Waarom is het straks Nieuwjaar?

Wekelijks zoekt de redactie wetenschap het antwoord op een vreemde vraag. Vandaag: waarom valt Nieuwjaar in de winter?

Waarom vieren we over drie dagen Oud en Nieuw? Waarom straks weer oliebollen, vuurwerk en champagne? En later het skispringen in Garmisch Partenkirchen en de Unox-nieuwjaarsduik? De vraag is of dat een interessante vraag is. Er is ooit mee begonnen en er wordt eenvoudigweg mee doorgegaan zolang de commercie er brood in ziet. Commercieel ondersteunde tradities gaan niet gauw verloren.

Dat we het nieuwe jaar laten ingaan op het moment dat de maand januari aanbreekt heeft een heel oude geschiedenis, een geschiedenis die 2.200 jaar terug gaat. De Romeinen, aan wie we onze maandindeling en maandbenoeming danken, hadden één maand aan de god Janus gewijd en ze lieten hun jaar met die maand beginnen. Janus kon met zijn twee gezichten tegelijk vooruitzien en terugblikken, dat kwam goed uit. Het is de geaccepteerde waarheid en als het niet waar is, is het mooi gevonden.

Wie zich afvraagt waarom we over drie dagen de jaarwisseling vieren wil natuurlijk in de eerste plaats weten waarom we die jaarwisseling midden in de winter vieren, maar net niet precies midden in de winter. Het had zo voor de hand gelegen.

Dit is lastiger te verklaren. Weer moeten we terug naar de Romeinen, maar iets minder ver: naar de regeringsperiode van Julius Caesar, naar het jaar dat later op 46 jaar voor Christus is gesteld. Dat was het moment waarop de chaotische Romeinse maankalender na zorgvuldige overwegingen werd vervangen door een zonnekalender. Er was berekend dat de omloop van de aarde om de zon nagenoeg precies 365,25 dag in beslag nam en voortaan liet men de jaren daarom 365 dagen duren, met om de vier jaar in een ‘schrikkeljaar’ een dag extra. Het jaar werd verdeeld in 12 maanden die afwisselend 31 en 30 dagen lang waren, met februari als uitzondering: meestal 29 dagen en eens in de vier jaar 30.

Essentieel is dat het astronomisch begin van de lente (de lente-equinox, als dag en nacht even lang duren) op 25 maart werd gesteld. Omdat het precieze moment van midwinter (het wintersolstitium, de kortste dag) 89 dagen vóór de lente-equinox valt kwam dit moment op 26 december te liggen. (December had toen 30 dagen en februari, zoals gezegd, meestal 29). Al vanaf het eerste begin is er dus verschil geweest tussen 1 januari en midwinter. Dit is de hoofdlijn, de rest bestaat uit details.

Al binnen een halve eeuw liep de overzichtelijke kalender schade op. Het schrikkelsysteem werd verkeerd toegepast (maar die fout is hersteld) en na de dood van keizer Augustus kreeg de achtste maand (die tot dan sextilis heette) de naam Augustus en werd besloten hem 31 dagen te laten duren om hem niet te laten onderdoen voor Julius. Ter compensatie werd februari een dag ingekort. Het 31-30-31-30-systeem werd na sextilis/augustus omgedraaid.

Het was minder overzichtelijk, maar er viel mee te leven. Vervelender was dat het Romeinse jaar met zijn 365,25 dagen net iets langer duurde dan de aardse rondgang rond de zon die bij nader inzien 365,2422 dagen kostte. In de zestiende eeuw na Christus was het verschil met het Juliaanse uitgangspunt al opgelopen tot ruim 12 dagen. Paus Gregorius XIII liet na uitgebreide consultatie het schrikkelsysteem verfijnen en trok de kalender in 1582 weer grotendeels recht. Om religieuze redenen (samenhangend met de officiële berekening van de Paasdatum zoals vastgesteld in het concilie van Nicea in 325) besloot hij de kalender niet met 12 dagen maar met 10 dagen te corrigeren. Na 4 oktober 1582 kwam 15 oktober 1582. De onvolledige correctie heeft de afstand van 1 januari tot het precieze moment van midwinter verder vergroot. Holland en Zeeland voerden de Gregoriaanse kalender al direct in 1582 in, Drenthe kwam pas in 1701. Rusland deed het in 1918, waardoor de revolutie van 1917 zowel een oktober- als een novemberrevolutie is te noemen. Helemaal aan het eind kwam Griekenland dat de kalender pas in 1923 accepteerde.