‘Tien talen leren is niet bijzonder’

Luis Miguel Rojas-Berscia is polyglot. Hij spreekt veel meer dan tien talen. Wanneer ‘beheers’ je een taal eigenlijk? Als je verstaanbaar bent?

Luis Miguel Rojas-Berscia: „Je spreekt een taal als je elkaar vloeiend en zonder problemen kunt begrijpen.” Foto Merlin Daleman

Heel kort, alsof hij hoopt dat het onopgemerkt blijft, steekt hij zijn neus tussen de bladzijden. Boeken hebben een houdbaarheidsdatum, weet ik dat al? Dit is een goedkoop boek. De geur van vers papier is dan na ongeveer vijf jaar vervlogen. Hij wil die nu opsnuiven.

Hij spreekt Spaans, Engels, Frans, Italiaans, Piëmontees, Esperanto, Mandarijn, Roemeens, Portugees, Duits, twee varianten van Quechua, Catalaans, Shawi en Nederlands. Latijn en Oud-Grieks vertaalt hij, naar eigen zeggen, met gemak.

Luis Miguel Rojas-Berscia, nog maar 24 jaar oud, mag zich niet alleen polyglot noemen (iemand die meer dan zes talen spreekt), maar zelfs hyperglot. Hij spreekt er meer dan tien. Het precieze aantal? Hij is de tel kwijtgeraakt.

Wanneer mag je je eigenlijk een kunstenaar in de meertaligheid noemen? Als je je verstaanbaar kunt maken, of als je die talen spreekt als een native speaker?

We treffen elkaar op het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen waar Luis Miguel promoveert op Shawi, een taal in Peru die door iets minder dan 8.000 mensen gesproken wordt.

Hij is een zoon van een Italiaanse moeder en een Peruaanse vader. Zij scheidden toen hij zes was. Spaans en Italiaans waren dus Luis’ ‘moedertalen’. Nee, drie waren het er, zegt Luis. Hij sprak toen Spaans, Italiaans en Piëmontees, het dialect uit de Italiaanse provincie Piemonte. Veel Europese taalkundigen beschouwen dat als aparte taal.

In Zuid-Amerika heeft men een heel andere kijk op talen, legt Berscia uit. „In Peru alleen al zijn er 47.” Geen dialecten, maar talen. Veel Italiaanse dialecten, zoals het Lombardisch of het Venetiaans, rekent hij ook tot de talen. En wat dachten we van het Limburgs? Ja, zo klinkt het alsof iedereen polyglot kan worden.

„Dat klopt,” zegt Berscia. „Polyglottisme moet je zien als regel, niet als uitzondering. Mensen worden altijd blootgesteld aan taalvarianten en kunnen die vaak ook onder de knie krijgen. Velen hebben het alleen niet door.” Hij neemt Limburg als voorbeeld: daar spreken ze Nederlands, de regionale variant van het Nederlands (Limburgs-Nederlands) en het oorspronkelijke Limburgs. Onvermoed beheerst de gemiddelde Limburger dus al drie verschillende talen.

Wedstrijdje meeste talen

Gek eigenlijk, er is nauwelijks onderzoek gedaan naar polyglotten. Er is wat anekdotisch materiaal en er zijn vermoedens over het ontstaan van dit toch wel uitzonderlijke taaltalent, maar we weten we eigenlijk niks zeker. Er zijn ook niet zo veel polyglotten: minder dan 1 procent van de wereldbevolking – misschien zit het zelfs dichter bij de promille.

De polyglot wint wel aan populariteit. Op Facebook komt er af en toe eentje voorbij getijdlijnd, op YouTube kun je polyglotten al hun talen horen spreken, en er zijn veel online fora waar niet-taalliefhebbers elkaar ontmoeten.

Kenneth Hyltenstam, emeritus hoogleraar tweede-taalverwerving aan de universiteit van Stockholm en autoriteit in het schaarse onderzoek naar polyglotten, verbaast die plotselinge populariteit niet. „Alles is tegenwoordig een competitie. We zijn steeds vaker op zoek naar extremen. Het wedstrijdje ‘wie beheerst de meeste talen’ past feilloos in die trend.”

Hyltenstam analyseerde de biografieën van bekende en extreem getalenteerde polyglotten. Hij vond indicaties voor grofweg drie eigenschappen waarop polyglotten verschillen van anderen: motivatie, het vermogen systemen te zien in de wereld om ons heen, en de verantwoordelijkheid die iemand voelt voor zijn eigen leerprocessen. Motivatie is de belangrijkste eigenschap. „Als je niet geïnteresseerd bent, is het erg moeilijk om een taal te leren,” zegt Hyltenstam. Daarom leren immigrantenkinderen ook zo snel de taal van hun klasgenoten. „Die immigranten willen kunnen praten met andere kinderen, dat maakt hun motivatie vele malen groter.”

Een goed oog voor systemen in de wereld om ons heen, zoals een grammatica, vergroot je taaltalent ook. Als je een systeem doorziet, kun je ook inferenties maken voor andere talen. Een beetje als het extrapoleren van een grafiek.

Polyglotten hebben, anders dan vaak wordt beweerd, overigens meestal geen autismespectrumstoornis, vertelt Hyltenstam. „Ze vertonen wellicht vaker trekken van autisme, maar de meeste polyglotten hebben geen pathologie.”

Ten slotte heeft de polyglot meertalig zitvlees. Hij – de meeste polyglotten zijn man – is in staat door te gaan als het verwerven van de taal vervelend wordt.

Ondertussen schakel ik met Luis Miguel over op het Duits. Hij is moeiteloos te verstaan. Toch is het niet het Duits van een ‘Muttersprachler’. Af en toe gaat er een naamval mis, soms is de zinsvolgorde onnatuurlijk. Hetzelfde geldt voor zijn Engels – deze lingua franca ligt hem duidelijk goed, maar het is onmiskenbaar het Engels van een uitwisselingsstudent. Dat staat het predicaat ‘polyglot’ niet in de weg, vindt Luis. „Je spreekt een taal als je elkaar vloeiend en zonder problemen kunt begrijpen.” Het hangt ook af van de context. „Ik ben docent Chinees geweest op het Confucius-instituut in Peru, dus ik ben vertrouwd met het Chinees van het klaslokaal. Maar iets over scheikunde vertellen wordt moeilijk.”

De taalbeheersing van een polyglot is beperkt, zegt Jan Hulstijn. Hij is hoogleraar tweede-taalverwerving aan de Universiteit van Amsterdam. „Die komt vaak niet uit boven het niveau van cafégesprekken. Om in een taal echt een studieboek te lezen of een journalistiek artikel te schrijven, heb je een woordenschat van minimaal 50.000 woorden nodig. En dat kost heel veel tijd. Je moet je de godganse dag met die talen bezighouden.”

De Clementia

Nog even een stukje Latijn voor Luis Miguel. We lezen ‘Over de Mildheid’ (De Clementia). Seneca schreef dit werk voor de jonge Nero toen deze net keizer geworden was. De tekst is een pleidooi voor een milde uitvoering van het gezag. We beginnen bij de tweede alinea, daar zijn de zinnen wat eenvoudiger. Luis prevelt de Latijnse woorden een paar keer zachtjes. „Pfoe, ik heb het al een tijd niet meer gedaan. Je overvalt me wel.” Als ik hem een uurtje zou geven, zou hij het zo voor me vertalen. Voorlopig is zijn Latijn niet beter dan van een gymnasiumleerling. Maar dat maakt het niet minder bijzonder dat hij zich in zo veel verschillende talen verstaanbaar kan maken. Hoewel je tegenwoordig niet meer naar een land toe hoeft om je daar de taal eigen te maken. Luis is zelf nooit in China geweest, maar werd wel docent Chinees. Het spreken had hij op online fora en via skype geoefend.

„Wil je niet weten welke beroemde linguïsten mijn grote inspiratiebronnen zijn?” vraagt Luis Miguel op de valreep. In één adem noemt hij zijn promotors en begeleiders op. De Hollandse academicus zou er ongemakkelijk van worden. „Het is een cultuurding. In Zuid-Amerikaanse en Mediterrane landen betuig je je dankbaarheid. Ook als je ze niet aardig vindt.” Maar daar is in dit geval geen sprake van. „I never kiss ass.”

Ik zet er toch wel bij dat hij aangesloten is bij het project ‘Language in Interaction’ aan de Radboud Universiteit? En de naam van promotor Muysken schrijf je met i-grec.