Lezen, luisteren én kijken: hoofdstuk acht van ‘De Avonden’

Voor liefhebbers van schrijver Gerard Reve (1923-2006) is het een traditie: in de laatste tien dagen van het jaar De Avonden (1947) herlezen. Dit jaar doet NRC mee. Van 22 december tot Oudejaarsdag elke dag een hoofdstuk. Vandaag: hoofdstuk acht.

Illustratie Pepijn Barnard

Klik op de play-knop en beluister de eerste alinea van hoofdstuk acht van De Avonden, voorgelezen door de auteur.

Zondagmorgen werd hij om half negen wakker met een kurkdroge mond. Hij herinnerde zich eerst, dat hij de vorige dag smiddags op bed had liggen rusten en bedacht toen, dat het Zondag was. Daarop pas schoot hem het verloop van de avond te binnen. Hij richtte zich op een elleboog op. Pas na kauwende bewegingen voelde hij vocht in de mond komen. In zijn hoofd had hij het gevoel, of er een vloeistof onder spanning zat: de drukking strekte zich uit tot achter in de nek. Hij had dorst.

Luister hieronder het hele achtste hoofdstuk

‘Het beste is,’ dacht hij, ‘onmiddellijk opstaan, het gezicht wassen, het gebit poetsen en de mond grondig uit- spoelen. Dan buiten verse lucht inademen. Niets eten en bij kleine beetjes tegelijk water drinken.’ Daarop sliep hij weer in. Enkele minuten over half tien ontwaakte hij op- nieuw. ‘Wat een bijzondere attentie, het horloge op te hangen,’ dacht hij. Hij tilde alleen het hoofd op, maar moest dit spoedig laten zakken van de pijn, die in de hals en achter de ogen ontstond. ‘Die kleren zijn slordig neer- gelegd,’ dacht hij. Aan de sterkte van het licht en de kleur van de hemel probeerde hij het weer buiten vast te stellen, maar hij kwam niet tot een slotsom. Hij hief, op de rug liggend, de knieën op en bekeek in het zwakke licht, dat hij door het met de handen omhoog houden van het dek doorliet, borst en buik, die hij had ontbloot.

Vervolgens stapte hij uit bed, ging naar het closet en dronk in de keuken aan de tuit van de kraan. ‘Ongelooflijk, wat een stank,’ zei hij, toen hij zijn slaapkamer weer binnenging. ‘Je merkt het pas, als je er uit bent geweest.’ Hij opende het raam op een kier en kroop weer in bed. ‘Alles hangt af van de wil,’ dacht hij. ‘Waar die ontbreekt, houdt alles op.’

Media-redacteur en Reve-fan Wilfred Takken leidt het achtste hoofdstuk op locatie in:

Hij bleef, strak op de muur starend, tot elf uur liggen. ‘Het is niet zo makkelijk, met een open raam op te staan,’ zei hij hardop. Zijn ogen half dicht knijpend, wierp hij de dekens af en liep snel naar de keuken. Hij spuugde krachtig in de gootsteen en begon zich te wassen. ‘Het lichaam is ernstig beschadigd,’ mompelde hij, in de ronde scheerspiegel ziend.

Zijn moeder kwam binnen, zette twee borden en twee kopjes op het aanrecht en vroeg: ‘Is meneer een beetje wakker geworden?’ ‘Ja,’ zei Frits. Ze vertrok naar de huiskamer. Na het wassen voelde hij zich niet verfrist. Bij het scheren sneed hij zich op twee plaatsen: onder de neus en links op de kin. ‘Het is geen snijden,’ dacht hij, ‘maar afscheren van de bovenste laag van het vel. Het is er af geschraapt.’ Na het afspoelen en afdrogen van het gezicht bette hij de wonde plekken met een aluinsteen. In afwachting, of het bloed weer zou opkomen, keek hij over de tuinen naar de daken.

‘Geen dakpan is geheel gelijk van kleur aan een andere,’ dacht hij, ‘ik heb een scherpe blik. Hoe zou het zijn, als er regen kwam?’

Hij kleedde zich aan, maar kon zijn schoenen en kousen niet vinden. Langzaam liep hij de huiskamer binnen, ging bij de kachel zitten en vroeg: ‘Moeder, heb jij mijn schoenen ook gezien? De kousen zie ik ook niet.’ ‘In je kamer,’ antwoordde ze. ‘Ik geloof het niet,’ mompelde hij, ging zijn slaapkamer weer binnen en keek er rond.

‘Ze zijn er niet,’ zei hij, in de huiskamer terugkerend. Zijn vader kwam door de gang en trad binnen.

‘Goedemorgen,’ zei Frits. ‘Goedemorgen, mijn jongen,’ antwoordde de man, ging op de divan zitten en opende een boek van het stapeltje, dat hij had meegebracht. ‘Ze zijn er wel,’ zei zijn moeder. ‘Nou, ik zie ze in elk geval niet,’ zei Frits. ‘Dan zal ik eens kijken,’ zei ze en liep snel zijn slaapkamer in. Hij hoorde haar even stommelen. ‘Wie weet,’ mompelde hij bij zichzelf.

‘Alsjeblieft,’ zei ze bij het binnenkomen en wierp hem eerst de kousen en daarna de schoenen toe, van welke een op zijn linker voet viel. ‘Godverdomme,’ zei hij, ‘gooi iemand anders wat op zijn poten.’ ‘Wat is er weer?’ vroeg zijn vader. ‘Nee, nee,’ zei Frits. ‘Een kleinigheid.’ Hij glimlachte.

‘Er staan boterhammen voor je in het buffet,’ zei zijn moeder. ‘Dank je wel,’ zei hij. Ze schakelde de radio in. ‘Geen landbouw, geen tuinbouw, geen veeteelt, geen slechte muziek, geen geoudehoer,’ zei Frits. ‘Geen walsen van Strausz, geen illustratieve muziek. Laat alleen het allerbeste doorkomen. Toon, desnoods een gebrekkige, maar vooruitstrevende smaak.’ ‘Ik krijg er hoofdpijn bij,’ dacht hij.

‘Je bent niet alleen in huis,’ zei ze. ‘Je moet ook eens aan iemand anders denken. Het wordt tijd, dat je eens met anderen rekening houdt.’ De radio was warm geworden en begon geluid te geven. ‘Ik ben zo alleen en denk steeds aan jou,’ zong een tenor. Zijn vader draaide de knop naar links, maar juist nog niet uit. Men kon horen, dat er gezongen werd, maar verder niets onderscheiden. ‘Zo wordt het toestel gesmoord,’ dacht Frits, kwam naderbij en zocht de schaal af. Tenslotte draaide hij de knop af.

‘Zo,’ zei zijn moeder, ‘heeft het jongetje gisteren plezier gehad?’ Frits antwoordde niet. ‘Je was zeker met Jaap mee?’ vroeg ze. ‘Was die ook dronken?’ ‘Dronken,’ antwoordde hij, ‘oudehoer toch niet. Dronken. Jullie zijn achterlijk volk uit de provincie. Wat heb je toch in godsnaam voor een voorstelling van wat dronken is?’

‘Nee,’ zei ze, ‘vertel me, dat je niet dronken was. Je vader en ik hebben je in bed moeten dragen.’ Frits sloot even de ogen. ‘Wat komt het er op aan,’ zei hij. ‘Het komt er alles op aan,’ zei zijn vader nadrukkelijk. ‘Het betekent, dat je je niet beheersen kunt.’

‘Ik heb het een beetje koud,’ zei Frits en kuchte. ‘Wat stinkt er toch zo?’ dacht hij en berook zijn handen, slipover, jasmouw en das. Aan alles nam hij een zure, walgelijke lucht waar. ‘Ligt het aan mij of niet?’ dacht hij, stond op en rook aan de overgordijnen.

‘Pas op,’ riep zijn moeder, ‘niet je neus in de gordijnen afvegen! Ben je helemaal gek? Daar heb je een zakdoek voor.’

‘Het lijkt me nog altijd een stuk eenvoudiger,’ zei hij, ‘om mijn neus in mijn zakdoek te snuiten. Zo lang ik een zakdoek heb, hoef je voor je gordijnen niet bang te zijn.’ ‘Ja ja,’ zei ze, ‘dat zie ik wel aan de stoelen.’

‘Dat is iets anders,’ zei Frits. ‘Wat hard is, moet er met de vingers worden uitgehaald. Dat gaat niet met een zakdoek. En onder aan een stoel is de beste plaats. Trouwens, waar je ook komt: als je onder de zittingen voelt, vallen de stukken gedroogd snot op de grond.’ ‘Weet je anders niets?’ vroeg ze.

Hij snoof bij kleine rukjes lucht door de neus. ‘Het is braaksel, dat in de neusholte zit,’ dacht hij. ‘Stank om mee te nemen.’ Voortdurend rilde hij, hoewel de kachel flink brandde. Achter zijn ogen voelde hij een flauwe, drukkende pijn. Hij nam de grote leunstoel, draaide die met de opening naar het raam en liet er zich in achterover zakken. ‘Het is alles triest,’ dacht hij, ‘heel triest.’

Geleidelijk raakte hij in een telkens onderbroken sluimering, die hem niet verkwikte. Het werd één uur. ‘Op welke golflengte staan de nieuwsberichten?’ vroeg zijn moeder. ‘Die zijn er niet,’ antwoordde hij. Ze zocht, maar vond geen Nederlands station en draaide het toestel af. Het werd stil. Zijn moeder was aan tafel bezig met optellingen van geldsbedragen en zijn vader, die op de divan languit was gaan liggen, bewoog zich niet. Frits ontspande zijn spieren geheel, liet het hoofd opzij hangen en hield de ogen tegen de scherpte van het licht half gesloten. Eindelijk viel hij in slaap. Hij droomde niet, maar hoorde eentonige, op en neer gaande stemmen. Na het wakker worden bleef hij vijf minuten bewegingloos zitten. Daarna draaide hij het hoofd opzij en zag, dat de klok bijna twee uur wees. Hij stond op en begon langzaam op en neer te lopen.

‘Waarom ga je er niet even uit?’ vroeg zijn moeder. ‘Slaapt vader?’ vroeg hij. Hij zag de man met gesloten ogen op de rug liggen. Een boek, dat op zijn buik lag, ging met de ademhaling op en neer. ‘Ik wou wel naar iemand toe,’ zei Frits. ‘Doelloos lopen, daar heb ik niet zoveel zin in.’ ‘Ga dan naar Joop en Ina,’ zei zijn moeder. ‘Ja, denk eraan, die zijn niet aan het Overwater. Ze zijn bij Inaas moeder.’ ‘Zijn ze dan helemaal door de kolen heen?’ vroeg hij. ‘Nee,’ antwoordde ze, ‘maar ze zijn er zo vaak Zondags, dat ze nu op Zaterdagavond alvast zouden komen. Dat scheelt een keer de kachel aanmaken.’

‘Dat doen we,’ zei hij, trok zijn jas aan en vertrok. Hij ging rechtsaf de rivier langs, passeerde het zuidelijk station en liep toen in oostelijke richting over een dijk. Aan zijn rechterhand eindigde de stad. Bij de horizon zag hij nevels boven de weilanden staan. ‘Goed gezien,’ zei hij bij zichzelf. ‘Plaatselijk mist, later overgaand in overdrijvende wolkenvelden. Geen neerslag van betekenis. Temperatuur om het vriespunt tot lichte dooi. Westelijke wind. Hoe kunnen mensenhanden het maken.’

Hij kwam in een nieuwe wijk met lage huizen. Dicht bij het eind van een korte straat, die in de weilanden uitliep, belde hij aan bij een bovenhuis. ‘Ja, hier is Frits,’ riep hij naar boven, toen de deur werd geopend. ‘Het is de oude,’ dacht hij. Een man met grijs haar stond aan de trap. ‘O, Frits,’ zei hij. ‘We zijn alleen thuis.’ ‘Weglopen zou erg grof zijn,’ dacht Frits. ‘Dat wil dus zeggen,’ zei hij, de trap opklimmend, ‘dat ik u in uw middagrust heb gestoord.’ Hij reikte de man de hand. ‘Hoe gaat het u, meneer Adelaar?’ vroeg hij. ‘Ja, ja,’ zei de man met een diepe stem. ‘Ga maar naar binnen.’

Hij liet Frits voorgaan. Ze kwamen in een lichte, modern gemeubileerde huiskamer. De ramen boden uitzicht op een kompleks volkstuinen. ‘Zal ik hier gaan zitten?’ vroeg Frits, een stoel van tafel trekkend. ‘Ja, ja, ga maar zitten,’ zei de man. Zelf nam hij plaats in een leunstoel tegenover de kachel, naast de piano. Op de schoorsteenmantel zag Frits een luidspreker met donkerrood doek voor de geluidsopening. Er kwam een zwak gemurmel uit. De man hield een schakelknop op een bakelieten doosje in de hand. Er zaten twee snoeren aan, van welke het ene naar de luidspreker en het andere naar het stopkontakt van de radiocentrale leidde. ‘Zo regelt hij hard en zacht,’ dacht Frits, ‘zonder op te hoeven staan.’

‘Is de familie niet aanwezig?’ vroeg hij. ‘Nee,’ zei de man, een boekje met de opening naar beneden op tafel leggend. ‘Ze zijn met hun drieën naar de Ontvoering uit het Serail.’ ‘En moest u niet mee?’ vroeg Frits. ‘Nou,’ zei de ander, ‘dat is voor wie daarvan houdt. Nee.’ ‘Het is verdomd mooi,’ zei Frits. Hij bekeek het hoofd van de man. Het was benig, maar had een dikke kin. Het grijze haar, dat alleen voor en opzij op de schedel groeide, lag in schrale banen over de kale huid van het midden. ‘Die wordt goed kaal,’ dacht hij. ‘Dat is een kwestie van maar een paar jaar.’ Hij haalde zijn shagdoos uit zijn jaszak en vroeg: ‘Wilt u een sigaret gedraaid hebben, meneer Adelaar?’ ‘Nee nee,’ antwoordde de man, ‘rook deze van mij.’ Hij wierp een geopend pakje sigaretten op tafel. ‘Engelse,’ dacht Frits. Hij stak er een op.

‘Verleden Zondag waren ze ook uit,’ zei Adelaar, ‘naar dat stuk van Shakespeare, dat – ’ ‘Driekoningenavond,’ zei Frits. ‘Opvoering van het Nieuw Gezelschap. Dat is iets geweldigs.’ ‘Ben je er geweest?’ vroeg Adelaar. ‘Nee,’ antwoordde Frits, ‘ik heb erg weinig tijd gehad de laatste dagen.’ ‘O,’ zei de ander. ‘Maar ik heb veel mensen gesproken,’ zei Frits, ‘die een goede smaak hebben. Nee, het moet een bizondere opvoering zijn. Ze wisselen van toneel met open doek. Dan komen toneelknechten in oude kostuums op, terwijl al een ander dekor naar voren schuift. Intussen danst een danseres vooraan, bij het voetlicht, op oude muziek, om de aandacht af te leiden. Dat is knap gedaan. Het is de moeite waard.’

‘Ja, ja,’ zei Adelaar, ‘er is wat te genieten in de wereld.’ ‘Kaal worden hoeft nog geen verschrikking te zijn,’ dacht Frits, ‘maar als je zulk blauw vel op je hoofd hebt, moet het wel ellendig staan.’

‘Hoe is het met uw gezondheid, als u me toestaat?’ vroeg hij, ‘bent u weer opgeknapt?’ ‘Kalm aan, kalm aan nog,’ zei de man met zoon diepe stem, dat Frits pas de laatste drie woorden verstond. ‘Hoe is het buiten?’ ‘Het weer?’ vroeg Frits. ‘O, het is niet koud. Dat kan ik niet zeggen. De lucht is wat nat, maar veel wind is er niet. U moest eens een eind wandelen, daar is het werkelijk het weer voor. Gaat u er op de vrije dagen niet uit?’ ‘Nee,’ zei Adelaar, ‘nee. Nee, dat doen we maar niet.’ Hij stak het hoofd vooruit, luisterde scherp of in de luidspreker iets bizonders werd aangekondigd en zei: ‘Vanmorgen was hier in de achtertuinen een haas.’ ‘Een haas?’ vroeg Frits. ‘Ja,’ zei Adelaar, ‘twee keer heb ik hem vanmorgen gezien. Twee keer, toen ik aan het raam kwam.’

‘Waar zou die vandaan komen?’ vroeg Frits. ‘Was het wel een haas? Zou het niet een konijn geweest kunnen zijn, die uit een hok is ontsnapt?’ ‘Nee Frits,’ zei de man, ‘ik weet wel wat een haas is. Een konijn, dat huppelt een beetje, maar het is eigenlijk bijna lopen. Maar een haas springt met grote bogen. Hij is ook veel langer en dunner.’ ‘Dat is leuk,’ zei Frits. ‘Je kan je toch aardig bezighouden,’ dacht hij. Ze zwegen. Hij keek de kamer rond. Op een hoge, antieke kast lag een grote, oude bijbel met blinkende, koperen sloten. Boven de piano hing een kleurendruk van een bosweg in de herfst. ‘Ik ben hier al acht minuten,’ dacht hij. ‘Aan de beleefdheid is voldaan.’

Plotseling boog Adelaar zich naar voren, luisterde gespannen en draaide aan de knop op zijn schoot. ‘U hoort het filmpraatje van W.J. den Tuin,’ zei de omroeper. Adelaar schikte nog snel wat in zijn stoel op orde, legde op tafel een paar boeken recht en kruiste de armen, toen de spreker begon.

Frits keek naar buiten. ‘Dat zijn de tuinen,’ dacht hij, ‘dat zijn de weilanden. Dat is de mist, de damp. En hier is een huis, waarin mensen wonen.’ De stem babbelde voort. ‘Het lijkt wel, of het licht vandaag door matglas komt,’ dacht hij. Gedurende al de tijd, dat de radiospreker aan het woord was, maakten ze geen van beiden een geluid. Frits zette een gezicht, alsof hij luisterde, met een oor naar de luidspreker gericht, maar liet de woorden niet tot zich doordringen. Toen het uit was, zei Adelaar: ‘Dat weten we weer.’ ‘Ik heb wel de gedachte,’ zei Frits, ‘dat hij maar iets kletst.’ ‘Nee,’ zei Adelaar, ‘hij heeft er wel kijk op.’ ‘Gaat u vaak films zien?’ vroeg Frits. ‘Nee,’ antwoordde Adelaar, ‘nee.’ Hij had de luidspreker weer op zacht gezet. Van het pianospel, dat aan de gang was, waren alleen de krachtige aanslagen te horen.

‘Moet je niet nog een sigaret?’ vroeg hij, ‘ik rook die rommel niet.’ ‘Ik begrijp niet, hoe iemand een pijp kan roken,’ zei Frits, een sigaret uit het pakje opstekend. ‘Het schroeit mij mijn mond kapot.’ Opnieuw viel er een zwijgen. ‘Hoe weet u dat zo precies,’ vroeg hij, ‘van die konijnen en hazen? Bent u veel in de bossen geweest?’ ‘Hazen zie je niet in bossen,’ antwoordde Adelaar. ‘Nou ja,’ zei Frits. ‘We zaten veel in dat wilde stuk land, bij het veen,’ zei de man met een onduidelijke bromstem. Hij sprak langzaam, zonder Frits aan te kijken. ‘Ja,’ zei hij, ‘salamanders vangen. Altijd salamanders vangen. Maar ze kruipen overal uit. Ik had zoon heel terrarium thuis, met een vijvertje erin, o mens, alles was voor elkaar. En dan kwaad, als ze niet meer te vinden waren.’
‘Ik ga weer verder,’ zei Frits. ‘Ik ben op de middagwandeling.’ Hij stond op en schudde Adelaar, die bleef zitten, de hand. ‘Ik vind het wel,’ zei hij. Hij las de titel van het boekje dat op tafel lag: Het Huis aan de Kant.

Hij passeerde de voorkamer, waardoor hij binnengekomen was en keek op de barometer, die naast een grote staande klok hing. Toen hij op het glas tikte, riep Adelaar: ‘Die deugt niet.’ De wijzer stond op storm. ‘Op zijn hoofd gevallen,’ zei Frits en ging de trap af.

‘Als het voor de voeten niet zo vermoeiend was, zouden we een eind kunnen wandelen,’ dacht hij, toen hij de deur had dichtgetrokken. Hij ging dezelfde weg terug. ‘Op zijn schoot heeft hij hard en zacht,’ zei hij bij zichzelf. ‘Niets is zo verschrikkelijk of er is iets, dat gruwelijker is.’

Hij ging, toen er enkele druppels regen vielen, sneller lopen, maar de bui dreef over. Toen hij thuiskwam, vond hij zijn moeder duttend in de leunstoel. Hij bekeek haar en zei in zichzelf, geluidloos de mond bewegend: ‘Ik voel me vandaag beroerd. Maar laat ons om ons heen zien. Sommige mensen worden reeds bij het begin van hun leven zwaar gestraft: zij worden als vrouw geboren. Frits van Egters, wijsgeer. Bladzijde twee en tachtig.’ ‘Waarachtig, ik begin genoeg te krijgen van die stank in mijn neus,’ dacht hij. Hij huiverde.

Er werd gebeld. Toen hij open had gedaan, kwamen Joop en Ina boven. ‘Komen jullie meteen van de schouwburg?’ vroeg hij. ‘Ja zeker,’ zei Joop. ‘Was het wat?’ ‘Matig,’ antwoordde Joop, ‘heel matig.’ ‘Ik was vanmiddag bij de oude Adelaar,’ zei Frits. ‘Ik dacht jullie te vinden, maar nee hoor. De familie was uit. Alleen de oude zonderling was thuis. Een goede man. Het is een gekortwiekte ziel. Hij heeft hard en zacht op zijn schoot.’

‘Wat?’ vroeg Joop. ‘Dat weet je toch wel,’ antwoordde Frits, ‘hij heeft die knop van de radio op zijn schoot liggen. Daar draait hij hard en zacht mee. Alle wijsheid, alle lezingen, alles wat onze aether voortbrengt, krijgt hij thuis gebracht. Wat een gemak.’ ‘Gaat je vader Zondags nooit uit, Ina?’ vroeg zijn moeder. ‘Nee, nee,’ antwoordde Ina. ‘Hij kent alle films,’ zei Joop. ‘Hij kent ze allemaal, maar hij heeft in geen jaren een film gezien.’ ‘Waar is vader?’ vroeg hij.

‘O, die is een eindje wandelen,’ antwoordde zijn moeder. ‘Joop,’ vroeg Frits, ‘wat is er met je haar gebeurd? Ik heb het nooit zo dun gezien. Het is nu uitstekend te zien, dat je aan het kaal worden bent.’ ‘Ik heb het gewassen,’ antwoordde Joop. ‘Verkeerd,’ zei Frits. ‘Wassen is vernieling van de haarwortels. Het is jammer, maar nu zal de uitval zich nog sneller gaan voltrekken.’ Hij hoorde de gangdeur opengaan. ‘Daar is hij,’ zei zijn moeder. ‘Heb je iets te roken?’ vroeg Joop. Frits begon een sigaret te draaien.

Toen zijn vader de kamer binnen kwam, zei zijn moeder: ‘Het was wel koud, zoals ik zei, niet? Ik wist het wel. Je hele gezicht staat naar de kou. Ik ben blij, dat ik niet mee ben gegaan. Ik had vast pijn in mijn kop gekregen.’ Zijn vader reikte eerst Joop en daarna Ina een hand. Hij zette een stoel bij de kachel, ging zitten, haalde zijn pijp uit zijn colbertzak en stond op. ‘Hij zoekt de tabak,’ dacht Frits, keek onder de oogleden door en zag hoe de man op zijn zakken klopte. Daarna liep hij op de tafel toe en stak zijn hand naar Frits’ shagdoos uit. ‘Hee!’ riep deze en trok de doos naar zich toe. ‘Wat?’ vroeg zijn vader. ‘O, natuurlijk,’ zei Frits haastig en duwde de doos terug. ‘Dan niet,’ zei zijn vader. ‘Wat mankeert jou? Misselijk is dat.’ Hij ging weer zitten, zonder de doos te hebben aangeraakt. ‘Zielig is dat,’ zei hij, het gezicht nijdig vertrokken, ‘dat je niet normaal met iemand van iets kunt meedelen.’ ‘Dat is het niet,’ zei Frits. ‘Iedereen mag sigaretten van mijn shag draaien. Maar als er een pijp in de buurt komt, begin ik te schreeuwen. Ze hoeven maar twee of drie keer een pijp te stoppen en het is op.’ ‘Wat zou dat dan nog?’ vroeg zijn vader. Zijn gezicht stond nog steeds vertrokken. ‘Het zou niets,’ antwoordde Frits, ‘maar ik wil het niet. Shag hoort niet in een pijp. Sigaretten draai ik voor iedereen, zoveel ze maar willen, maar als er iemand met een pijp komt, heb ik het gevoel, dat het weggegooid wordt. Op kantoor ook. Ze mogen altijd van mijn tabak draaien, maar als ze met een pijp komen, zeg ik: nee.’ ‘Ik vind het ziekelijk,’ zei zijn vader. ‘Ik heb veel slechte eigenschappen,’ zei Frits. ‘Een ervan is gierigheid. Verzoen je ermee. De ene mens deugt, de andere niet. Met de meeste kun je beter niet te maken hebben.’ Zijn vader verliet, zonder zijn gezicht te ontspannen, de kamer.

‘Waarom laat je vader toch geen pijp stoppen van je tabak?’ vroeg zijn moeder. ‘Wat maakt dat nu uit?’ Frits gaf geen antwoord. Hij liep naar zijn slaapkamer, ging voor het raam staan en keek tussen een spleet van het gordijn naar buiten. ‘Van buiten af kan niemand me zien,’ dacht hij, ‘ik sta hier als een spion.’ Zo bleef hij staan, tot zijn moeder hem riep om te eten. Ze begonnen met soep. ‘Dat is ontzettend,’ dacht hij, ‘mijn ouders slurpen. Ik had het al duizend keer kunnen horen; waarom merk ik het pas vandaag? Het is slurpen van de ergste soort.’ ‘Moeder, slurp niet,’ zei hij. ‘Heb je er last van?’ vroeg ze.

‘Nog iets bizonders te vertellen?’ vroeg zijn vader aan Joop. ‘Nee, nee,’ antwoordde deze. ‘Nee, nee,’ zei Frits bij zichzelf, ‘nee, nee, niets bizonders.’ Er trad een zwijgen in.

Na de soep zette zijn moeder aardappelen, jus, vlees en sla van rauwe lof op tafel. Frits nam twee keer en at snel. ‘De krisis is voorbij,’ dacht hij, ‘de giften vloeien af.’ Tegelijk met zijn vader was hij klaar voor het dessert. ‘Ik weet zeker,’ dacht hij, ‘dat hij met zijn vork in de schalen gaat. Kijk, kijk.’ Hij perste zijn kiezen op elkaar, toen hij zag, hoe de man met zijn vork drie keer achter elkaar een aardappel uit de dienschaal prikte. ‘Dat is onrein,’ dacht hij, ‘het is in strijd met alle wetten. Maar wij zijn machteloos.’ Zijn moeder bracht vijf kleine chocoladepuddingen binnen, elk in een theekopje. Ze kiepte ze een voor een op een schoteltje. ‘Gelukt,’ zei ze. Zijn vader begon van de zijne te eten, voordat allen bediend waren. ‘Laat ik vluchten,’ dacht Frits; ‘er is wel iets te bedenken.’

Toen zijn moeder de tafel afruimde, legde hij zijn shagdoos op tafel en vroeg: ‘Vader, wil je een pijp stoppen?’ De man antwoordde niet. ‘Het is je van harte gegund, vader,’ zei hij. ‘Het is jammer, dat ik weg moet.’ ‘Waar ga je dan naar toe?’ vroeg zijn moeder. ‘Nou,’ zei hij, ‘we zullen nog eens zien.’ ‘Dus je weet nog niet, waar je heen gaat?’ vroeg ze, ‘en je zegt, dat je weg moet.’ ‘Het een behoeft het ander niet uit te sluiten,’ zei Frits. ‘Men kan weg moeten, zonder dat men ergens heen moet. Dat zijn de gevallen, dat men ergens vandaan moet.’ ‘Blijf gezellig theedrinken,’ zei ze. Zijn vader was bij de kachel gaan zitten en warmde zijn handen. Joop en Ina hadden naast elkaar plaats genomen op de divan.

‘Joop,’ zei Frits, ‘ik hoef je natuurlijk niet te vertellen, dat je gauw kaal wordt. Maar heb je je al voorgesteld, wat je zult doen, als het zover gekomen is? De kans is groot, dat het ook in het midden gaat uitvallen. Dat je een echte kale plek krijgt. Dat ontsiert bizonder. Dan lijk je net een oude kerel. Zolang het alleen van voren dunner wordt, is er nog niet veel aan de hand. Maar als die kaalte komt, weet je dan wel, wat je moet doen?’

‘Nee,’ zei Joop glimlachend. ‘Er worden verschillende werkwijzen aanbevolen om kaalheid te bestrijden,’ zei Frits, ‘maar dat is oplichterij en de wetenschap staat hier vrijwel machteloos. Maar er zijn middelen om de leegte te verbergen. Dat haal ik niet uit een boek: jij had het ook kunnen weten, maar je kijkt niet om je heen.’

‘Ik zie niets, vooruit,’ zei Joop. ‘Kijk,’ vervolgde Frits, ‘als de kale opening erg groot wordt, kun je haar van de kanten, dat je goed lang laat worden, er over heen kammen. Omhoog kammen, naar het midden toe.’ ‘Moeten er geen spelden in?’ vroeg Joop. ‘Bah,’ zei Ina. ‘Nee, goed plakken met een of andere haarcrème,’ ging Frits door. ‘Ik geef toe, dat die dracht in strijd is met de Westeuropese mode van deze eeuw, maar van de kaalte zie je niets.’

Zijn moeder roerde de thee in de pot om. Hij keek naar zijn vader. Deze zat verdiept in een boek. ‘Ook heb je lui,’ zei hij, ‘die van voren steeds meer haar verliezen en alleen achter op hun hoofd nog groei hebben. Die laten het daar lang worden. Als ze naar de kapper gaan, laten ze het aan de zijkanten een beetje bijknippen, maar ze laten de nek niet uitscheren: ze krijgen een hele tuin in hun hals. Ze vinden, dat het er niet op aankomt, waar het haar zit, als ze de voorgeschreven totale hoeveelheid maar bereiken.’ Hij dronk zijn thee uit en zette beide handen onder de kin.

‘Waarom zou ik niet bij Bep Spanjaard langs gaan?’ zei hij bij zichzelf. ‘Ik ben daar in geen weken geweest. Is er niemand, dan wonen Jaap en Walter even dichtbij.’ Hij ging zijn jas aantrekken, stak zijn hoofd om de kamerdeur en zei: ‘Goedenavond.’ ‘Kom niet te laat thuis,’ riep zijn moeder. Hij dronk in de keuken een paar diepe teugen water en vertrok.

Buiten vielen af en toe, met zwakke briesjes, enkele spatten regen. ‘Het is vrij donker,’ dacht hij. ‘Het is mogelijk, dat we een zware bui krijgen. Maar de lucht is fris. Ik ben flink wat opgeknapt.’

Hij volgde de brede hoofdstraten naar het centrum en sloeg vlak voor een plein rechts af een zwak verlichte steeg in; hier liep hij langzaam, gevel na gevel aan zijn linker hand bekijkend, voort, tot hij aan een huis kwam, waarvan de ramen op de tweede verdieping fel licht uitstraalden. Aan de ene zijde werd het begrensd door een pakhuis en aan de andere kant was een kantoor: een lang, wit bord op de gevel droeg het opschrift ‘Verzekeringen’. ‘Hiertussen,’ zei Frits zacht, ‘hier is het.’ Hij haalde de trekbel over. ‘Wie is daar?’ riep een vrouwestem. ‘Van Egters, Frits,’ zei hij. ‘Wie is daar?’ herhaalde de stem. ‘Ik ben het, Frits,’ riep hij. ‘Welke Frits?’ ‘Frits van Egters,’ riep hij, ‘vriend van Louis, van Frans en van Bep. Oude kennis.’ ‘O, zeg dat dan,’ hoorde hij de stem, nu minder luid, zeggen. De deur ging open.

‘Je bent bepaald aan de achterdochtige kant, Bep,’ zei hij, terwijl hij een smalle, steile trap opklom. ‘Ben ik er al?’ vroeg hij luid, toen hij de overloop van de eerste verdieping had bereikt. ‘Nee, nog een keer,’ zei de stem boven hem. Hij klom verder en kwam op een portaal, waar een deur openstond. ‘Ja, kom door,’ riep de stem en toen hij op de drempel stond, liep hem een jonge vrouw van forse gestalte tegemoet. Ze was gekleed in een ruime japon en droeg het donkerblonde haar in een rol om het hoofd. Haar gezicht was fris van kleur, evenals haar voor drie vierde van de lengte blote armen. ‘Het is jammer van de tanden,’ dacht Frits, ‘die konden gunstiger staan. Maar een lieve meid is het zeker.’ Hij drukte haar de hand en zei: ‘Je bent wel vreesachtig, merk ik. Bang? Lichte neurotische aandoeningen?’

Ze gingen een diepe kamer binnen, die van de voorgevel tot de achterzijde van het huis doorliep en aan beide zijden ramen had. Op de gebeitste, oude vloer lag een biezen mat. Er stonden rieten stoelen om een witte tafel en aan de met vloeibaar behang bestreken muren waren allerlei fotoos, zonder glas, met papieren hoekjes vastgemaakt. Aan het plafond straalde een sterke lamp achter een plaat matglas.

‘Bang? Ja, bang,’ zei het meisje giechelend. ‘Gewoon bang. Vannacht om één uur werd hier gebeld.’ ‘Ha,’ zei Frits. ‘Ga toch zitten,’ zei ze. Frits liet zich in een van de rieten stoelen zakken. ‘Dus er werd gebeld,’ zei hij, ‘wat was het?’ ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ze. ‘Ik dorst me niet te bewegen.’ ‘Je had toch uit het raam kunnen kijken?’ zei Frits. ‘Nee nee,’ zei ze. ‘Is er toen weer opnieuw gebeld?’ vroeg hij. ‘Nee,’ antwoordde ze, ‘niet meer.’

‘Zeg Bep,’ vroeg hij, ‘woon je alleen in dit huis? Wat is hier onder?’ ‘Ja,’ zei ze, ‘beneden is de werkruimte en boven is de zolder.’ ‘En de huizen hiernaast? Wie zijn daar savonds?’ ‘Hiernaast? Niemand. Dat is een pakhuis’ – ze wees in de richting, waaruit Frits gekomen was – ‘daar is geen mens. En dat is’ – ze draaide zich om – ‘een kantoor. Alleen overdag zijn er mensen.’ ‘Dus je zit helemaal alleen?’ vroeg Frits. ‘Niemand beneden, niemand boven. Niemand aan de ene kant, niemand aan de andere kant. En het is avond. Hoe, hoe, hoe. Mens mens. Kijk je wel goed, of de lichtpenning in de meter nog niet op is, tegen dat het donker wordt? Stel je voor, dat de gulden op is of de stop doorslaat. Alles donker. O, help, help.’ Hij rondde de lippen en zei langzaam: ‘O, hoe. Hoe. Hoe.’

‘Neem maar flink wat van die koekjes,’ zei ze en zette een trommeltje biscuits op tafel. ‘Ik zou nooit zo alleen in een huis kunnen wonen,’ ging Frits door. ‘Hoe. Avond, nacht, stemmen, onbestemde geluiden.’ ‘Schei uit,’ zei Bep. ‘Natuurlijk,’ zei Frits, ‘je hebt een overspannen natuur. Maar je hoort vreemde, onverklaarbare geluiden. Waar of niet?’ ‘Ja,’ zei Bep. Haar gezicht stond in een lach, maar ze maakte geen geluid. ‘Toen ik gisteravond in de keuken was,’ zei ze, ‘toen wist ik zeker, dat ik iemand in de kamer hoorde. Iemand, die in een stoel ging zitten.’

‘Ha, kijk,’ zei Frits langzaam, met gedempte stem, ‘we gaan de goede kant op. Men is in de keuken en er loopt iemand de huiskamer binnen. Hij gaat in de rieten stoel zitten. Je hoort het duidelijk: eerst het geluid van het zitten gaan, dan het kraken als het volle gewicht aan de zetel wordt toevertrouwd. Je loopt langzaam, in zware angst, de gang door, op de kamer af – ’ ‘Ja, precies,’ zei Bep, ‘ja.’ ‘Je kijkt heel voorzichtig, trillend, om de deur,’ zei Frits, ‘maar er is niemand. Waar of niet?’ ‘Ja,’ zei ze.

‘En die stappen op de zolder, die hoor je ook nog vrij geregeld, niet?’ ‘Altijd,’ zei ze, heftig knikkend, ‘altijd.’ ‘En je durft niet te gaan kijken, als je alleen thuis bent,’ zei hij. ‘Hoe. God weet, wat het is.’ ‘Nee, nee,’ zei ze.

‘Toch is het gevaarlijk, alleen te wonen,’ vervolgde hij. ‘Je kan op je bed vermoord worden. Je denkt, dat er nu niemand in huis is. Maar welke zekerheid heb je daarvan? Hoe weet je, of niet iemand zich heeft laten insluiten? Ik vind het heel flink, dat je snachts hier alleen durft te zijn. Zelfs als je met zijn tweeën woont, ben je niet veilig. Denk maar aan het oude echtpaar in Haarlem.’ ‘Ik weet zeker, dat ze vraagt: wat was dat dan?’ dacht hij.

‘Echtpaar in Haarlem?’ vroeg Bep, ‘wat was dat?’ ‘Wat bedoel je?’ vroeg Frits. ‘Je had het over oude mensen, met zijn tweeën, daar was iets gebeurd,’ zei ze.

‘O,’ zei Frits. ‘Dat is niets bizonders. Er kwam een inbreker door het pleeraam naar binnen. De oude vrouw zag hem. Hij sloeg haar met een beitel wel twintig keer op haar kop, tot ze hem het geld aanwees. Toen waren ze bij het geld gekomen en toen kwam de man erbij. Die wou zich verzetten. Maar hij was zeven en zeventig jaar. De inbreker stak hem, tot hij op de grond viel. Hij was even daarna dood. Toen nam die kerel het geld en was weg. Toen ging de vrouw alarm maken. Maar te laat. Ik weet niet, of ze de dader hebben gekregen. Alleen – ja, och, dat kan ik misschien beter niet vertellen.’

‘Ja, zeg op,’ zei Bep. ‘Ik had mijn shag haast vergeten,’ zei Frits, nam zijn doos uit zijn jaszak en draaide twee sigaretten. ‘De dikke is voor jou,’ zei hij, ‘men moet hoffelijk blijven.’ Hij had een plotselinge reeks koude rillingen en voelde zijn linker ooglid vibreren. ‘Het is ellendig, dat het zo lang nawerkt,’ dacht hij.
Bep rookte met diepe trekken, waarna ze de rook bij gedeelten, in kleine wolkjes, langzaam uitblies. ‘Merkwaardig,’ dacht hij, haar benen beziend. ‘dat ze die in December nog bloot heeft. Donker, bloedrijk vlees.’ ‘Wat was dat nou?’ vroeg ze. ‘Vertel op.’

‘Dat was het bloed,’ ging Frits voort. ‘De oude was dood, die leefde niet meer. En de vrouw brachten ze naar het ziekenhuis. Want je wordt er niet beter op, als je twintig meppen en steken met een beitel hebt gekregen. Maar die dader. Die moet onder het bloed hebben gezeten. Ze hebben achthonderd meter ver door de stad sporen van bloed kunnen volgen. Het heeft van hem af moeten druipen. Verschrikkelijke dingen. Ik bezweer je, dat het zo is gebeurd.’

‘Als het niet zo gebeurd was,’ zei Bep, ‘had jij het wel bedacht. Jij schijnt niet zonder die dingen te kunnen.’

‘Zo waar als ik leef,’ zei Frits, ‘het is me altijd weer een genoegen. Die berichten van: kind door ontploffende granaat gedood. Prachtig. Laat leed van de oorlog. Dat is altijd heerlijk. Ze beginnen zo gezellig, die berichten.’ ‘Het zevenjarige zoontje,’ zei hij met een effen stem, ‘van de landbouwer Karels te Breda probeerde Woensdagmiddag met een hamer een klein model luchtdoelprojektiel te demonteren.’ Hij klapte zacht in de handen. ‘Ik zal je maar even laten uitrazen,’ zei Bep.

‘Het eindigt altijd,’ ging hij verder, ‘met: hij zal zijn linker hand moeten missen. Of: het kind overleed op weg naar het ziekenhuis. Of: hij zal het licht van een zijner ogen moeten missen. Dat is goed gezegd, niet? Het licht van een zijner ogen. Hier is een dichter aan het woord.’

Hij klapte met de tong. ‘Mooi is ook: een zesjarig vriendje, dat op enige meters afstand stond toe te zien, kreeg scherfwonden in buik en benen. Ja ja. Verschrikkelijke dingen. En zo jong, die kinderen. Lekker zielig.’
‘Moet je koffie?’ vroeg Bep. ‘Ik heb melk opstaan.’ ‘Vroeg voor koffie,’ zei Frits, ‘maar het is wel lekker. Graag.’ Ze ging een klein zijvertrek binnen, dat door een gebloemd gordijn van de kamer gescheiden werd. Even daarna kwam ze met twee koppen koffie terug. ‘Zitten er geen spijsresten op de rand?’ vroeg Frits. Ze antwoordde niet.

‘Hoe is het met je been?’ vroeg hij, toen ze was gaan zitten. ‘Jeukt het nog altijd zo?’ ‘De laatste dagen haast helemaal niet,’ antwoordde ze. ‘Laat eens zien,’ zei Frits.

Ze stak haar rechter been naar voren en draaide de binnenkant naar boven. Van de enkel tot dicht bij de knie liep een baan van bruine en donkerrode vlekken.

‘Het woekert gestaag voort, zie ik,’ zei hij. ‘Ettert het niet meer?’ ‘Nee, welnee,’ zei ze. ‘Dat bewijst nog niets,’ vervolgde Frits, ‘de verzwering is waarschijnlijk naar binnen geslagen. De pijn komt pas, als het beenvlies is aangetast. Tot zolang heb je in elk geval nog de tijd.’ ‘Ach, jij,’ zei Bep. Ze sloeg haar jurk weer naar beneden. ‘Natuurlijk, ernstige waarschuwingen in de wind slaan,’ zei hij. ‘Maar op een goede dag moet je op een stoeltje’ – hij wiegde heen en weer – ‘langs de deuren, net als het mannetje dat elk jaar komt. Dat weet je toch wel? Die had geen benen, of bijna geen benen. Nee, ze waren lam. Hij ging met potloden langs de huizen op een stoeltje, dat hij aldoor van de ene poot op de andere wrikte. Ik ben het mannetje, dat elk jaar komt. Kwam die nooit in jullie buurt?’ ‘Nee,’ zei Bep.

‘Je hebt veel gemist,’ ging Frits verder. ‘Kom je nog bij de specialist? Wat doet hij, wat zegt hij? Koudwatermassage?’ ‘Welnee,’ antwoordde ze, ‘hij geeft van die grijze zalf. Het gaat er nog harder van jeuken. Hij zegt, dat het moet uitbreken.’ ‘Denk je, dat je het er mee kwijtraakt?’ vroeg Frits. ‘Nee,’ antwoordde ze, ‘ik weet het niet. Hij zegt altijd: O. Ja ja. Ik heb al zo vaak gevraagd: dokter, wat is het eigenlijk? Dan zegt hij: Het moet een naam hebben. Het is familie van eczeem.’

‘Praten, dat kunnen ze goed,’ zei Frits. ‘Tot je naar een kwakzalver gaat. Dat kost je behalve je geld, ook je zenuwen. Maar soms helpt het. Waarom ga je nog niet naar een goede wonderdokter? Een bekwame handoplegger?’ Hij sloeg zich op de dijbenen. ‘Werkwijze Koewee. Ik voel me goed. Ik voel me nog steeds goed. Ik voel me beter. O, wat voel ik me al beter. Ik ben alweer beter dan daarnet.’ ‘Ik ben benieuwd,’ dacht hij.

‘Maandag ben ik naar zoon kerel toe geweest,’ zei Bep glimlachend. ‘Raak,’ dacht Frits, ‘precies zoals ik kon verwachten. In de roos. Een bloempje op mijn vest.’ ‘Dus toch,’ zei hij, ‘waar was het? Moest je lang wachten?’
‘In de Vlierstraat,’ zei ze. ‘Zaber, heet hij. We waren er met zijn tweeën. Gekke mensen in de wachtkamer. Je lacht je dood, als je die verhalen hoort.’ ‘Met wie was je er?’ vroeg Frits. ‘Met Lies,’ antwoordde ze. ‘Ik kwam binnen, we gingen samen naar binnen.’ Ze duwde een losgesprongen streng haar, die over haar voorhoofd hing, naar achteren. ‘Die man vroeg: moet u allebei geholpen? Nee, zei ik, ik. Toen moest ik hem aankijken. Ik kon mijn lachen niet houden. Hij zegt: u hebt iets aan uw been. Laat u maar eens zien. Hij bekeek het en toen moest ik hem weer aankijken. Hij zei: u bent ergens erg bang voor. Waarvoor? Ik zei: ik ben me nergens van bewust. Een heleboel gevraag, toen zei hij: u bent bang, dat het tuberkulose is.’ ‘Natuurlijk,’ zei Frits, ‘dat is ook het waarschijnlijkst.’ ‘Ik wist nergens van,’ zei Bep. ‘Hij vroeg me: Hebt u vertrouwen in me? Wij moesten aldoor lachen. Als het moet wel, zei ik.’ ‘Heel goed,’ zei Frits, ‘en toen ging hij in je been kneden.’

‘Nee,’ zei Bep, ‘hij ging er met zijn handen overheen, maar kwam er net niet aan.’ ‘Een nette kerel,’ zei Frits. Bep zette het been weer vooruit en maakte met de handen, met de palmen naar elkaar toe gekeerd, strelende bewegingen van boven naar beneden. ‘En elke keer,’ zei ze, ‘sloeg hij zijn handen uit, net of ze nat waren. Dat had je moeten horen. Die botjes knetterden geweldig. Net of hij met zijn handen tegen een kast sloeg.’ ‘En jullie lachen,’ zei Frits. ‘We lachten ons kapot,’ ging ze door, ‘hij deed dat wel tien minuten. Die man moet savonds wel half dood zijn.’ ‘Hielp het?’ vroeg Frits. ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ze, ‘maar toen ik wegging, merkte ik, dat het niet meer jeukte.’

‘Hoera,’ zei Frits, ‘en toen betalen. Wat vroeg hij?’ ‘Een rijksdaalder. Hij vroeg eerst heel netjes, of ik het betalen kon.’ ‘Nou, kijk eens aan,’ zei Frits, ‘voor een tientje ben je van alles af. Hij knijpt je aan de ene kant en aan de andere kant vliegt de tering er uit. Opzij! Triomf der wetenschap. Ga je er mee door?’
‘Waarom niet?’ zei Bep. ‘Ik was bij mijn moeder. Die zegt: Als het helpt, er mee doorgaan. Mij best, als ze het ook betalen wil.’ Ze kneep in haar been en trok het weer naar zich toe.

‘Zo komt het bijgeloof in de wereld,’ zei Frits. ‘In Dordrecht was een heel beroemde piskijkster. Het verhaal heb ik van een tante: het is echt zo gebeurd. Die was heel rijk geworden. Een vroegere jonge hoer uit Rotterdam. Ze had een rijtuig en een koetsier en een page in livrei, die de mensen in de wachtkamer hun plaats aanwees. Ze hield de pis in een glazen bak boven een vlam en zei dan wat er aan scheelde. Ze gaf kruiden, voor iedere patiënt dezelfde, maar dat merkten ze later pas. Op een dag komt er een boer. Uit Dubbeldam, geloof ik. Die heeft een fles vol van zijn oude moeder bij zich. Dat mens zegt: Ze is aan de beterende hand, ze zal met een paar dagen wel opknappen. Ha, precies, dat zei ze.’ ‘Het is weer een of ander naar verhaal,’ zei Bep.

‘Nee, laat me dat even vertellen,’ ging Frits door. ‘Ze zei dus: Ze wordt gauw beter. Maar binnen een week was die oude moeder dood. Weet je, wat die boer deed? Hij vulde een fles met varkenspis en ging naar de stad. Hij gaat binnen, dat mens vermoedt niks. Houdt het bakje boven de vlam; ze zegt: Gelukkig, ze gaat goed vooruit. Toen heeft die boer een geweldige rel gemaakt, dat moet iets zeldzaams zijn geweest. De kranten begonnen ook mee te doen. Toen moest ze de stad uit vluchten en ze gooiden haar ruiten in. Heel aardig.’ ‘Ik voel me tamelijk beroerd,’ dacht hij. ‘Als ik niet te laat naar bed ga, kan ik morgen weer fris zijn.’

‘Heb jij De Groene Weiden gezien?’ vroeg Bep. ‘Dat is die negerfilm, niet?’ vroeg Frits. ‘Nee, die heb ik niet gezien.’ ‘Weet je niet, of het wat is?’ vroeg ze. ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘ik heb er veel goeds van gehoord.’ ‘Ik ga er namelijk morgenavond heen,’ zei Bep. ‘Waar draait hij dan?’ vroeg Frits, ‘die draait toch nergens op het ogenblik?’ ‘Nee,’ zei Bep, ‘het is een nachtvoorstelling in Lantaarn. Om half twaalf. Voor het Vrije Spreekgestoelte.’‘O,’zei Frits,‘ik wil er ook wel heen. Wat kost het?’ ‘Een gulden,’ zei Bep. ‘Denk je, dat ik nog een kaart kan krijgen?’ vroeg hij. ‘Ik moet de kaarten nog afhalen,’ antwoordde ze, ‘dan – ja, dat is twee – ja, dat doe ik wel. Kom morgenavond maar hier langs. Dan zijn we hier allemaal.’

‘Wie?’ vroeg Frits. ‘Eduard, Louis, Jaap en Joosje,’ antwoordde ze. ‘O, goed,’ zei Frits, ‘zal ik je nu vast betalen?’ ‘Nee,’ zei ze, ‘dat komt later wel.’ Ze zwegen enige tijd. ‘Ik moet nog wat werken,’ zei Bep. ‘Ik moet nog wat ontwikkelen, dat morgen klaar moet zijn.’ ‘Ja,’ zei Frits, opstaand, ‘ik moet trouwens weg.’ Hij liep op een boekenkastje toe en nam een speelgoedkonijn, dat op de bovenste plank tegen de muur stond, in de hand. Het was van lichtbruine, ruige wol, met een witte buik. Hij nam het op de arm, tegen de borst en zei: ‘Lief hè? Lief konijn. Hij is lief. Altijd weer krijg ik tranen in mijn ogen, als ik het zie.’ ‘Vind je hem leuk?’ vroeg Bep. ‘Je kan hem lenen. Wil je hem mee hebben?’ ‘Mag hij een paar weken bij mij logeren?’ vroeg Frits, het dier aaiend. ‘Heel graag.’ Hij zette het op tafel en knoopte zijn jas dicht.

‘Heeft je moeder wel genoeg koffie en thee?’ vroeg Bep. ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Frits. ‘Je weet dat we een zuinig gezin zijn.’ ‘Wat gebeurt er?’ dacht hij. Bep stond op, ging de ruimte achter het gebloemde gordijn binnen en legde, toen ze terugkwam, een pakje thee en een zakje koffiebonen op tafel. ‘Neem dat maar mee,’ zei ze. ‘Wat betekent dat?’ vroeg hij, ‘had je iets van mijn moeder geleend?’ ‘Nee,’ antwoordde ze.

‘Ik zou niet durven beweren, dat ik er iets van begrijp,’ dacht hij, stak de pakjes bij zich, nestelde het konijn onder zijn jas, bij de oksel, en vertrok. Het regende. ‘Nog pas kwart voor negen,’ dacht hij, op zijn horloge ziend.

Thuis opende hij zonder geluid de gangdeur, sloot hem zacht achter zich en bleef staan. ‘Wat wil je dan?’ hoorde hij zijn moeder in de huiskamer zeggen. ‘Als ik maar wist, wat jij wilde. Maar je wil niets. Je weet zelf niet, wat je wil. Je zegt, dat ik snauw. Maar ik zeg nooit wat. Vanmorgen vroeg ik jou: Kam je je haar met dat kleine nagelborsteltje? Mag ik dat niet vragen? Moet jij dan antwoorden: Mag het? En je keek, of je me wel kon vermoorden. Je voelt je bedreigd. Bedreig ik je?’

Er was even een stilte. Frits opende de deur weer, trad geruisloos achteruit het portaal in, sloot de deur voorzichtig en opende hem dadelijk daarop weer met omslachtig gerammel. Daarna wierp hij hem krachtig dicht en liep neuriënd naar binnen. Zijn moeder zat bij de kachel in de lage leunstoel; zijn vader zat bij tafel. Beiden bleven zwijgen, toen hij binnenkwam en groette. ‘Niet best,’ dacht hij, ‘lang niet best. Vlug, vlug.’
‘Wanneer heb jij voor het eerst een film gezien, vader?’ vroeg hij. ‘Wat?’ vroeg zijn vader. ‘Herinner jij je nog,’ vroeg Frits luid, ‘wanneer je voor het eerst een film zag?’ ‘Ja, ja,’ zei de man, een diepe zucht uitblazend, ‘op de kermis, als jongen. Levende beelden, heette dat toen.’ ‘Dat was toch geen film,’ vroeg zijn moeder, ‘je had toen toch geen film?’ ‘Hoe weet jij dat nou?’ vroeg zijn vader, het gezicht in een geërgerde plooiing trekkend. ‘Ik geloof er niks van,’ zei ze. ‘Nou, dan geloof je het niet,’ zei zijn vader.

‘Bewoog het werkelijk, of waren het lichtbeelden?’ vroeg Frits. ‘Welnee,’ antwoordde zijn vader, ‘het was film. Een beetje houterig. En het danste nogal.’ De kwade trek op zijn gezicht verdween. ‘De kommiezen achter smokkelaars aan. En schieten. Pang!’ Hij maakte met de rechter hand het gebaar van het afvuren van een pistool. ‘Ik vond het erg mooi. Het heeft toen veel indruk op me gemaakt.’ ‘Zonder geluid,’ zei Frits. ‘Ja, zonder geluid,’ zei zijn vader. ‘Weet ik nog een vraag?’ dacht Frits. ‘Nee, ik weet er geen een.’ ‘Ik ga een beetje vroeg naar bed,’ zei hij, ‘want ik moet morgen weer fris zijn.’ Met gesloten ogen verliet hij, zacht lopend, de kamer. De twee pakjes legde hij in de keukenkast. Het konijn nam hij mee zijn slaapkamer in: hij zette het op zijn boekenkast.

Hij wierp zijn kleren met een achteloze beweging over de stoel voor zijn bed. ‘Geen tijd voor al dat plooien en ophangen,’ mompelde hij. Toen hij in bed lag, dacht hij: ‘Ik heb mijn tanden niet gepoetst. Ik moet er weer uit.’ Hij richtte zich enige keren een eindje op, maar kwam het bed niet uit. ‘Ik tel tot twintig,’ dacht hij. Bij vier en twintig sprong hij op de vloer en ging naar de keuken. Na het tandenpoetsen, liet hij zijn onderbroek zakken en bekeek, de scheerspiegel tussen de benen houdend, zijn kruis en, met de vrije hand een dij opzij trekkend, de aarsopening. ‘Erg onsmakelijk,’ mompelde hij. ‘Als je het op een foto zo van onderen zag, zou je niet geloven, dat het een stuk van een mens is. Ach, ach.’

Hij hing de spiegel op en ging weer naar bed, maar raakte niet dadelijk in slaap. ‘Dat heb je, als je vroeg naar bed gaat,’ dacht hij. ‘Het helpt niets, want de slaap komt niet. Je wordt zo zenuwachtig als de hel. Bovendien heb ik een deken te weinig over. Ik moet er weer uit. Een erbij uit de kast halen.’ Hij wiegde zich heen en weer, gaf af en toe met de vuist een slag op de muur en viel pas na drie kwartier in slaap.

Hij zat in een kano en peddelde op een groot, effen meer. De hemel was betrokken. Wind was er niet, zodat de zwarte waterspiegel volkomen vlak was. ‘Het water stijgt,’ dacht hij. In de kano kwam steeds meer water te staan. Hij peilde het met de hand en tastte daarna in het water buiten de boot. ‘Gruwelijk teken,’ dacht hij, ‘het water hier binnenin de boot is veel kouder dan dat er buiten. Het is ander water. Waar komt het vandaan?’
Hij peddelde zo hard hij kon. ‘Als ik de wal maar eerst zie,’ zei hij hardop. Het water op de bodem steeg en bereikte zijn benen en dijen. ‘Ik ben verloren,’ dacht hij. Het water bleef stijgen, de kano kwam steeds dieper te liggen en het begon donker te worden. Hij kwam steeds langzamer vooruit, hoe hard hij ook roeide. Eindelijk was het bootje tot de rand volgelopen.

Hij hield op met peddelen, bewoog zich niet en wachtte. ‘Het zal, als ik niet beweeg, blijven drijven,’ dacht hij. Op dat ogenblik zag hij in de verte tegenover zich, in de avondschemering een vloedgolf aankomen ter hoogte van een huis. ‘Een muur van water,’ dacht hij, ‘het is de vloedgolf.’

Het water om hem heen begon geleidelijk door de zuiging de aanrollende golf tegemoet te stromen: hij zag het aan stofjes, bladeren en strootjes, die steeds sneller voorbijgleden. Uit de verte klonk onafgebroken gedreun. ‘De stroom heeft mij nog niet gegrepen,’ dacht hij, ‘ik moet het proberen.’ Hij wendde de kano om en begon te peddelen, maar kwam nauwelijks vooruit. Toen hij achterom keek, was de vloedgolf al dichtbij gekomen: een fijn waas van verstoven water zweefde er boven. Het bulderen was duidelijk te onderscheiden in het spatten van het schuim en het dreunen van de vallende watermassa.

Hij werd wakker, maar kwam niet tot helder denken. Nog voor hij zich de inhoud van de droom geheel herinnerde, sliep hij weer in. Het was drie uur.