uit de buurt. De huur is 500 lira per maand. Dat is bijna het hele salaris van Emina.