Chaos en frustratie over zorg laten zien: maatschappij is ook lokaal moeilijk maakbaar

Ook aan goed nieuws over de gezondheidszorg zit dit jaar een zwarte rand. Het goede nieuws is dat na de overheveling van rijkstaken in de gezondheids- en jeugdzorg aan gemeenten het afgelopen jaar de continuïteit van de zorg in elk geval grotendeels gehandhaafd is. Datzelfde geldt voor de thuishulp sinds marktleider TSN Thuiszorg (40.000 klanten) uitstel van betaling aanvroeg omdat de verliezen te hoog werden.

2015 was het eerste jaar van de decentralisatie van (jeugd)zorgtaken, het jaar waarin een hervorming op papier een voordeel in de buurt, in de stad, in de gemeente moest opleveren.

Maar het was ook een hervorming die een bezuiniging is: gemeenten moeten het doen met een kwart minder dan de rijksoverheid placht te besteden.

Vanuit de gemeente en de burgers bezien is het wel zo praktisch om continuïteit van zorg als prioriteit te nemen. Maar toch, en dat is die zwarte rand, bleek de decentralisatie tot chaos en frustratie te leiden, namelijk bij de persoonsgebonden budgetten (pgb’s).

Met deze pgb’s huren mensen zelf hun zorgverleners in. De overheveling naar gemeenten en naar betaalkantoor SVB, de Sociale Verzekeringsbank (kinderbijslag, AOW-uitkeringen), was hét hoofdpijndossier voor talloze hulpverleners, én voor de SVB en staatssecretaris Van Rijn (Volksgezondheid, PvdA). Hij doorstond zes Tweede Kamerdebatten over alleen al dit deel van zijn portefeuille. Verwachting voor 2016: niet alle problemen zijn opgelost, zei bestuursvoorzitter Vermeulen van de SVB deze week.

De verwachtingen en beloftes van de decentralisatie zijn niet of nauwelijks waargemaakt. Dat hoeft niet te verbazen. De maakbaarheid van de samenleving die door politici op landelijk niveau nogal eens wordt overschat, laat zich op lokaal niveau ook niet zomaar regelen. Onder raadsleden is het een veelgehoorde klacht dat zij in hun controlerende taak op achterstand staan. Burgers voeren vaker rechtszaken over de keuzes van hun gemeente.

De VNG, Vereniging van Nederlandse Gemeenten, erkent dat het beloofde ‘maatwerk’ en de ‘integrale samenwerking’ nog in de kinderschoenen staan. Wethouders zijn wel gretig om nieuwe taken naar zich toe te trekken en de relevantie van hun gemeente te vergroten, maar ze overschatten hun kennis en capaciteit om die naar behoren uit te voeren. Elke gemeente pakt het op haar eigen manier aan – dat is wat het Rijk graag wilde, want elke gemeente weet het beste, of zou dat moeten weten, wat voor haar burgers het meest geschikt is. Maar dat gaat met 390 gemeenten (stand per 1 januari 2016) potentieel wel om evenzoveel manieren om aanbestedingen te doen, controles uit te oefenen, declaraties te betalen en kwaliteit te meten. Zoals een zorgaanbieder opmerkte: er gaan hier bij nijpende tekorten eerder zorgverleners uit dan mensen op de administratie, want zonder hen geen geld. Decentralisatie is ook: lof der boekhouders.

De nieuwe bureaucratie is een aspect die deze decentralisatie van zorgtaken gemeen heeft met de invoering van een totaal nieuwe zorgverzekering tien jaar geleden. Die gaf de aanzet tot schaalvergroting bij verzekeraars, ziekenhuizen en andere zorgaanbieders. Maar meer macht voor de consument, die jaarlijks een nieuwe verzekeraar mag kiezen, bleek niet zaligmakend om de kosten te beteugelen. Ook ‘ouderwets’ achterkamertjesoverleg tussen minister en ‘zorgveld’ bleek dat te kunnen.

Wat blijft zijn de klachten dat verzekeraars de kwaliteit van de zorg te weinig laten meewegen in hun beleid en dat gemaakte kosten wel worden gefinancierd en de preventie niet. Dat zijn ook onderwerpen waarmee gemeenten in 2016 aan de slag moeten.