'Mama mag me wel, maar niet heel veel'

Dit is het verhaal van twee broertjes in Rwanda. En wat er in dat land gebeurt als je moeder niet voor je kan zorgen.

Hirwa met zijn broertje Jean-Cloude. Foto's Anaïs López

Januari 2015

Hij had de telefoon nooit aan Jean-Cloude moeten geven. Zijn broertje mag dan al tien zijn en bijna even sterk, maar Jean-Cloude maakt altijd alles stuk. Ze zitten naast elkaar op bed. Hirwa kan zijn ogen niet afhouden van de kapotte Tecno. Dit komt nooit meer goed. En ze zijn hier nog maar net. 

Jean-Cloude zit nog steeds op het bed als ze binnenkomt. Hun moeder ziet meteen de kapotte telefoon. Ze slaat hen en schreeuwt dat ze hen nog veel erger zal slaan als ze weer thuiskomt. Dan loopt ze weg. Hirwa, pas twaalf, weet het niet meer. Ze moeten weg, zijn broertje en hij. Hij zoekt het notitieboekje waarin mama haar geld bewaart en grist al het geld eruit. Dan rennen ze de steeg door, onder het blauwgele reclamebord voor Primusbier. Ze wachten bij de grote weg op de bus. Hirwa geeft al het geld, 6.000 Rwandese frank (7 euro), aan de chauffeur. Ze willen terug naar het weeshuis, terug naar school.

Een week geleden droomden ze er nog van om weer met hun moeder samen te zijn. Ze woonden de afgelopen jaren in het weeshuis op de heuvel aan het meer. Totdat het bericht kwam dat het weeshuis werd gesloten en alle kinderen moesten worden opgehaald. Jean-Cloude had ’s nachts weer in zijn bed geplast. Hij moest op de grond gaan slapen en Hirwa was naast hem gekropen. Waarom kwam hun moeder niet?

Jean-Cloude en Hirwa in Kigali

Ineens was ze er. Ze droeg een zwart jurkje en ze lachte met haar hand voor haar mond. Jean-Cloude had gestraald, maar Hirwa zag hoe bezorgd ze keek. De volgende ochtend waren ze op de bus gestapt. De zon was al onder toen ze Kigali bereikten, maar overal scheen licht. Er waren auto’s, motors, hoge gebouwen, reclameborden en heel veel mensen. Ze liepen over een brede, onverharde weg, langs het blauwgele Primusbord, een steeg in, een poort door. Hirwa zag een groot huis met zwarte deuren, de hut van zijn moeder lag tegenover het huis. Die had geen ramen. Er stond een bed en op het streepje vloer voor het bed stonden potjes nagellak, vaseline en een tube Colgate. Ze liet hen ’s avonds achter met het mobieltje, terwijl zij ging werken in de bar. Soms bleef ze een nacht weg. Zij moesten op het erf blijven, want er was geen geld om naar school te gaan.

Jean-Cloude bij zijn moeder thuis in Kigali

April 1994

Farida Nyirasinamenye, de moeder van Hirwa en Jean-Cloude, was vijf toen in 1994 in Rwanda een van de grootste genocides van de twintigste eeuw uitbrak. In drie maanden tijd vermoordden opgejutte Hutu’s zeker 800.000 Tutsi’s en gematigde Hutu’s, vooral met kapmessen. Farida’s vader was Hutu maar overleed net voor de massaslachting. Haar moeder was Tutsi.

Haar moeder vluchtte, baby op de rug en haar drie kinderen aan de hand, naar een school even buiten hun dorp Rubengera. Daar hielden zich meer mensen schuil, ze hoorden dat de moordenaars de volgende dag zouden komen. Die ochtend duwde haar moeder hen paadjes op die Farida nog nooit had gezien, naar het huis van hun vader, waar zijn eerste vrouw nog met haar kinderen woonde. Toen ze hun vaders huis konden zien, stuurde ze de kinderen weg en liep zelf terug. Farida was pas vijf, maar ze wist al dat ze haar moeder niet meer terug zou zien.

Farida (27) met haar Tecno-mobieltje voor de deur van haar kamer.

Tutsi-leider Paul Kagame en zijn rebellen vielen vanuit Oeganda binnen en namen de macht over. Duizenden mensen belandden achter de tralies. Kinderen bleven ontheemd achter. Buitenlandse hulporganisaties richtten weeshuizen in; weeskinderen werden opgeroepen zich te melden. Eind jaren negentig telde Rwanda, een dichtbevolkt heuvelachtig landje met elf miljoen inwoners, 34 weeshuizen. 

Zo belandden Farida en haar broer en zus in een weeshuis. Farida ging naar school en leerde lezen en schrijven. Ze was de een-na-beste van de klas, ze droomde ervan om minister te worden. Maar de weeshuizen konden de toestroom van wezen niet aan en stuurden kinderen die nog familie hadden terug. Farida en haar broer en zus werden naar haar vaders eerste vrouw gestuurd. Ze kreeg een matras mee, maar Farida zou er uiteindelijk nooit op slapen. Er was niet genoeg eten en toen duidelijk werd dat ze niet meer naar school konden, besloten ze weg te lopen. Haar broer en zus vonden allebei een gezin waarbij ze konden inwonen als hulp in de huishouding. Farida liep naar Karongi en vond daar een familie die kamers verhuurde en een hulp konden gebruiken.

Farida was dertien en moest koken en wassen. Een oudere huurder, die op het erf woonde, hielp haar. Ergens tussen het hout sprokkelen, het erf schoonvegen en water halen, begreep ze dat ze niet meer terug zou gaan naar school. Ze legde het aan met de huurder en een paar maanden later was ze zwanger.

Februari 2002

De man verdween en Farida hoefde niet meer terug te komen. Op 24 februari 2002 beviel ze van een jongetje: Dorice Hirwa. Hirwa betekent geluk in het Rwandees. Op zoek naar een warm bed, liet ze zich voortaan betalen voor seks. Een man huurde een kamer voor haar en haar baby en bleef soms slapen. Een paar maanden later was ze weer zwanger. Tegen de huisbaas hield ze vol dat de man ieder moment terug kon komen, maar na vijf maanden werd Farida met haar peuter en baby op straat gezet. Ze sliepen in het park. Mensen dachten dat ze gek was. Farida schaamde zich, ze maakte Hirwa ’s ochtends wakker als de muezzin opriep voor gebed en dan slopen ze weg voordat de mensen wakker werden.

Hirwa en Jean-Cloude op het erf van Farida’s hut in Kigali.

Hirwa was anderhalf toen Kadogo hem vond. Kadogo, een oud-soldaat die stemmen hoort, was net uit het ziekenhuis ontslagen toen hij om vier uur ’s ochtends daar een jongetje zag zitten, gehuld in een deken. Hirwa’s moeder lag in het ziekenhuis te bevallen. Hirwa ging met Kadogo mee naar huis. Kadogo praatte met geesten en sloeg mensen, maar Hirwa wist dat hij hem niets aan zou doen.

Hirwa bracht veel tijd door met Kadogo. Maar toen hij een jaar of vijf was, moest Kadogo weer worden opgenomen. Farida, die na de bevalling hiv-positief bleek, zwierf met Jean-Cloude nog steeds op straat. Oudere straatjongens leerden Hirwa geld stelen van reizigers bij het busstation, en fruit en koekjes van de markt, en dan ging hij op zoek naar Jean-Cloude en mama en deelde zijn buit. Of hij sliep met hen bij Joyce, die een restaurant had naast het busstation.

Op een dag vertelde Joyce hen dat hun moeder naar Kigali was vertrokken. Ze zei dat ze bij haar konden wonen. Hirwa was zeven. Hij geloofde haar niet en trok er met zijn broertje op uit om hun moeder te zoeken. Ze liepen langs de weg, toen een auto stopte. De bestuurder vroeg of ze een lift wilden. Ze hadden niet door dat hij van de politie was. Ze stapten in en werden naar het weeshuis gebracht, uren verwijderd van Karongi.

Hirwa vond het er vreselijk. Iedere ochtend om half vijf ging de gong en kwam de patron hen halen voor de kerkdienst. Zo vroeg in de ochtend wilde Hirwa alleen maar slapen en nu zou hij vast in de hel komen. Jean-Cloude hing graag rond bij de keukens, hij probeerde schillen te stelen en dan sloegen oudere kinderen hem. Ze pestten Jean-Cloude om zijn dikke buik, terwijl hij altijd honger had. Maar uiteindelijk wende het toch en was het fijn om er niet meer alleen voor te staan. En fijn om net als alle andere kinderen naar school te gaan.

Jean-Cloude en Hirwa in het weeshuis

Farida wachtte drie jaar voordat ze haar kinderen in het weeshuis opzocht. Ze wist waar ze zaten, een man die ze nog kende uit Karongi had het haar verteld, maar ze durfde niet. Ze kon de gevangenis indraaien voor het in de steek laten van haar kinderen. Na drie jaar ging ze toch. Ze reisde de hele dag en bleef toen buiten het hek staan kijken naar de voetballende jongens en de meisjes die in hun schooluniform langs liepen. Het deed haar denken aan haar eigen tijd in het weeshuis. Een bewaker sprak haar aan. Hij verzekerde haar dat ze niet bang hoefde te zijn. Een van de verzorgers, Mado, riep Hirwa en Jean-Cloude. Farida kon bij hen blijven slapen. De volgende dag nam ze weer afscheid. Hirwa werd kwaad, maar Farida wist dat zij hen deze luxe nooit kon geven: twee maaltijden per dag, een bed en school.

’s Avonds om zeven uur, toen het al donker was, waren Hirwa en zijn broer in de tweepersoons stapelbedden tegen elkaar aangekropen en hadden het over later. Jean-Cloude wilde soldaat worden en president. Hirwa wilde dokter worden, net als Fisto, want als je dokter bent, dan ben je rijk. Hij wilde nooit meer in de regen slapen, nooit meer worden weggejaagd.

Hirwa (links) met zijn broertje Jean-Cloude in het weeshuis l’Esperance bij het Kivumeer.

Oktober 2013

Toen Hirwa hoorde dat het weeshuis ging sluiten, dacht hij dat ze allemaal naar de gevangenis gingen. Maar wat hij en Jean-Cloude niet wisten, was dat aan de andere kant van de wereld mensen bedachten dat kinderen beter af zijn in gezinnen. Een aantal hulporganisaties waaronder Unicef en USAid richtten in 2003 het Better Care Network op, met een lobbykantoor recht tegenover het VN-gebouw in New York. In 2010 nam de VN de richtlijn voor kwetsbare kinderen aan, waarin staat dat kinderen thuis horen in gezinnen en werd het beleid van landen aan die richtlijn getoetst. Rwanda wilde het eerste land ter wereld zijn zonder weeshuizen. Het regime heeft een hekel aan het beeld van zielige Afrikaanse kindertjes die geholpen moeten worden door buitenlandse hulporganisaties. Rwanda wil geen ontwikkelingsland meer zijn. In 2011 werd vanuit de overheid de National Commission for Children opgericht, die besloot dat alle 3.323 weeskinderen in het land eind 2014 weer bij gezinnen moesten wonen. In december 2014 stelde Rwanda op het hoogste niveau de voorgenomen sluiting alsnog uit; het bleek niet haalbaar. Maar voor weeshuis l’Esperance, waar Hirwa en Jean-Cloude woonden, kwam dat te laat. In het najaar van 2014 werd het weeshuis wekelijks gebeld door de lokale autoriteiten met de vraag hoeveel kinderen ze al hadden weggestuurd.

Jean-Cloude en Hirwa lopen langs het weeshuis

En zo kwam het dat Farida werd gebeld, eerst door de directeur van het weeshuis, toen door Mary Kamanzi die met haar organisatie Peace Plan kinderen aan onderdak hielp, en uiteindelijk door Mado, de medewerker van het weeshuis die voor haar kinderen zorgde. Als ze haar kinderen niet kwam halen, werden ze opgegeven ter adoptie. Wat moest ze nu?

Farida was net van de straat. Ze was huishoudster geworden bij een Keniaas expatgezin. Ze verdiende 20.000 franc (24 euro) per maand en ze kreeg nog eten en onderdak ook. Op straat ving ze slechts een euro en Farida wilde het niet meer. Ze had zweren in haar gezicht gekregen, het nachtleven maakte haar ziek. Maar ze kon onmogelijk met twee puberzonen bij haar werkgever wonen. Ze moest kiezen: haar baan of haar kinderen. Toen belde de directeur en gaf de telefoon aan Jean-Cloude. Hij zei overmoedig: ‘Mama, we komen eraan.’ Ze miste hen. Ze was bang dat ze kwaad op haar zouden zijn als ze hen af zou staan.

Een paar weken later trok Farida haar nette zwarte jurkje aan en was ze naar het weeshuis afgereisd. De volgende ochtend hadden ze de bus gepakt van het weeshuis naar Karongi. Pas bij het vallen van de avond hadden ze Kigali bereikt. Ze had de jongens mee terug genomen naar een kamer die ze op een erf had gehuurd. Ze had geen geld om ze naar school te sturen. Ze had niet eens geld voor het eten. Ze was weer gaan werken en liet de jongens ’s nachts in haar eenpersoonsbed slapen.

Jean-Cloude en Hirwa aan het werk

Januari 2015

Vier dagen na hun aankomst, breekt Jean-Cloude de telefoon. Dat is het moment waarop ze wegrennen. Als Hirwa het geld aan de chauffeur overhandigt en de bus weer in beweging komt, denkt hij dat het hen gaat lukken. Dan stopt de chauffeur, opent de deur en gebaart hen mee te komen. Hij kent het hier niet. Hij ziet twee mannen in donkerblauwe politie-uniformen voor een gebouw. Een groep mannen en vrouwen worden er binnen gebracht, ze zitten aan elkaar vast en moeten knielen in een hoek. Wat Hirwa en Jean-Cloude niet weten, is dat pal achter dit politiebureau in de wijk Gikondo een illegaal detentiecentrum staat, waar prostituees en tot voor kort ook straatkinderen zonder proces werden vastgezet.

De chauffeur duwt Hirwa en Jean-Cloude naar een man die op een verhoging achter een bureau zit. Hirwa begint te stotteren, zoals altijd als hij bang is dat hij iets verkeerd gedaan heeft. „Wwwwe-e willen naar school”, legt hij uit. „We willen terug naar Karongi, want we willen terug naar school.”

Als mama hen komt halen, ontwijkt ze de blik van de agent, maar ze knikt als hij tegen haar zegt dat ze haar kinderen naar school moet sturen. Op het erf komt de huurbazin naar hen toe. Ze legt uit dat ze zijn weggelopen omdat ze naar school willen. Hirwa staart naar de vloer. Hij wil zijn moeder geen pijn doen, maar hij wil echt naar school.

Farida is opgelucht als ze de jongens weer ziet. Toen de politie belde en zei dat ze haar kinderen moest komen halen, wist ze dat ze moest stoppen met drinken. De huurbaas belooft de jongens naar school te brengen, en dan herinnert Farida zich Mary Kamanzi. Ze belt haar op. Mary stuurt een pastoor.

Farida’s hut. Op een houtskoolbrandertje wordt buiten gekookt.

De pastoor heeft rijst, bonen en olie bij zich en geeft haar een bedrag van rond de 6 euro. Hij laat haar tekenen voor de ontvangst van 24 euro. Hij zegt dat ze van nu af aan lid zijn van zijn kerk, de Pinksterbeweging, en dat ze drie keer in de week met haar jongens naar zijn dienst moet komen.

De pastoor belooft de huur voor haar te betalen als ze een beter huis vindt, een huis van waaruit ze een eigen bedrijfje kan beginnen. Maar als ze de pastoor belt dat ze een huis gevonden heeft, heeft hij het te druk. Pas vier maanden later krijgt ze weer geld. Hirwa en Jean-Cloude gaan trouw naar de dienst. Het is een half uur lopen, langs het politiebureau. Ze gaan graag. Als de pastoor maar zorgt dat ze naar school kunnen blijven gaan.

Mary Kamanzi komt met een ouder blank stel langs en geeft haar bij het afscheid 12 euro. Farida is blij met het geld, maar het lost haar problemen niet op. Farida’s grootste zorg is dat ze geen medicijnen krijgt om haar hiv te bestrijden. Ze is al bij twee ziekenhuizen geweest. Maar ze vragen om een doorverwijsbrief van het ziekenhuis in Karongi. Die heeft ze niet. Ze heeft zich opnieuw laten testen en kreeg weer te horen dat ze hiv-positief is.

Toen ze haar vroegen of ze echt niet al ergens geregistreerd stond, biechtte ze op dat ze zich in Karongi had laten testen en toen waren ze weer begonnen over die doorverwijsbrief. Ze had geknikt. Ze is al twee keer terug geweest en als ze haar verzekeringsnummer niet weet, kunnen ze haar dossier niet terugvinden in het ziekenhuis in Karongi. Hoe lang zal ze haar nachtleven en haar ziekte nog voor haar kinderen verborgen kunnen houden? Zouden ze bij haar blijven als ze weten dat ze ziek is?

Als Jean-Cloude (links) weer in zijn bed plast, wordt hij naar de grond verbannen en kruipen Solomon (9, midden) en Hirwa naast hem.

Juni 2015

Het is zomer 2015, kwart voor één ’s middags en Hirwa en Jean-Cloude lopen langs de grote weg waar ze vijf maanden eerder in de bus stapten. Hirwa leunt met zijn onderarm op de schouder van zijn broer. Ze dragen allebei een gele blouse en een groene broek. De dikke buik van Jean-Cloude is weg. Mama slaat hen nog steeds, maar Hirwa probeert ervoor te zorgen dat ze niets verkeerd doen.

„Mama mag me wel, maar niet heel veel”, zegt Jean-Cloude.

„Mama houdt wel van je”, zegt Hirwa. „Ze heeft een zwaar leven en soms als mensen een moeilijk leven hebben, dan doen ze hun kinderen weg. Maar mama heeft ons niet weg gedaan.”

„Hmmm.”

„En nu als ze de hele nacht wegblijft, laat ze toch altijd geld voor ons achter voor ontbijt?”

Op de stoep sluiten meer kinderen zich aan in gele blouses met groene broeken, in een lange sliert langs de huizen, om het zanderige voetbalveld heen, naar twee rechthoekige, bakstenen gebouwen bovenop de heuvel.