Column

‘Polygame man leeft 12 procent langer dan een monogame man’

Dit werd vorige week zondag gezegd in de VPRO-serie De wereld in zeven dagen.

Foto

De aanleiding

De eerste uitzending van de VPRO-serie De wereld in zeven dagen ging over ‘de liefde’ in verschillende landen. Aan het woord kwam onder anderen een Keniaanse man die leeft met twee vrouwen. Vorig jaar werd polygamie officieel legaal verklaard in Kenia. Voice-over Adriaan van Dis zei dat er ongeveer 150 landen zijn waar polygamie voorkomt. En, zei hij: „Opmerkelijk is dat een polygame man 12 procent langer leeft dan een monogame man.” Klopt dat?

Waar is het op gebaseerd?

De VPRO heeft niet op onze vraag naar de bron gereageerd. Maar de vermoedelijke bron is snel achterhaald. Dat is de Finse antropoloog Virpi Lummaa, verbonden aan de Britse Universiteit van Sheffield en gespecialiseerd in evolutiebiologie. In augustus 2008 sprak ze op het jaarcongres van de International Society for Behavioral Ecology. „Rekening houdend met sociaal-economische variabelen blijkt dat mannen van boven de zestig uit 140 landen die een of andere vorm van een polygame relatie onderhouden, gemiddeld 12 procent langer leven dan mannen uit overwegend monogame landen”, zei Lummaa, blijkens een verslag in het populair-wetenschappelijke tijdschrift New Scientist.

Ook de uitkomst van andere onderzoeken maakt het plausibel dat polygame mannen een langer leven is beschoren dan monogame soortgenoten. David van Bodegom, universitair docent geneeskunde in Leiden, kwam tijdens zijn promotieonderzoek in Ghana naar de evolutionaire logica van veroudering relatief veel oudere polygame mannen tegen die net opnieuw vader waren geworden.

En, klopt het?

Absoluut niet. Evolutionair antropoloog Lummaa laat per e-mail weten dat het artikel in New Scientist „vol fouten en verkeerde interpretaties” zit. De aangehaalde beweringen en genoemde cijfers zijn ook nooit door onafhankelijk onderzoek bevestigd, zegt ze. „Ik heb nooit wetenschappelijke data gepubliceerd over verschillen in levensverwachting tussen monogame en polygame mannen.”

New Scientist publiceerde het artikel in augustus 2008 ondanks het dringende verzoek destijds van Lummaa om dat niet te doen. De Finse zegt dat ze er veel last van heeft gehad in haar wetenschappelijke carrière. „Nog steeds trekt het artikel meer aandacht in de media dan de echte onderzoeksresultaten en artikelen die ik de afgelopen jaren heb gepubliceerd.”

Ook de Leidse arts Van Bodegom vindt de stelling onjuist. Veel factoren spelen een rol; oorzaak en gevolg worden gemakkelijk door elkaar gehaald. Polygame samenlevingen kennen vaak een relatief vrouwentekort. Alleen rijkere mannen uit de hogere sociale klasse kunnen het zich veroorloven meerdere vrouwen te huwen. En over het algemeen leven rijke mensen langer dan arme, stelt Van Bodegom. „Zelfs in Nederland leeft de rijkste 20 procent zeven jaar langer dan de armste 20 procent.”

In Ghana noteerde Van Bodegom dat 18 procent van de nieuwborelingen een vader had van ouder dan vijftig. De verklaring: polygame mannen moeten eerst sparen voor de bruidsschat (koeien) om hun eerste vrouw te huwen. Pas op hun veertigste hebben ze genoeg koeien om een tweede vrouw te nemen, en op hun vijftigste de derde. Zo is er evolutionair voordeel van oud worden. „Op deze wijze heeft polygamie mogelijk bijgedragen aan de evolutie van onze langlevendheid”, zegt Van Bodegom. „Tijdens de evolutie. Dat is dus heel wat anders dan te beweren dat polygame mannen langer leven.”

Conclusie

De stelling dat polygame mannen 12 procent langer leven is terug te voeren op een weergave van een onderzoek waarin dat niet beweerd wordt. We beschouwen de bewering daarom als ongefundeerd.