Column

Naar Suriname

‘Wat ik ook ga doen in Afrika, ik ga hier niet op zoek naar mijn roots”, schreef ik twaalf jaar geleden vol jeugdige rebellie in het eerste hoofdstuk van mijn boek over Afrika, genaamd Stinknegers. De best politiek correcte uitleg van die titel zou minstens een column in beslag nemen, maar als negentienjarige gaf ik niet zoveel om politieke correctheid. Of om roots. Want zoeken naar je roots was iets voor vrouwen uit Texas.

Toch zit ik daar dan, twaalf jaar later, in een vliegtuig, voor het eerst in mijn leven op weg naar het land van mijn vader. Iedereen om me heeft een kleurtje. Donkerder of lichter of dezelfde kleur als ik. Het vreemde is hoe leuk dat is: voor het eerst ben ik geen minderheid. Ik ken niemand, maar ik lijk op iedereen.

Voor me zit een vrolijke vader met drie kinderen. Achter mij een opa met dreadlocks. Naast me een lief meisje in total jeans. Ze is geboren in Nederland, heeft een Kaapverdische moeder en een Surinaamse vader die ze, evenmin als ik mijn vader, nooit goed heeft gekend. Ze gaat naar Suriname vanwege haar vriendje. Ze hebben er een kledingwinkel die zo goed loopt dat ze een tweede hebben geopend. Ze woont er nu zes maanden, en ze wil niet meer terug.

Ze houdt van het weer, zegt ze. Al zijn de mensen soms lui en niet te vertrouwen. „En jij?” vraagt ze. „Wat ga jij er doen?” „Uhum”, kucht ik. Want ik weet het niet precies, maar zoeken naar mijn roots lijkt toch het meest logische antwoord.

Of er familie op me wacht, vraagt ze. Nee. Of ik een lijst heb van dingen die ik wil zien? Ook niet. Een plan? Allemaal niet.

Maar ik heb wel een kalebaskommetje mee, op advies van de verkoopster in een Amsterdamse wintiwinkel. Om water te geven aan de aarde. Een wit T-shirt. Dat zegt dat ik opensta voor hulp. En snoepjes om achter te laten voor de spirit van de indianen.

En ik heb de statuten van de Geheime Orde van Puck (dat was de hond uit wiens naam ik eerder naar Marseille liep):

1. Alles wat op mijn pad komt is mijn vriend

2. Alles komt altijd goed

3. Ik ben altijd heel proper

4. Ik ben ook maar een mens, dus als ik het af en toe even niet zie zitten is me dat vergeven en ik hoef niet te stoppen met roken.

Dan zakt het vliegtuig, door dichte grijze wolken, en zie ik Suriname. Best een kleine schok: Suriname van boven blijkt plat, ingeperkt en afgekaderd, opgedeeld in keurige rechthoekige vakjes. Negen uur gevlogen en weer terug in Nederland, denk ik teleurgesteld. Dan vliegen we ineens toch boven de jungle. Donkergroen en eindeloos. Onaangeraakt door mensen. Zo ver als je kunt zien. Het thuis van tapirs, brulapen en jaguars. Marrons en Indianen. En zoals Europeanen ooit dachten: El Dorado.

Je voelt die jungle vanuit het vliegtuig, ook al staan we er niet middenin. Het is meer dan een plaatje. Ik moet er bijna van huilen, dat het werkelijk bestaat. Ik heb mijn hele leven van die jungle gedroomd.

Het vliegtuig landt. Iedereen klapt, net als in Italië. Buiten is een regenstorm, maar zodra de deuren open gaan blaast er een föhn in ons gezicht. Het is 35 graden. Mijn buurvrouw nodigt me uit in haar winkel en de steward geeft me een knipoog en zegt: „Succes, mattie.”