‘Snap jij nou dat ze niet van me kon houden?’

(71) moest haar dochter hardop horen zeggen wat ze al jaren soms dacht: is tantje Martje niet je moeder? Het zou wel haar liefdeloze jeugd verklaren.

Zwaantje heet ze en, ach, wat had ze een hekel aan die naam. Als moeder haar vroeger riep, klonk het als ‘Swoan’. Gronings, hard en knauwend. Sinds de eerste klas van de mulo noemt ze zich Zwanny – veel liever. In januari wordt ze 72. Ze is getrouwd met Eelke Visser, gepensioneerd schoolmeester. Ze hebben drie kinderen, acht kleinkinderen. Huize Plexat heet hun grote voormalige pastoriewoning in Oost-Groningen. Zeker tachtig pleegkinderen hebben ze in huis gehad en nu bieden ze, als het zo uitkomt, onderdak aan uitgeprocedeerden van het naburige azc. Ja, je kunt wel zeggen dat ze een rijk leven heeft. Maar toch.

Kijk, een foto van Zwanny als baby van een maand of drie. Prachtig meisje. Blakend, ook al was het winter 1944, oorlogstijd. „Snap jij nou”, zegt ze, „dat ze niet van me kon houden?” Na haar kwamen er nog een broertje en een zusje. „Van hen hield ma wel.” Zij heeft zich haar leven lang in duizend bochten gewrongen, gesmeekt, gehunkerd naar één lief woord van haar. Maar al wat zij kreeg was „kritiek, kritiek, kritiek”. Eén keer riep haar moeder zich bij haar. „Op mijn hurken moest ik bij haar stoel komen zitten. Ze aaide me over m’n hoofd, legde een arm om mijn schouders. Ze zei: ‘Dit is wat je wil, hè’. Toen duwde ze me omver en zei: ‘Maar ik kan het niet, ik wil het niet, en ik doe het niet’.” Zwanny was al over de zestig toen.

Moeder is nu zes jaar dood. 92 jaar is ze geworden, ze overleed op de dag dat Zwanny 65 werd. De hyperventilatie, al die ziektes waaraan ze altijd dacht te lijden, de slaapschokken zijn nu minder erg. Maar het lege gevoel is gebleven. Niemand die ooit wist wat haar mankeerde, tot ze bij een psycholoog kwam die zei dat „affectieve verwaarlozing” de oorzaak was van de „eenzaamheid diep in haar”. Deze zomer gebeurde er iets waardoor ze haar liefdeloze jeugd anders is gaan begrijpen. Heel langzaam begint haar nu iets te dagen: was haar moeder haar moeder soms niet?

Ze werd geboren in Loppersum, Oost-Groningen. „De geboorte van mijn broer werd altijd breed uitgemeten. Maar als ik vroeg hoe het dan bij mij ging, zei ze: ‘Kind, daar weet ik niks meer van’. Ze weet niet beter of ze was bij de buren, de meisjes van de tabakswinkel vonden het leuk om op haar te passen. „’s Avonds at ik er stamppot wittekool en beschuit met melk toe.” Ze weet nog dat ze zes weken ziek was. Bof, rode hond, mazelen, waterpokken, allemaal achter elkaar. Zes weken lag ze op bed. „Ma kon het niet meer aan. Ze ging met mijn broertje bij haar ouders logeren.” Zwaantje kon wel bij de buren.

’s Zondags, als pa en ma met de twee andere kinderen naar de kerk waren, moest zij thuis blijven. Parket boenen, stof afnemen, de koffie op tijd klaar hebben.

„Bij thuiskomst haalde ma haar vinger over de kachel. Stof. En dan kreeg ik me toch door de benen.” Mopperen, schelden. „Voor de zwarte kolenkachel lag een wollen kleed. Probeer de boel dan maar eens netjes te houden.”

De zaterdagen moest ze uit schoonmaken bij de slagerij. Op haar zestiende werd ze van school gehaald om thuis de huishouding te doen. Haar moeder kon dat niet meer, want die was in de overgang. „Lag ze boven op bed te kermen en te gillen.”

Ze wijst op haar polsen, haar ellebogen, haar schouders. Nog voelt ze de ijskou van het spoelen en mangelen van de zaterdagse was. „Toen ik de deur uitging, kreeg ma een wasmachine.”

Ze voelt zich zondig als ze zo slecht over haar moeder praat. Eert uw vader en moeder, opdat uw dagen verlengd worden. En hoe vaak zei ma niet tegen haar: ‘Heere, zet een wacht voor uw mond’.

Nooit heeft ze durven vragen waaróm ma zo lelijk deed tegen haar. Haar zuster, die wel goed was met ma, wilde geen kwaad woord over haar horen.

Het kan natuurlijk, zegt ze, „dat je een kind op de buik gelegd krijgt, maar er niets voor voelt”. Maar begrijpen kan ze het niet. „Ik heb veel kinderen in huis gehad van wie ik de moeder niet was, maar die ik beter behandelde dan zij mij.”

Zwanny’s jongste dochter was de eerste die hardop zei wat zij zelf stiekem ook weleens dacht: „Ze zei: ‘Ik weet wie mama’s mama is. Tante Martje’.”

Martje, het jongere zusje van ma. Die was wél lief. Een dame ook. „Met mooi dik donker haar. Net als ik. Niet het sluike piekhaar van ma en mijn zuster.” Martje nam haar mee uit winkelen, Martje bekommerde zich wel om Zwanny’s kinderen.

Als je terugrekent, zou het best kunnen. „Toen tante Martje pleuritis had, heeft ze maandenlang ingewoond bij haar pasgetrouwde zuster.” Combineer dat met wat haar moeders broer op een avond door de telefoon vertelde: „Of ik wel wist dat mijn vader een vrouwengek was die z’n handen niet kon thuishouden.” Haar vaders gerotzooi was indertijd zelfs nog een kerkenraadkwestie geweest. „Als hij zich als getrouwde man niet gedragen kon, moest hij weg als organist en ouderling.”

Heel voorzichtig heeft ze hier en daar een balletje opgeworpen. Bij het vroegere buurmeisje, dat altijd op haar paste. En ja hoor, die vertelde dat buurman zo vaak wat bij haar probeerde. En tante Martje bekende dat hij ook achter haar aanzat. „Zij zei dat pa door zijn huwelijk veranderde van een vrolijke jongen in een stille, norse man. Alleen op maandagavond om zeven uur mocht hij omgang hebben met ma. Dan was dat voor die week weer gebeurd. Die twee hadden nooit moeten trouwen.” Eén keer heeft Zwanny ronduit aan Martje gevraagd of pa haar vader wel was. „Ze zei: ‘Dat hij jouw vader is, weet ik 100 procent zeker’.” Maar de vraag of ma haar moeder wel was, die durfde ze, stom genoeg, niet te stellen.

Deze zomer stonden Eelke en Zwanny op de camping in Damwoude. Ze raakten aan de praat met een aardige vrouw, een fysiotherapeute. „Ma bleek haar eerste patiënt te zijn geweest. Maar er was iets geks, zei zij. Want de vrouw die zij behandelde, zei altijd dat ze twee kinderen had. Nou wordt-ie mooi, zei ik: ‘Haar derde kind zit tegenover je’.” En op dat moment heeft Zwanny besloten haar hele verhaal op te schrijven. Achter mekaar, dertien weken lang heeft ze onafgebroken zitten typen. Sneller dan Eelke – oud-schoolmeester – de tekst kon corrigeren.

In deel één leeft ze zich in in haar moeder. Oudste dochter in een molenaarsgezin. De dochter die het huishouden moet helpen bestieren, uiteindelijk toch aan de man raakt, maar wordt opgezadeld met de vrucht van zijn overspeligheid. En hoe ze dat hem en zijn buitenechtelijke dochter tot in lengte van dagen blijft nadragen. Deel 2 en 3 gaan over Zwanny’s eigen leven. Ze haalde alsnog diploma’s – kinderbescherming A en B – en werkte tot aan haar trouwen als hoofdleidster in een tehuis voor gehandicapte kinderen.

Het boek was bedoeld voor Eelke en haar kinderen. Om hen uit te leggen waarom ze vaak zo verdrietig en gespannen was. Zeker als ma, hun schoonmoeder en oma, op visite kwam „Het tapijt was te hoogpolig, de kinderen te verwend, de plinten stoffig, het huis te klein. En dan was de sfeer weer verziekt.”

Nu heeft ze besloten het boek uit te geven, in eigen beheer. Ze heeft gemerkt dat er mensen zijn die hetzelfde met een ouder ondervinden als zij.

Met haar verhaal wil ze tegen hen zeggen: ‘Hou op met bedelen en smeken om liefde. Je maakt jezelf ermee kapot, en je omgeving ook.’

Het ultieme bewijs dat haar moeder haar moeder niet was, heeft ze niet. Haar broer leeft nog, ze zou zijn dna met het hare kunnen vergelijken. Van tante Martje leeft er ook nog een zoon. „Maar ik wil niemand kwetsen.” Ze heeft op televisie iets gezien over wat er technisch mogelijk is met speeksel op enveloppen. „Ik heb er zat. Ma heeft me jarenlang elke week plichtmatig een brief geschreven.” Maar misschien wil ze het niet 100 procent zeker weten. Want hoe zou ze zich voelen als Martje haar moeder blijkt? „Dan ben ik razend. Waarom heeft ze me niks gezegd? Ze wist hoeveel verdriet ik van ma had.” Martjes foto heeft ze weggehaald uit de vensterbank. „Ik kan niet meer zonder pijn naar haar kijken.”