Lezen, luisteren én kijken: hoofdstuk negen van ‘De Avonden’

Voor liefhebbers van schrijver Gerard Reve (1923-2006) is het een traditie: in de laatste tien dagen van het jaar De Avonden (1947) herlezen. Dit jaar doet NRC mee. Van 22 december tot Oudejaarsdag elke dag een hoofdstuk. Vandaag: hoofdstuk negen.

Illustratie Pepijn Barnard

Klik op de play-knop en beluister de eerste alinea van hoofdstuk negen van De Avonden, voorgelezen door de auteur.

Toen hij maandagmiddag na kantoortijd zijn fiets uit de stalling haalde, bleek de voorband lek te zijn. Hij liet bij een straatlantaarn het wiel langzaam ronddraaien en ontdekte een kopspijker, die diep was doorgedrongen. Hij trok hem uit, tastte in zijn jaszak tot hij een stukje rood potlood vond en zette op de band en de velg een streep. ‘Ik weet, hoe het verder gaat,’ dacht hij. ‘Ik zet hem in het hok en doe er niets aan. Ik kom er niet toe. Voorlopig te voet.’

Luister hieronder het hele negende hoofdstuk

Er hing een fijne mist. Hier en daar stonden op het asfalt nog kleine plassen van de regen, die smorgens was gevallen. ‘Dit is mist,’ zei hij bij zichzelf, ‘die bezig is in regen over te gaan. Het is regen, die bijna zwaar genoeg is om te dalen.’ Voortlopend, betastte hij van tijd tot tijd zijn jas, die vochtig werd.

‘Het einde van het jaar nadert,’ dacht hij. ‘Ik loop hier in de stad, door de mist, naar huis, terwijl het donker wordt. Het zijn de laatste dagen van het jaar.’ Het voorwiel bij de zijstraten behoedzaam optillend, liep hij voort over de trottoirs. ‘Toch is dit het goede weer om te kunnen nadenken,’ mijmerde hij verder. ‘Bij deze atmosfeer beseft men zijn werkelijke waarde.’ Hij begon zacht, half neuriënd, te zingen. Toen hij voor de huisdeur stond, dacht hij: ‘Er is geen enkele geldige reden, waarom deze avond zou moeten mislukken. Ik heb een vermoeden, dat hij slaagt. Een avond, waarvan het verloop van te voren vaststaat, kan onmogelijk een mislukking worden. Men dient zich niets meer voor te stellen, dan verwacht kan worden, dat is alles.’

Media-redacteur en Reve-fan Wilfred Takken leidt het negende hoofdstuk op locatie in:

Toen hij de huiskamer binnenkwam, zei zijn moeder: ‘Je bent wat later.’ Ze zat aan tafel een brief te schrijven. ‘Ja, iets later,’ zei Frits. ‘Een ontroerende zorg omringt me,’ dacht hij. Hij keek toe, hoe ze haar hoofd hield en de pen op het gelijnde papier voortbewoog. ‘Men moet niet onredelijk zijn,’ dacht hij, ‘het zijn mensen, kinderen van God.’ Hij wilde juist gaan neuriën, toen ze vroeg: ‘Hoe vind je die afschuwlijke, natte kou? Het gaat overal doorheen. Er is niets zo erg als die drijfnatte kou.’

‘Och,’ zei Frits, ‘het heeft zijn voordelen. De vorst is weg. Het is best mogelijk, dat het de hele verdere winter niet meer vriest. Nat, natuurlijk, maar als je een jas aandoet, heb je er geen last van.’ ‘Ik voel het altijd zo aan mijn kop,’ zei ze. Frits ging naar zijn slaapkamer, bleef voor de boekenkast staan en nam het speelgoedkonijn in de hand. ‘Symbool van zachtmoedigheid, dier der verzoening,’ mompelde hij, hield het naast zijn gezicht en keek in de spiegel. ‘Het is geen fraai hoofd,’ dacht hij, ‘ik heb een zieke ziel.’

Toen hij iemand door de gangdeur hoorde binnenkomen, herkende hij, na even luisteren, zijn vader aan de voetstappen en de ademhaling bij het ophangen van zijn overjas. ‘Hij heeft mij verwekt,’ dacht hij. ‘Laat ik hem welwillend beschouwen.’ Hij klopte op het konijn, zodat er stof uitkwam, zette het weer op zijn plaats en ging naar de huiskamer.

‘Dag vader,’ zei hij bij het binnentreden. ‘Dag mijn jongen,’ antwoordde de man. Hij was bij de kachel gaan zitten en tastte met een vinger aan een kies. ‘Men mag denken, wat men wil,’ dacht Frits, ‘maar onredelijk mag men nooit worden.’ Hij ging naar de keuken, dronk langzaam water uit een scheplepel en keek uit het raam.
Beneden stonden, van elkaar gescheiden door de tuinheining, de bruine hond van de benedenburen en de witte keeshond van de buren daarnaast, tegenover elkaar. ‘Een bizondere kans,’ dacht hij, vulde een kom met water, maar goot hem weer leeg in de gootsteen. ‘Het geeft geen werkelijke vreugde,’ zei hij hardop. ‘Ik doe het niet.’

Hij liep naar de zijkamer, stak de gaskachel aan en ging na, hoe ver de kraan kon worden dichtgedraaid, voordat de vlammen uitgingen. ‘Onnozel tijdverdrijf,’ dacht hij. Zijn moeder riep hem voor het eten.

Hij at werktuiglijk van de rode kool, aardappelen, bieten en de havermoutpap. Toen ze klaar waren, haalde zijn vader zijn pijp te voorschijn, klopte op zijn zakken, stak hem weer bij zich en nam van de boekenkast een doosje sigaren. Zodra Frits het in zijn hand zag, vroeg hij, neerkijkend op de tafel: ‘Wil je niet een pijpje shag van mij stoppen, vader?’ ‘Nee, laat maar,’ antwoordde de man glimlachend. Hij bood Frits een kleine sigaar aan.

Terwijl zijn moeder de tafel afruimde, werd er gezwegen. Naar gelang de tafel leger raakte, voelde Frits in zich een spanning groeien. ‘Nu met verstand en gevoel een vraag stellen,’ dacht hij. ‘Eerst een paar woorden om het gehoor te scherpen.’

‘Abadida didonkolo bolde netsowan intedus, vader,’ zei hij, ‘igatedo bewank dedestel.’ ‘Wat?’ vroeg de man, zich naar hem toe buigend. ‘Vader,’ vroeg Frits, ‘hoe oud was je, toen je naar de fabriek ging? Belangrijk jonger dan thans is toegestaan, of niet?’ ‘Dat is in elk geval een kwartier gesprekstof,’ dacht hij. ‘Als het zo ver is, zie ik wel verder.’

‘De fabriek?’ vroeg zijn vader. Hij fronste het vel van zijn voorhoofd. ‘Twaalf jaar was ik toen. In de weverij.’ ‘Was je toen al meteen bij de wevers?’ vroeg zijn moeder. Ze vouwde het tafellaken dicht. ‘Ik dacht, dat je eerst in een ander deel van de fabriek werkte.’ ‘Nee, welnee,’ zei zijn vader, zijn mond vertrekkend als tegen koude wind. Langzaam ontspanden de trekken zich weer. ‘Vader,’ vroeg Frits, ‘hoe laat begon je toen, en tot hoe laat?’ ‘Om half zeven,’ antwoordde de man, de handen voor zich uit leggend en de vingers in elkaar schuivend, ‘tot zeven uur.’ ‘De tiende keer is het nog niet,’ dacht Frits. ‘Was er schafttijd?’ vroeg hij. ‘Ja,’ antwoordde zijn vader, ‘van twaalf uur tot half twee.’

‘Ja, ja,’ zei Frits. ‘Nu nog even vragen van het bankje,’ dacht hij. ‘Ik kan me haast niet indenken,’ zei hij, ‘een jongen van twaalf jaar in een fabriek, tussen die vreselijke machines. Daar moet een kind toch gek van worden, of niet? Als iets een beetje hoog was, dan kon je er niet eens bij, of wel?’ ‘Nu komt het bankje,’ dacht hij.

‘Ze hadden een bankje voor me neergezet,’ zei zijn vader, met de handen omvang en hoogte aangevend. ‘Ja.’ Hij keek voor zich uit, perste de lippen opeen, zette de vingertoppen op elkaar en zei: ‘Als ik op dat bankje stond, kon ik overal bij.’ Zijn ogen gingen iets wijder open en stonden strak op de overgordijnen gericht.
‘Nee,’ dacht Frits, ‘hier eindigt de spot. Hoort, hoort.’

‘Als je binnenkomt,’ zei zijn vader, ‘is de hele zaal nog donker. Er branden alleen een paar petroleumlampen. Om half zeven beginnen de grote assen, boven’ – hij bewoog de opgeheven armen – ‘te draaien. Eerst langzaam. Dan gaat het licht aan, geleidelijk.’ ‘Net als op het toneel,’ zei Frits, ‘als het doek opgaat. Dan wordt het aldoor lichter, maar je kan niet zien, dat het telkens op zwaardere stroom geschakeld wordt.’ ‘Je ziet,’ ging zijn vader verder, ‘je ziet die heel lange as met tandwielen, die is zo lang als de hele fabriek, die begint te draaien’ – hij maakte een tollende handbeweging in de lucht – ‘en dan brandt het licht, en dan begint het.’

‘Is het een dreunend geluid of een rammelend geluid?’ vroeg Frits. ‘Alles wordt toch overstemd, niet?’ Zijn vader knikte. ‘Ik bedoel: overstemt alleen het zoemen, het dreunen, of is het al dat geratel van al de machinedeeltjes samen?’ ‘Een tamelijk onzinnige vraag,’ dacht hij. ‘Allebei,’ antwoordde zijn vader. ‘Je kunt er helemaal niet tegenin praten. Je spreekt met gebarentaal, met de handen.’ Hij leunde met zijn slaap op zijn rechter vuist en streek met de vrije hand over zijn haar.

‘Hoe lang heb je daar gewerkt?’ vroeg Frits. Zijn vader antwoordde niet. ‘Vader,’ vroeg hij opnieuw, ‘hoe lang heeft dat geduurd? Hoeveel tijd ben je daar geweest?’ ‘Vijf jaar,’ antwoordde de man, met een duim aan zijn kiezen voelend.

Frits stond op, ging naar zijn slaapkamer en bleef voor de schrijftafel staan. Hij doofde de sigaar, die nog maar half was opgerookt en legde hem in de penhoudergleuf van een inktpot. ‘Ik moet niet te laat, maar ook niet te vroeg weggaan,’ zei hij bij zichzelf. ‘Niet zo, dat ik het gevoel heb: ik ben de eerste, uit verveling te vroeg gekomen. En ook niet: ik kom op het laatste ogenblik, omdat het me alleen om de film te doen is. Nee, midden op de avond, tussen acht en negen. Dat is de beste tijd.’ Hij rolde een sigaret en zei hardop: ‘Deze artikelen zijn met de handen verpakt en niet met de vingers aangeraakt.’ Hij nam het konijn op, kuste het op de snuit en ging er mee op de rand van zijn bed zitten. ‘Je bent mijn lief, goed konijn,’ zei hij hardop, ‘zo is het. Trek je er niets van aan.’ Hij voelde in zijn ogen tranen opkomen, klemde duim en middelvinger om de hals van het dier en beet in een van de lange, stijve oren. ‘Bah,’ zei hij, spuugde wolpluisjes uit en zette het weer op het boekenkastje. Na even heen en weer gelopen te hebben, pakte hij het weer, maakte twee knopen van zijn overhemd los en legde het onder zijn hemd tegen de blote borst. Hij ging op de stoel voor de schrijftafel zitten, haalde het dier weer te voorschijn, klemde het tussen zijn benen in het kruis en streelde de oren achterover. ‘Het is hier koud,’ zei hij hardop, duwde het dier achter een rij boeken, deed het licht uit en ging voor het raam staan. ‘De avond is gekomen,’ mompelde hij.

Hij liep weer naar de huiskamer. Onderweg hoorde hij de stemmen van zijn ouders in de keuken. ‘Dat is een gemak,’ dacht hij, ‘mijn vader helpt afdrogen.’

Hij zette de radio aan, zonder de stand van de schaal te veranderen. De nieuwsberichten waren aan de gang. Nog voordat de stem luid was geworden, zette hij een ander station aan en luisterde naar een akkordeonist, die een musettewals speelde. Zijn moeder stak het hoofd om de deur en vroeg: ‘Weet je precies, hoe laat het is? Waarschuw je, als de nieuwsberichten er zijn? Vader wil ze graag horen.’ ‘Ik zal opletten,’ antwoordde hij. Ze verdween weer. Hij zocht het eerste station op, hield het zacht aan en wachtte, tot de nieuwsuitzending geëindigd was en de sportuitslagen werden omgeroepen. ‘Ja, hier is het nieuws, moeder,’ riep hij.

‘Nieuwsberichten!’ hoorde hij zijn moeder in de keuken roepen. Zijn vader kwam binnen, liep snel op de radio af en ging er op de divan voor zitten. ‘Verrek,’ zei hij, ‘het is al geweest.’ ‘Het is jammer,’ zei Frits, ‘ik had hem op de andere zender en ik wachtte te lang. Ze komen anders altijd op die zender. Toen het erg laat werd, toen heb ik het op deze geprobeerd en toen waren ze al aan de gang. Het beste deel van het programma heb je gemist. Zonde en jammer.’ ‘Hoepla, hoepla, hoeplala,’ zei hij bij zichzelf. ‘Wat doen we nu verder?’ dacht hij, ‘het is acht uur geweest. Het beste kunnen we vertrekken en langzaam lopen.’ Zijn vader liep met gebogen hoofd de kamer uit. ‘Daar gaat hij,’ dacht Frits. ‘Het leven is niet eenvoudig.’ Hij zette de radio af.

Even daarna kwam zijn moeder met de afwas binnen. ‘Ik ga naar Bep Spanjaard.’ zei hij, ‘en vandaar gaan we naar een nachtfilm in Lantaarn, om half twaalf.’ ‘Hoe laat kom je dan in godsnaam thuis?’ vroeg ze. ‘Dat zal wel een uur of twee worden,’ antwoordde hij, ‘doe geen knip op de deur.’ ‘Jij wordt nog wel eens een keer gek,’ zei ze. ‘Zeker,’ zei Frits, ‘ik ben een flink eind in de richting gevorderd. Maar vertel het niet aan anderen.’ ‘Zou er ergens redding zijn?’ dacht hij. Zijn vader kwam binnen en vroeg: ‘Wat is er? Waarover is er weer kabaal?’ ‘Nee vader,’ zei hij, ‘het is een kwestie van luid spreken om iets uit te leggen.’ ‘Wat is dat voor een film, waar de mensen snachts heen gaan?’ vroeg zijn moeder. ‘Het zijn De Groene Weiden,’ antwoordde Frits langzaam.

‘Waar gaat die over?’ vroeg ze. Ze stond voor het buffet. Zijn vader was op de divan gaan liggen. ‘Dat ga ik nu vanavond zien,’ antwoordde Frits. ‘Veel plezier,’ zei ze. ‘In looppas,’ mompelde Frits in zichzelf. ‘In draf. Er uit, er uit.’ Hij trok zijn jas aan zonder de mouweinden van zijn colbertjasje vast te houden, zodat ze tot de ellebogen opgeschoven kwamen te zitten. ‘Dat komt wel in orde,’ zei hij zacht, ‘eerst buiten zijn.’ ‘Dag ouders,’ riep hij om de deur van de huiskamer, ‘een genoeglijke avond. Mochten er bezoekers voor me komen, zeg dan maar, dat meneer Van Egters heel laat thuiskomt; zeg maar, dat wachten erg lang kan duren.’ Hij sloot zacht de deur en sprong, op de leuningen steunend, bij drie treden tegelijk de trap af.

‘De mist is nog niet geheel weg,’ zei hij, toen hij buiten stond. Hij haalde in zijn neus slijm op en dacht: ‘Als ik geen nieuwe levertraan koop, word ik onherroepelijk verkouden. Maar ik vergeet het. Het laatste heb ik al een week geleden gebruikt. Het gemis laat zich al na een dag of acht voelen.’ Voortlopende schoof hij met wringende bewegingen van de armen de mouwen van zijn jasje weer naar beneden.

In de steeg bleef hij voor de woning van Bep Spanjaard een minuut lang naar de verlichte ramen kijken, voordat hij aanbelde. Hij hoorde lachen en luid iets roepen, maar kon het niet verstaan. De deur werd met grote kracht opengetrokken en sloeg tegen de trapmuur.

‘Frits,’ riep hij. Bovenaan de trap stonden Jaap Elderer en een onbekende jongeman. ‘Jawel,’ schreeuwde Jaap, ‘natuurlijk. Als we zeggen: bah bah, daar is Frits, dat is ook niet aardig.’ ‘Goed hoor, en jou?’ vroeg hij luid, toen Frits boven was, ‘dit is Eduard.’ Frits drukte de onbekende de hand. Deze was fors van gestalte en droeg een bril met een zwaar, donker montuur. Zijn zwarte haar was pluizig en stond stug naar achteren en naar opzij. Het gezicht was rond en had nergens een hoekige plaats. De ogen waren klein, de neus was kort en de mond had lange, smalle lippen. ‘Iemand met dit uiterlijk moet geen vlinderdasje dragen,’ dacht Frits. Hij bekeek het zwart met wit gespikkelde strikje, dat scheef zat. ‘Hoe was de naam ook weer?’ vroeg hij. ‘Eduard Hoogkamp,’ antwoordde de jongen met een klankloze, fluisterende stem. ‘Je bent een grote zak,’ zei Frits bij zichzelf.

Met zijn drieën traden ze de kamer binnen. Aan weerszijden van de potkachel zaten Bep en Joosje. Tegenover hen stonden twee lege stoelen. Jaap en de jongen, die zich als Hoogkamp had voorgesteld, namen elk op een er van plaats, schikten opzij en maakten ruimte voor Frits, die op een bankje, dat hij uit de hoek haalde, tussen hen in kwam zitten. ‘Met zijn vijven om de haard,’ zei hij. Hij haalde zijn portefeuille te voorschijn, trok er een biljet van een gulden uit en reikte het Bep aan. ‘Alsjeblieft,’ zei hij, ‘of is het meer geworden?’ ‘Je hoeft hier geen entree te betalen,’ zei Jaap, ‘maar consumptie is verplicht.’ Bep nam de gulden zwijgend aan.

‘Wat zal er nu het eerst gezegd worden?’ dacht Frits. ‘Het laat zich niet raden, en toch is het niets nieuws.’ Allen bleven zwijgen. ‘Bep heeft niets gezegd en Jaap eigenlijk ook niet,’ dacht hij. ‘Zo pas, net voordat ik kwam, heeft iemand iets verteld, waar ze nog over nadenken. Dat is het.’

‘Jaja, meneer Van Egters,’ zei Jaap, ‘hoe is het weer buiten?’ ‘Nevelig, om u te dienen,’ antwoordde Frits.

‘Jawel,’ zei Jaap, met een triomfantelijke uitdrukking rondziend, ‘wat is het in het voorjaar toch mooi, als alles zo groeit. Ik heb het klein hoefblad al in bloei gezien, nu is het wachten op de herfstasters, dan hebben we het weer gehad. Jaja, allee allee oi oi oi, het is wat te zeggen, buurman.’ ‘God Christus,’ dacht Frits, ‘ik ben nauwelijks binnen.’ ‘Laten we ergens gewoon over praten,’ zei hij. ‘Als iemand iets weet, laat hij het dan zeggen.’ ‘Hou jij niet van bloemen?’ vroeg Jaap, het hoofd scheef houdend en zijn gezicht in een grijns trekkend, ‘dat valt me erg, heel erg van je tegen.’ ‘Schei uit, schei uit,’ zei Bep giechelend. Hoogkamp kuchte. ‘Van negen tot elf moet ik hier zitten,’ dacht Frits.

‘Het wonder van de bloemen,’ ging Jaap door, het hoofd heen en weer wiegend. ‘Als je eens goed kijkt, hoe die meeldraden en die stamper gegroeid zijn.’ Hij rekte de hals uit en zei op een toon, alsof hij het voorlas: ‘Dat is iets heel moois eigenlijk. Dan komen de ijverige bijen – ’ Bep en Frits schoten in de lach. ‘Jaja, jaja,’ zei Jaap en smakte met de lippen.

‘We zullen eens voor koffie zorgen,’ zei Bep en begon in te schenken uit een groen geëmailleerde pot, die ze van de kachel nam. ‘Ik niet,’ zei Frits. ‘Ik ook niet,’ zei Hoogkamp. ‘Je moet rekenen, hij is pas ziek geweest,’ zei Jaap. ‘Het enige, wat er opzit, is meedoen,’ dacht Frits.

‘Het is hier vanavond ongelooflijk melig,’ zei hij. ‘Joosje en Bep zijn vrouwen, die kunnen gerust zwijgen. Maar meneer Hoogkamp, u moest eigenlijk een ware geschiedenis vertellen.’ ‘Nu kunnen we horen, wat voor een zak je bent,’ dacht hij. ‘Nou, op het ogenblik schiet me niks te binnen,’ zei Hoogkamp glimlachend. ‘We zijn nog even ver,’ dacht Frits. ‘U hebt groot gelijk om geen koffie te nemen,’ zei hij, ‘ik doe het ook niet.’ ‘God beware,’ dacht hij, ‘wat een ellende. Nu voorwaarts.’ ‘Jaap, vertel me eens,’ zei hij, ‘hoe je er met de haaruitval voorstaat.’ ‘Jezus,’ zei Joosje.

‘Het groeit stevig,’ zei Jaap, over zijn haar strijkend. ‘Nee, dat onderwerp loopt vast,’ dacht Frits. ‘Toch maar doorgaan.’ ‘Ik zou een grens willen trekken,’ zei hij. ‘Ik zou de kaalheid willen indelen in drie gebieden: kaalheid door een ziekte die indirekt invloed op de haargroei heeft, bijvoorbeeld typhus – ’ ‘Help me onthouden, dat ik die vertel van die weddenschap,’ zei Jaap. ‘Dan,’ zei Frits, ‘kaalheid als gevolg van een haarziekte of een vetziekte en ten derde kaal worden door ouderdom. En nu denk ik, dat het bij jou geval nummer twee is: een haarziekte.’

‘Weet jij die mop van die vent, die tegen een kennis zegt: jij bent niet gezond, je hebt vast bloedarmoede?’ vroeg Jaap. ‘Hij zegt: jij hebt vast bloedarmoede. Welnee, zegt de ander. Vast en zeker, zegt de eerste, waarom gewed? Ze wedden om vijf en twintig gulden en die tweede gaat naar de dokter om zich te laten onderzoeken. De eerste, die wacht voor de deur. Na een tijdje komt die ander dansend en springend naar buiten’ – hij spreidde de armen met vliegbewegingen uit – ‘en die schreeuwt: Ha! Gewonnen! Ik heb maagkanker!’

Bep en Frits lachten, Joosje vertrok haar mond tot een glimlach, maar Hoogkamps gezicht stond onbewogen. ‘Wanneer heb ik die eerder gehoord?’ dacht Frits. ‘Met een andere ziekte er in. Het is niet zo lang geleden. Het is alles hetzelfde.’ ‘Dat kan je nu allemaal wel zeggen,’ zei hij, ‘om de aandacht af te leiden, maar het is bij jou een haarziekte.’

‘Toch hoeven oude mensen niet kaal te worden,’ zei Joosje. ‘Mijn grootvader had een flinke bos haar, tot het laatste toe.’ ‘En toch dood,’ zei Frits, ‘daar is niets aan te doen.’ ‘Mijn grootvader leeft nog,’ zei Hoogkamp langzaam. ‘Hij heeft nog volop haar op zijn hoofd.’ ‘Haar of geen haar,’ zei Frits, ‘boven de zestig moesten ze eigenlijk allemaal worden afgemaakt. Pijnloos.’ ‘Toe, schei uit,’ zei Joosje.

‘Ja, waarachtig,’ ging Frits verder, ‘geen misplaatste zachtmoedigheid. Dat is dom. Oude mensen zijn een plaag. Zodra ze moeilijk lopen, zich bevuilen, beginnen te klagen of aan tafel morsen – weg! Een slag achter de oren met een zware staaf en dan in de kalkput. Of niet, Bep?’ ‘Ik heb nooit last van oude mensen gehad,’ zei Bep.
‘Je kan hoog of laag springen,’ ging Frits door, ‘maar lastig zijn ze. Meneer Hoogkamp, u bent weliswaar nog beneden de zestig, maar stellig hebt u hierover uw mening gevormd; zoudt u ook willen zeggen, dat u nooit last van die oude rommel hebt gehad?’

‘Wij hadden een oude tante in huis,’ zei Hoogkamp op een onbewogen toon, alsof hij uit zichzelf het woord had genomen en niet op een vraag antwoordde, ‘en die sabbelde bij het lezen.’ Hij griste met een plotselinge beweging een krant achter zich van de tafel, spreidde hem op zijn schoot uit en maakte, terwijl hij met de ogen de tekst volgde, sabbelende geluiden bij het met de lippen uitspellen van de woorden. ‘Wat was dat?’ vroeg Joosje. ‘Ja,’ zei Eduard langzaam, ‘ze las niet hardop, maar ze mompelde. Of eigenlijk was het geen mompelen, het was een soort – ’ Hij nam zijn kin in de hand en zweeg.

‘En wat deed jij dan, Eduard?’ vroeg Jaap. ‘Ik?’ zei Eduard. ‘Niks. Ze heeft heel lang werk gehad om te overlijden. Dat heeft meer dan tien jaar geduurd. Ze heeft er volop de tijd voor genomen.’

‘Misschien ben je toch wel een gezellige kerel,’ dacht Frits ‘Nee, oude mensen, dat is niks,’ zei hij. ‘Net wat je zegt,’ zei Jaap. ‘Vandaag heb ik mijn grootvader begraven. Ja hoor, hij is er onder.’ ‘Die oude, die gierige?’ vroeg Frits. ‘Waarom vertel je me dat nou pas? Ik ben dol op begrafenissen. Of belazer je de boel? Was je vandaag bij een begrafenis?’

‘Nou ja,’ zei Jaap, ‘je moet begrijpen, dat ik niet zoveel aandacht voor eigen leed opeis. Het is een gevoelig verlies voor de familie. Ik kan er moeilijk over spreken. Laat me alleen.’ Hij keek omhoog, schudde met snelle bewegingen het hoofd en zei, de lippen tot een o vormend: ‘Die arme, arme man.’

‘Nee, is het nou onzin?’ vroeg Frits. ‘Is het die opa, waar je in het ziekenhuis een paar keer al naar toe was geweest?’ ‘Precies,’ antwoordde Jaap. ‘Je had natuurlijk vrij,’ zei Frits, ‘of niet?’ ‘Allicht,’ zei Jaap, ‘familie in de eerste graad, of is dat niet de eerste graad?’ Hij haalde een zakje shag te voorschijn en begon te draaien.

‘Was het een nette begrafenis?’ vroeg Frits. ‘Dat wordt nou al de derde keer,’ zei Joosje, ‘ik heb het al twee keer gehoord.’ ‘Natuurlijk,’ zei Jaap, ‘ik zie in, lieverd, dat het je aangrijpt, maar denk ook aan mij.’ Zich weer tot Frits wendend, zei hij: ‘Eerst in de Voetstraat. Nette rouwkamer. Daar kom je en daar ligt een boek, dat je kunt tekenen. Het is er mooi zwart betimmerd, heel stemmig.’ ‘Was het tweede klas?’ vroeg Frits. ‘Nee, derde, maar toch heel mooi. We zaten daar zo een half uurtje, tot iedereen er was, en toen kwam er een lange kerel’ – hij deed het lopen na door het bovenlichaam heen en weer te draaien en wendde zijn oogballen naar boven – ‘die zei: Mijn naam is Horen, ik ben de leider van de plechtigheid. Mag ik u wel mijn deelneming betuigen? Willen de aanwezigen me volgen naar de aula? Dan loop je heel onnozel op een rij achter elkaar naar die aula. Daar staat de kist in een soort nis. Allemaal ga je zitten en dan doen ze een beetje tidelidelititi op het orgel en dan loop je, met je handen op je rug even langs de kist. Die is open, met een glasplaat er over. Je moet even vaart inhouden en iets zeggen. Bijvoorbeeld: hij lijdt niet meer. Of: een mooie dode. Dat kan je altijd zeggen. Misschien in dit geval niet, want zijn hals was nog dikker dan zijn kop.’

‘Hoe oud is die grootvader van je geworden?’ vroeg Frits. ‘Hij bereikte de gezegende leeftijd van zes en zeventig jaar,’ antwoordde Jaap. ‘Een korst op zijn hoofd, zó dik.’ Hij duidde tussen duim en wijsvinger een afstand van ongeveer twee centimeter aan. ‘Je bent niet erg fris, Jaap,’ zei Hoogkamp. ‘Een korst?’ vroeg Frits. ‘Hoe bedoel je dat?’ ‘Nou,’ zei Jaap, ‘ze hebben hem telkens bloedtransfusies gegeven. Dat bloed raakte hij even hard weer kwijt, anders was hij gebarsten, als een ballon; maar het leek wel, of het in de buurt van zijn kop was gaan stollen. Een hals, zowat zo breed als zijn schouders: een geweldige krop. En een dikke korst op zijn kop, net of het door zijn vel was gebroken en hard was geworden.’

‘Wat speelden ze op het orgel?’ vroeg Frits. ‘Dat weet ik niet,’ zei Jaap. ‘Je weet, in de muziek ben ik niet zo goed thuis. Toen het uit was, kwam die kerel weer. Trekt een gordijntje dicht voor de kist. Aan de andere kant trekken ze hem dan weg. Hij las de namen op voor de volgautoos. Buiten staan ze keurig in de rij, hoeden voor hun buik. Ik zat in de laatste auto en ik keek achterom door het ruitje. De portieren waren nauwelijks dicht of die kerels renden met zijn allen naar een Fiatje en kropen er met zijn achten in. Meteen stuift hij weg. Als je dat niet weet en je komt op Veldrust, dan denk je: het is een godswonder: dezelfde kerels weer, met hun hoeden in hun hand. Maar ze zijn in een geweldige vaart, om de begrafenisstoet heen, vooruit gereden. Dan weer naar de aula van de begraafplaats. Weer op het orgel en dan zegt die kerel: Langzaam… ja! Dan hebben ze de kist op hun schouders.’

‘Het is eigenaardig, dat niemand anders iets zegt,’ dacht Frits. ‘Net of we met ons tweeën zijn.’ ‘Ging de kist in zoon houten raam, met een mechaniek, naar beneden?’ vroeg hij. ‘Zo: rrr?’ ‘Ja, prachtig is dat, hè?’ zei Jaap. ‘Hoe deden ze dat vroeger? Met touwen niet?’ ‘Ja,’ zei Frits. ‘De kunst was, om de kist mooi recht in de kuil te laten. Niet op zijn zij en ook niet vertikaal. Dat is zo naar voor de familie. Beneden, op de bodem, hebben ze dan twee balkjes liggen, waarop de kist komt te rusten en dan kunnen ze de touwen rustig ophalen.’
‘Vind je dat geen mooi ogenblik, als de kist naar beneden gaat?’ vroeg Jaap. ‘Nu moet iemand anders mee gaan praten,’ dacht Frits, ‘anders houd ik het niet meer uit.’ ‘Bij goedkope begrafenissen,’ zei hij, ‘zal er wel eens een gekanteld zijn. Dat ze op hun zij kwamen te liggen, of op hun kop te staan.’

‘Wisten jullie,’ vroeg opeens Hoogkamp, ‘dat ze soms, als ze mensen opgraven, dat ze dan in een heel andere houding gevonden worden dan waarin ze zijn begraven? Die schijndood zijn geweest?’ ‘Is dat waar?’ vroeg Jaap. ‘Ja zeker,’ vervolgde Hoogkamp, ‘het zijn er niet één op de honderd, dat niet, maar het komt voor.’ ‘Uit jou word ik niet wijs,’ dacht Frits. Hij keek naar Joosje en Bep, die al enige tijd, zonder zich te bewegen, zaten te luisteren. ‘Ik kan me niet voorstellen,’ zei hij, ‘dat zoiets in deze tijd nog voorkomt.’ ‘Het kan zich voordoen bij electrische ongevallen,’ zei Hoogkamp. ‘Dan kan het zijn, dat geen levensfunkties meer waarneembaar zijn. Ook niet met de stetoskoop. Maar als ze vijf uur lang kunstmatige ademhaling geven, hebben ze soms het leven er weer in.’ ‘Ik heb het in de gaten,’ zei Jaap, ‘als ze het maar vier uur doen, dan gaat hij voor dood het doosje in. Dat lijkt me aardig, om beneden wakker te worden. Waar ben ik? Is er niemand thuis?’
‘Een gezellige avond,’ zei Bep. ‘Hij heeft het altijd over hetzelfde,’ zei Joosje.

‘Er zijn veel mensen,’ ging Hoogkamp voort, ‘die willen, dat er een mesje door hun hart gestoken wordt, als ze dood zijn. Zo bang zijn ze daarvoor. Er zijn wel lijken opgegraven, die helemaal dubbelgevouwen lagen. Of op de knieën. Hadden zich schrap gezet tegen de deksel.’

‘Onbegonnen werk,’ zei Frits. ‘Waar gaat dit heen?’ dacht hij, ‘veel erger, dan ik had kunnen verwachten.’ ‘Kunnen ze dat dan na zoveel jaren nog zien?’ vroeg hij. ‘Na veertig, vijftig jaren?’ ‘Na twintig jaar,’ zei Jaap. ‘Als het geen eigen graf is, met koopakte, dan word je na twintig jaar weer naar boven gehaald.’ ‘Dan zijn je botten toch ook allang leeg gerot, niet?’ vroeg Frits.

‘Als er niets bizonders met de grond is, wel,’ zei Hoogkamp. ‘Maar je hebt die zonderlinge kerkhoven in Friesland, en die gewelven, waar ze niet verrotten.’ ‘Mummies worden ze daar,’ zei Jaap. ‘Nee, niet altijd,’ ging Hoogkamp verder, ‘je hebt twee manieren. Je hebt kleigraven, die luchtdicht zijn. Daarin gebeurt met het lijk bijna niets. Hoogstens een beetje gisting. In die kelders is het weer anders. De ontbindingsgassen zouden kunnen ontwijken, maar er zit iets in de atmosfeer, een of ander aardgas, dat bederf verhindert. De doden drogen uit, maar ze verrotten niet.’

Ze zwegen. ‘Moet je dan weer terug naar de aula van de begraafplaats?’ vroeg Frits aan Jaap. ‘Of kan je dan gaan waarheen je wil?’ ‘Nee,’ zei Jaap, ‘naar het sterfhuis. Daar beginnen dan de ruzies.’ ‘Was er ruzie?’ vroeg Frits. ‘Nee, er was niks om ruzie om te maken,’ antwoordde Jaap. ‘Nee, dit keer was er geen ruzie. Met mijn oom, verleden jaar, ook niet. Maar ze waren wel klaar om te beginnen. Als er wat geweest was. We hadden een oom en iedereen dacht, dat die nog iets had. Dus: ja oom, dag oom en komt u nog eens aan, oom. Toen hij doodging, was er net genoeg om hem te begraven. En een paar vieze, afgezogen pijpen. Dag oom.’

‘Jullie zijn wel gezellig vanavond,’ zei Bep. ‘Waar is hij aan gestorven, je grootvader?’ vroeg Frits. ‘Aan verbloeding van binnen. Die darmen waren helemaal rot,’ antwoordde Jaap. ‘En die oom?’ ‘Die oom? Aan de suiker.’

‘Voorwaarts,’ dacht Frits, ‘er doorheen.’ ‘Maar dat is een heel interessante ziekte,’ zei hij. ‘De mensen, die daaraan doodgaan, zijn helemaal opgeblazen van het water. Een en al sap. En als ze dood zijn, springt het weefsel stuk en loopt het er uit. Dat moet een ontzettende stank zijn. Ik hoorde laatst, dat ze een dode vrouw – suikerziekte – die moesten ze van drie hoog de trap af dragen. Een nauwe trap. En de kist was lek. Soms takelen ze ook wel, heb ik gehoord, maar dat lijkt me een gek gezicht.’ ‘Onderuit,’ zei Jaap, ‘verhuizingen door geheel Europa.’

‘Houden jullie alsjeblieft eens op,’ zei Joosje. ‘We konden wel weer eens een sigaret opsteken,’ zei Jaap. Hij haalde zijn zakje shag te voorschijn en begon te draaien. ‘Jij een?’ vroeg hij Frits. ‘Nee,’ antwoordde deze, ‘ik heb zelf.’ Hij haalde zijn doos te voorschijn. Jaap presenteerde Joosje en Bep en Frits draaide Hoogkamp een sigaret.

‘We hebben dus de kanker en de suikerziekte gehad,’ zei Frits. ‘De olifantsziekte, dat is mooi,’ zei Jaap. ‘Dan zit je op je eigen ballen, als op een poef. Het zal je toch gebeuren.’ Frits schoot in een hoge, gillende lach, verslikte zich in een trek rook en hoestte. ‘Weet je, wat we nog niet behandeld hebben, of in ieder geval alleen oppervlakkig?’ vroeg hij, naar Bep en Joosje kijkend, die niet hadden meegelachen, ‘de vliegende tering.’ ‘Nu ga ik misschien te ver,’ dacht hij. ‘Te ver. Het is bijna half tien.’

Jaap wenkte hem, wees op Hoogkamp, zonder dat deze het zag en schudde het hoofd. Hij spelde op de lippen een paar woorden. ‘Ziek,’ las Frits uit een ervan. ‘Ziek,’ dacht hij, ‘ziek. Ik moet iets doen, iets zeggen. Het moet uitgewist.’ ‘Niet de gevaarlijke, maar de onsmakelijke ziekten zijn het ergste voor de omgeving,’ vervolgde hij. ‘Geloof jij niet? De kaas van difteritis in de mondholte.’ ‘Hou nou op,’ zei Joosje, ‘jullie zijn helemaal niet leuk.’ ‘Weet je, wat ook erg is?’ zei Jaap, zich de handen wrijvend, ‘het genabbi.’ ‘Het genabbi?’ vroeg Frits, ‘wil je wel geloven, dat ik daar nog nooit van heb gehoord?’ ‘Dat is,’ zei Jaap, ‘dan gaan je ogen aldoor met een knal open en dicht en dan spatten er heel fijne bloeddruppeltjes rond.’ ‘O,’ zei Frits lachend, ‘is het dat.’

Er werd gebeld. Bep ging opendoen. Ze hoorden iemand met grote snelheid en zware sprongen de trap opkomen. De kamerdeur werd met een klap opengeworpen en Louis Spanjaard trad binnen, Bep voor zich uit duwend. Hij was gekleed in een donkerblauwe zeiljumper en een grijze lange broek, waarvan de pijpen bij de enkels in witte sokken waren gestoken. Hij liep met grote stappen de kamer in en sloeg met beide handen tegelijk Jaap en Frits zo hard op hun schouder, dat ze elk een kreet gaven. ‘Er is nog wel een stoel in de keuken,’ zei Bep. Louis verdween achter het gebloemde gordijn en sleepte een stoel met een houten zitting aan; hij liet de achterste poten over de vloer schuren.

‘Kom je van je kamer?’ vroeg Frits. ‘Ik ben op Tessel geweest, twee dagen,’ zei Louis. Hij ging tussen Jaap en Frits in zitten en maakte naar weerszijden beurtelings boksbewegingen. ‘Ha, die Eduard,’ riep hij naar Hoogkamp. ‘Ga eens rustig zitten,’ zei Jaap, ‘en kalmeer eens wat, jongen. Je bent op het eiland Tessel geweest. En wat heb je al zo gezien? Vertel het maar met je eigen woorden.’

‘Ik heb gistermiddag gezwommen,’ zei Louis. ‘In zee?’ vroeg Frits, ‘dat zal niet te warm zijn geweest.’ ‘We moeten ons over niets meer verbazen,’ zei hij bij zichzelf. ‘Het was heerlijk, jawel,’ zei Louis. ‘Maar ik kon mijn kleren niet meer aankrijgen. Je moet ze zoon beetje over je lijf schuiven en dan rennen tot achter de duinen, en dan kun je proberen ze aan te trekken. Maar het ging niet. Ik ben maar de duinweg afgerend tot ik bij Vester was. Daar binnen ging het pas.’ ‘Hoe is dat nou, in het water?’ vroeg Bep. ‘Vrij koud,’ zei Louis, ‘maar het is te doen. Het was weer heerlijk.’

‘Heb je in zee gezwommen?’ vroeg Joosje. ‘Welnee,’ antwoordde Louis, ‘wie haalt dat nou weer in zijn hoofd, daar moet je wel gek voor zijn. Waar zie je me voor aan? We waren in het Zwemschoolbad. Je hebt onvoldoende geluisterd.’ Bep schonk hem koffie in.

‘Ik zou het, geloof ik, wel prettig vinden,’ zei Frits, ‘maar als je hart het niet hebben kan, blijf je dood in het water. Ik bedoel: als de kou te zwaar is en je verliest je adem, of je krijgt kramp, dan ben je weg. Want er is geen mens op het strand natuurlijk.’ ‘Jawel,’ zei Louis, ‘die mannetjes, die aan de zeewering knoeien. Die stonden heel eerbiedig te kijken. Ze vonden het erg flink, geloof ik.’

‘Maar als het mis was gegaan, was er toch geen een op je af gekomen om te helpen,’ zei Bep. ‘Dan was je verzopen,’ zei Frits, ‘gruwelijk. Dat lijkt me een vreselijke dood.’ ‘Welnee,’ zei Jaap, ‘je hoort klokken, klokgelui. En je spoelt vanzelf weer aan, het is een kwestie van geduld.’ ‘Wanneer heeft hij dat eerder gezegd?’ dacht Frits, ‘hij heeft het eerder gezegd.’ ‘Hoe laat gaan we precies weg, Bep?’ vroeg hij. ‘Tegen elven, op ons gemak,’ antwoordde Bep.

‘Waar gaan jullie naar toe?’ vroeg Louis. ‘We gaan naar de film,’ zei Frits. ‘Nachtvoorstelling in Lantaarn.’ ‘Wat draait er?’ vroeg Louis. ‘De Groene Weiden,’ antwoordde Frits, ‘om half twaalf. We hebben kaartjes.’ ‘Zou het uitverkocht zijn?’ vroeg Louis. ‘Ja, dat denk ik wel,’ zei Frits. ‘Ik denk het ook wel,’ zei Bep. ‘Ja,’ zei Jaap, ‘je kunt het natuurlijk proberen, maar veel kans zal je niet hebben.’

‘Kijk,’ zei Frits, ‘je kan natuurlijk straks meelopen naar Lantaarn. Zonder kaartje. En dan kom je aan de ingang en dan mag je afscheid van ons nemen. Dan zeggen we: dag! Jij blijft buiten staan. Misschien regent het dan wel. Verschrikkelijk.’ Hij boog zich voorover, draaide zich dichter naar Louis en vervolgde met gedempte stem: ‘Dat lijkt me iets ergs. Bij iemand op bezoek, die een kaartje voor de bioskoop of de schouwburg heeft. En dan meelopen, en dan alleen buiten blijven. Vind je niet?’ ‘Ja,’ zei Louis.

Bep en Joosje begonnen een zacht gesprek. Jaap krabde zich op het hoofd; Hoogkamp boog zich voorover en keek Frits aan. ‘Je moet weten,’ ging deze verder, ‘toen ik klein was, vond ik het een ongelooflijk feest, als we op reis gingen. Ik had erg diep medelijden met de mensen, die achterbleven: de kruiers op het perron, de fietsers en voetgangers bij de spoorovergangen. Ik ging op reis, logeren. Zij niet.’ ‘Hm,’ zei Louis. ‘Waar gaat het over?’ vroeg Jaap. ‘Over de jeugd,’ antwoordde Louis. ‘Meneer vertelt uit zijn jeugd.’ ‘Had jij dat niet, Jaap,’ vroeg Frits, ‘dat je de gedachte niet kon kwijtraken, dat – ’ ‘Precies,’ antwoordde Jaap, ‘ik voel het helemaal aan. Ik kan me eigenlijk geheel en al er in verplaatsen. Wat er al niet in een kinderziel omgaat.’ ‘Stik,’ zei Frits, ‘laat me even uitpraten. Ik bedoel – doe nou niet flauw – de gedachte, dat ik zou kunnen achterblijven op het station, per ongeluk. De anderen, die niet weten, waar ik ben, rijden weg. Die gedachte uitpluizen, steeds opnieuw, van het begin af aan, telkens – ’ Hij keek allen aandachtig aan, haalde diep adem en ging voort: ‘Ik bedoel, met die gedachte spelen. Je zult met zijn allen kamperen, een paar weken. De angst, dat je ziek zal zijn op de dag van vertrek. Of dat je in de verkeerde trein stapt. Dat aldoor uitdenken. Dat je je koffer zou kunnen verliezen. Dan krijg je medelijden met jezelf, dan kan je haast wel huilen. Had jij dat nooit?’ ‘Ja, ik begrijp het wel,’ zei Hoogkamp, ‘ik geloof wel, dat ik begrijp wat je bedoelt.’ ‘Jij kan beter je bek houden,’ dacht Frits. ‘Dan kun je jezelf kwellen,’ ging hij door, ‘op het station. Vlak voor het vertrek ging ik de trein uit. Even pissen. Dan dacht ik: de trein gaat weg, hij gaat weg. Als ik nog twintig tellen blijf staan, kom ik niet meer op tijd terug. Dan, tegelijk, verdriet hebben, dat je ouders in angst wachten. Ik wilde terug, maar ik kon niet. Ik moest in de pisbak blijven staan, terwijl ik allang klaar was. Nog tien tellen, nog vijf. En dan op het laatste ogenblik, als de trein al in beweging kwam, stapte ik in.’ ‘Ja, ja,’ zei Joosje. ‘Wat gaat dit iemand anders aan?’ dacht Frits. ‘Mijn moeder roepend aan het portier,’ vervolgde hij, ‘ik helemaal verdwaasd, afwezig. Wat is er? vroegen ze dan. Ik beefde nog na, af en toe een koude rilling. Ja, ik weet het nog goed. Begrijp jij dat Jaap, ken jij dat?’

‘Ik heb dat persoonlijk nooit gekend,’ zei Jaap, ‘maar ik kan het me indenken.’ ‘Zo is het nu met jou, Louis,’ zei Frits. ‘Je moet meelopen, je doet moeite bij de kassa, maar een plaats krijg je niet meer. Op het laatst is iedereen binnen en jij staat nog buiten. Ach, vreselijk, ach.’ Hij voelde zijn ogen vochtig worden. ‘Is dit normaal?’ dacht hij.

‘Jeugd is een heerlijk ding,’ zei Jaap. ‘Hoe dikwijls niet’ – hij keek met een triomfantelijke uitdrukking rond – ‘denk ik bij mezelf, ik denk: o, weer jong te zijn. Joehoe! Zo heerlijk stoeien en ravotten. Waar is die tijd gebleven, wat u zegt. En het komt niet meer terug.’ ‘Je bent verschrikkelijk,’ zei Bep. ‘Onderuit,’ riep Jaap, ‘recht op en neer. Lange halen, mooie kinderen.’

‘Ik moet weg,’ dacht Frits. ‘Even naar buiten, kracht verzamelen.’ ‘Bep,’ vroeg hij, ‘de Violenstraat, is dat die kant uit?’ Hij wees naar het westen. ‘Ik moet daar even een brief bezorgen. Daar komen we straks niet langs, wel?’ ‘Ik gedraag me als een zwakzinnige,’ zei hij bij zichzelf, ‘het is volkomen de andere kant op.’ ‘Nee,’ antwoordde Bep, ‘dat is de andere kant uit.’ ‘Goed,’ zei Frits, ‘ik ga hem even wegbrengen, anders blijft hij in mijn zak zitten.’ Hij trok zijn overjas aan, die over een buffetkastje lag en zei: ‘Voor elven gaan jullie niet weg? Goed. Voor die tijd ben ik terug.’

Toen hij buiten stond, trommelde hij zich met de vuisten op de borst, spuugde op de grond en snoof diep lucht in. ‘Mijn hoofd is ernstig ziek,’ dacht hij. ‘De zweer breidt zich uit.’ ‘De ziel is bedekt met talrijke ontstoken plekken,’ mompelde hij. Aan het eind van de steeg bleef hij staan en keek rond. ‘Nog vijf en twintig minuten,’ dacht hij, ‘laat ik kalm lopen.’ Hij sloeg rechts af wandelde naar het centraal station, slenterde door de hal, ging weer naar buiten en liep om het gebouw heen, langs de havenkade. De mist was iets dunner geworden, terwijl er een zwakke wind was waar te nemen.

‘De gedachten komen tot stilstand,’ zei hij bij zichzelf. ‘Al onze hoop is op de film gevestigd. Wordt die een mislukking, dan is de somberte niet te overzien.’ Hij wandelde dezelfde weg terug, vertraagde halverwege zijn pas en liep de steeg weer in. Beps buitendeur stond open. ‘Waarachtig,’ zei hij zacht, ‘ik heb hem laten aanstaan.’ Hij deed hem geruisloos achter zich dicht, sloop, elk geluid vermijdend door de uiteinden van de treden te gebruiken, naar boven, ging voor de kamerdeur staan en luisterde. ‘Ik luister aan de deur,’ dacht hij, ‘zover is het met mij al gekomen.’ Hij hoorde niets. ‘Ik kan ze aan het schrikken maken,’ dacht hij, ‘ik kan brommende en loeiende geluiden maken.’ Hij betastte zijn kin, streek zich over het voorhoofd en daalde de trap weer even voorzichtig af. ‘Ik doe het niet,’ zei hij bij zichzelf, ‘ik ben volwassen.’ Beneden trok hij de deur behoedzaam in het slot en belde aan. Bep deed open; ze had een blauwe mantel aan. ‘Ik ben er weer,’ riep hij en liep met luide stappen naar boven. Binnen zaten allen in hun overjas. ‘We gaan,’ zei Hoogkamp.

‘Bep,’ vroeg Frits, toen ze op de overloop stonden, ‘als je alleen bent, hoor je geluiden, niet? Maar hoor je die ook, als er anderen bij zijn?’ ‘Vanavond niet,’ antwoordde Bep.

‘Het is er geen weer voor,’ zei Jaap. ‘Je moet een beetje fluitende wind hebben.’ Hij tuitte de lippen en maakte een gierend geluid. ‘Om godswil, doe open,’ zei hij met een hoge stem en klopte op de trapleuning. ‘Luister ook naar het vervolg, aanstaande Vrijdag om dezelfde tijd.’

Ze traden naar buiten. ‘Loop je mee, Louis?’ vroeg Frits. ‘Dan kun je zien, hoe wij de bioskoop ingaan.’ ‘Ik moet een eind dezelfde kant op,’ antwoordde Louis. Hij ging, toen ze rechtsaf sloegen, naast Frits lopen. ‘Wanneer ik goed zie,’ zei deze, ‘begint de dreiging van de kaalhoofdigheid zich ook bij jou te vertonen.’ ‘Ik kan precies zien,’ dacht hij, ‘hoe de mistdruppels voor op de schedel neerslaan, waar alleen nog schrale, korte haartjes zitten.’

Louis zweeg. ‘Bij dit weer,’ ging Frits door, ‘zal je gezondheid niet vooruitgaan, zou ik denken. Het vocht veroorzaakt drukking in het hoofd en suizingen in de oren.’ ‘Ik moet hem niet te erg pesten,’ dacht hij. Jaap en Hoogkamp haalden hen in en kwamen naast hen lopen. Op enige afstand volgden Bep en Joosje. Frits keek achterom. ‘Heel goed,’ zei hij, ‘de vrouwen mogen een eindje achter ons blijven. Ze dienen zich bescheiden te gedragen. Ze kunnen niet logisch denken.’ ‘Als niemand iets zegt,’ dacht hij, ‘moet ik wel aan het woord blijven.’

‘Zou dat zo zijn?’ vroeg Hoogkamp. Ze waren een eind langs een gracht gelopen en gingen een smalle brug voor voetgangers over. De ijzeren leuningen waren bezet met waterdruppels. ‘Ja zeker,’ antwoordde Frits. ‘Ik zou het graag anders zien, als ik kon. Maar het is zo. Houd een vrouw een landkaart voor. Of je die recht houdt of op zijn kop, ze merkt het niet. Heb je ooit wel eens meegemaakt, dat een vrouw de inhoud van een radiobericht kon navertellen? Of dat ze een citaat, waaruit dan ook, goed aanhaalde? Het zijn gebrekkige, beklagenswaardige wezens.’

Louis grinnikte. ‘Ik kan het niet met je eens zijn,’ zei Hoogkamp. ‘Bè, bè,’ zei Frits bij zichzelf, ‘meneer Zak, geboren Vlinderdas.’ ‘Hoe troosteloos is alles,’ dacht hij. ‘De straten glimmen.’ Ze zwegen.

Op de laatste hoek voor de bioskoop gaf Louis hun alle drie in snelle opeenvolging met de knie een schop tegen hun achterste, groette en sloeg rechts af. ‘Er zijn drie dingen,’ zei Frits tot Jaap, ‘waarvan een mens kwaad wordt. Ten eerste: door het van achteren tegen een krant slaan, als iemand leest. Ten tweede: iemand bij een afgrond of aan de rand van een dak plotseling vastpakken en zeggen: pas op! En de derde manier is iemand, als hij stil staat, in zijn knieholte duwen, zodat zijn been naar voren doorknikt. Er is geen mens, die daarvan niet woedend wordt. Hoe het komt, is nog niet uitgemaakt. Maar de onderzoekingen vorderen.’ ‘Dit was toch geen van die gevallen?’ zei Jaap. ‘Dit was gewoon een trap tegen onze reet,’ ging Frits verder, ‘maar het is aan de derde manier verwant. Ik weet niet waarom, maar ik kan het niet waarderen.’ Tot de bioskoop bleven ze zwijgen.

In de hal bekeken ze onder het wachten de fotoos en affiches. Frits ging naar de waterplaats en begon, toen hij terugkwam, de ruimte op en neer te lopen. ‘Ik weet nu al, dat alles mislukt,’ dacht hij, ‘maar terug kan ik niet. Om twee uur thuis, verteerd door teleurstelling, geknakt door ellende, lusteloos van de slaap. Wel te rusten.’ Hij ging vlak naast Hoogkamp staan en zei: ‘Ik heb van jou nog geen nauwkeurige indruk gekregen.’ ‘Vooruit,’ dacht hij, ‘geen dwaze gevoeligheid.’ ‘Je lijkt me een beetje een zak,’ zei hij. Hoogkamp antwoordde niet. Ze stonden met hun vijven voor een grote fotovitrine. ‘Ik zeg dit niet om hatelijk te zijn, begrijp goed,’ ging Frits voort. ‘Het is een kwestie van oprechtheid. Jij hebt nu eenmaal, dat is me gebleken, een beperkt verstandelijk vermogen. Moet dat verzwegen worden?’ Hij voelde zich plotseling moe worden. ‘Wat een gif, wat een ellende,’ dacht hij. ‘Ik wens je veel sukses,’ ging hij verder. ‘Sommige mensen, die geen persoonlijkheid zijn, slagen verwonderlijk makkelijk in het leven.’ Geen van allen zei iets. Hij wendde zich tot Jaap en vroeg zacht: ‘Nu we het er toch over hebben; mag iemand zelf een begrafenis verrichten? Ik bedoel: als je niet zoveel geld kunt besteden, of het zonde vindt van de kosten, mag je dan zelf een lijk, bijvoorbeeld op een handkar, naar de begraafplaats rijden? En zelf het graf graven?’ ‘Ik geloof van wel,’ antwoordde Jaap. ‘Ik geloof, als het eigenlijke in de grond laten maar volgens de wet is, dan mag je zelf de dode transporteren. Kennissen van ons zijn met hun kind achterop de fiets naar het kerkhof gereden. De kist achter op de bagagedrager. En zelf hebben ze de grond opengespit.’ ‘Heel goed,’ zei Frits. ‘Kijk, we kunnen naar binnen.’

Ze hadden plaatsen in het midden van de zaal. Frits kwam tussen Jaap en Hoogkamp te zitten. Toen het journaal begon, deed hij de ogen dicht. ‘Ik spaar mijn ogen,’ dacht hij. ‘Ik moet nog fris zijn, als de hoofdfilm komt.’ Na een minuut echter opende hij ze weer en volgde het wereldnieuws: skiwedstrijden in Zwitserland, een grote brand in Toulouse, een vliegtuigongeluk in de Italiaanse Alpen, het van stapel lopen van een schip in Southampton en een treinramp in Noord-Amerika, in de staat Texas. ‘Die opname is uit een autogiro genomen,’ zei hij tot Jaap, ‘hij verschuift niet.’ ‘Knap werk, meneer,’ antwoordde deze.

In het Nederlands nieuws werden schaatswedstrijden in Franeker vertoond, de ingebruikstelling van een brug over de IJssel, een parade in Tilburg en de onthulling van een oorlogsmonument in Apeldoorn. Het licht ging weer aan en er verschenen gekleurde reklames. ‘Eigenlijk zit ik hier alleen,’ dacht Frits. Hij bestudeerde de bewegingen van de stofdeeltjes in de lichtkolom. ‘Hoe komt het,’ dacht hij, ‘dat men wel door een gordijn van binnen naar buiten kan kijken, maar niet omgekeerd? Daarvan moet de oorzaak wetenschappelijk zijn vast te stellen.’ Hij bekeek, tersluiks naar rechts ziend, Jaaps gezicht. ‘Wie is hij?’ zei hij in zichzelf. ‘In ieder geval stom van hem om zoon zak als Hoogkamp in zijn huis toe te laten.’

Het licht ging weer uit voor de hoofdfilm. Een koor zette langzame zang in; op het doek verschenen de namen van de medewerkers. ‘Dit is het heerlijkste,’ dacht hij, ‘de namen en opsommingen. Het is begonnen, hoewel het eigenlijk nog beginnen moet.’ ‘Geestelijke negerliederen,’ las hij achter de naam van het koor. De stemmen, die juist een snelle psalm zongen, namen in kracht toe. Frits kon de Amerikaanse psalmtekst niet volgen, maar verstond aan het eind van iedere zin: ‘Ja, heer.’ ‘Ja, heer,’ herhaalde hij bij zichzelf. De tabel met namen vervaagde en de film begon in het lokaal van een Zondagsschool voor negerkinderen. De leraar sloeg de bijbel open en las voor uit het boek Genesis.

De kamera dwaalde door het lokaal; de kinderen luisterden, sommigen met de mond open. De leraar zei, de dikke lippen in het zwarte gezicht nadrukkelijk bewegend: ‘Metusalem was de oudste mens, die ooit heeft geleefd. Hij werd negenhonderd en negen en zestig jaar. En hij stierf.’ ‘Werden de mensen toen allemaal zo oud?’ vroeg een meisje vooraan. ‘Het waren heel sterke mannen,’ antwoordde de leraar. ‘Gingen ze toen vaak met hun moeder naar New Orleans?’ vroeg het kind. ‘Er was toen geen New Orleans,’ antwoordde de leraar, een vinger opstekend. ‘Eens was er zelfs niets. Er was toen zelfs geen aarde. Het is een lang verhaal. We zullen bij het begin beginnen.’

De kamera vertoonde de gezichten van de kinderen van zeer nabij; daarna schoof het beeld achteruit, werd vaag en verdween. Er was een opeenstapeling van wolken, die naderbij kwamen. ‘Halleluja,’ zong het koor. Langzaam weken de wolken uiteen en een groot grasveld werd zichtbaar, zwevend in de lucht. Honderden negers in witte, lange jurken en met bordpapieren vleugels aan de schouders wandelden er pratend, etend en rokend op en neer. Een jongetje zeilde voorbij, schrijlings op een wolkje gezeten, als op een baal katoen. Hij riep, de hand op de mond op en neer bewegend: ‘Oe!’ en voegde er aan toe: ‘Ik ben een Indiaan.’

‘Ja,’ dacht Frits, ‘de man, die dit heeft gemaakt, heeft het gezien. Geloofd zij zijn naam.’ Hij voelde zijn armen en benen trillen, boog zich voorover, opende de mond en haalde diep, maar geluidloos adem, de ogen strak op het doek gericht. ‘De mensen lachen, zonder dat er ook maar de geringste aanleiding tot lachen bestaat,’ dacht hij en beet op zijn vingertoppen.

Toen de film drie kwartier aan de gang was, voelde hij zijn ogen nat worden. Hij keek opzij naar Jaap en Hoogkamp, maar dezen letten op het doek. ‘Mensen, die snel tot tranen komen, hebben in de regel een oppervlakkig en wreed karakter,’ dacht hij. ‘Het is verachtelijk.’ Hij snoot zijn neus, slikte en hield het hoofd schuin naar rechts. ‘Laat ik zorgen, dat niemand iets aan mijn gezicht kan zien,’ dacht hij. Hij bette met zijn zakdoek zonder wrijven zijn ogen, maar voelde ze opnieuw vochtig worden. ‘Het moet zo zijn,’ zei hij bij zichzelf, ‘het doet er niet toe. Laat ik me overgeven.’

Toen de film eindigde met luide, diepe koorzang, veegde hij snel met zijn jasmouw over zijn gezicht, wrong zich uit de rij en werkte zich snel naar buiten. ‘Ik wil niemand spreken,’ dacht hij. ‘Vrede. Vanavond is het vrede.’ Hij sloeg zijn jaskraag op, holde de hoek om en liep in gewone pas verder. ‘Halleluja,’ zei hij zacht.
Thuis trad hij voorzichtig de gang binnen, hield zijn overjas aan en liep, zonder de keuken te bezoeken, zijn slaapkamer binnen. ‘Tanden poetsen is niet nodig,’ mompelde hij, ‘het is een avond van verzoening.’ Hij nam het konijn van het boekenkastje, zette het op de schrijftafel, opende de linker la en nam er het wit marmeren konijntje uit, dat vooraan in de linker hoek lag. ‘De Zondag voor gisteren had ik het ook in mijn hand,’ dacht hij. ‘Waarom word ik gestraft met een geheugen vol kwellingen? Maar het hindert niet. Deze avond is verrukkelijk. De Groene Weiden.’ Hij herhaalde de naam in het Amerikaans, glimlachte, zette het stenen konijntje op de kop van het grote en zei zacht: ‘Veracht elkaar niet. Weet, dat God jullie ziet en met welgevallen gadeslaat.’ Hij bewoog beide dieren zo, dat de snuiten elkaar raakten en weer van elkaar gingen. ‘Een zoentje,’ zei hij zacht, ‘nu niet meer boos zijn.’ ‘Het is tien over twee,’ dacht hij.

Hij trok zijn overjas uit, wierp hem op de grond, deed zijn schoenen uit en ging over de jas lopen. ‘Het hindert niets,’ zei hij in zichzelf, ‘de verzoening is gekomen.’ Hij raapte de jas weer op, hing hem met zijn andere kleren over de stoelleuning en stapte in bed. ‘Vannacht droom ik niet,’ zei hij hardop, ‘het wordt een vredige nacht.’ Hij sliep spoedig in. Om half vijf werd hij wakker, ging wateren, stapte weer in bed en bleef een halve minuut wakker. ‘Ik ben vrij van dromen,’ dacht hij.

Er werd gebeld. Hij richtte zich op en hoorde stappen op de trap. ‘Vlug,’ dacht hij. ‘Laat ik, wie het is, even te woord staan. Anders worden mijn ouders wakker gemaakt.’ Hij liep, zonder gedruis te maken, de gang in, ontstak voorzichtig, zonder knarsen, het licht en opende de gangdeur. In het portaal stonden twee donker geklede mannen. De voorste droeg een lantaarn met een kaars er in. ‘Zijn we hier terecht bij Egters?’ vroeg hij. De achterste droeg een lang, lichtbruin pakket. ‘We brengen het u,’ zei hij, ‘hij is gevonden.’

Frits nam het lange voorwerp aan, dat in bruin pakpapier was gewikkeld. Het was ongeveer zo lang als hijzelf, voelde lauw aan en er schenen haast onmerkbare bewegingen in op te treden. De mannen groetten en verdwenen. Hij sloot de deur op de grendel en luisterde, maar hoorde ze niet de trap afgaan. Hij begon bang te worden. Er werd op de deur geklopt en een stem, die Frits als die van de lantaarndrager herkende, zei langzaam: ‘Denk er aan: wat wij hier in huis brengen, mag er nooit meer uit. U bent gewaarschuwd.’ Daarop hoorde hij snelle stappen naar beneden.

‘Ik weet het,’ dacht hij, ‘het is de dode.’ Hij wilde het pak op de grond leggen, maar kon zijn rug niet buigen. ‘Nu komen alle verschrikkingen tegelijk,’ dacht hij, ‘het is een gruwelijke straf.’ Het pak werd slap en begon aan de einden naar beneden te buigen. Met alle inspanning lukte het hem, zijn handen te openen. Het pak viel, maar het papier bleef aan zijn vingers kleven. Al vallende wikkelde de inhoud er uit. Hij keek naar boven. ‘Nee,’ zei hij, ‘niet zien.’ Langzaam moest hij echter het hoofd voorover buigen. Op de grond lag het gave lichaam van een in groene uniform geklede jongeman van zeer tengere gestalte. Het hoofd was een doodskop, met aarde en een druipende, slijmerige stof in de geopende mondholte.

Hij werd wakker met een verstopt gevoel in neus en keel. Zijn horloge wees enkele minuten over half zeven. ‘Het komt terug,’ mompelde hij. Telkens, als hij dreigde in te dommelen, hield hij zich wakker door het lichaam schoksgewijs te schudden en de knieën tegen elkaar te slaan.