Lebberende hond is geavanceerde drinker

De hond knoeit weliswaar enorm met water als hij drinkt, maar toch heeft hij een mooie beweging ontwikkeld om snel veel vocht binnen te krijgen.

Eerherstel voor de slobberende hond. Ja, vergeleken met katten maken ze er een kliederbende van als ze uit hun bak drinken. Maar ze gebruiken hun tong niet als een slecht vormgegeven lepel, zoals eerder gedacht werd. Hun drinktechniek is allerminst ‘primitief’, zoals deze krant in 2010 nog schreef.

Dat blijkt uit onderzoek van Sunghwan Jung en drie collega’s van Virginia Tech in Blacksburg, Virginia, die slow motion-beelden schoten van 19 slobberende honden in de buurt. Ze gingen langs bij de baasjes met doorzichtige drinkbakken en twee Go-Pro-camera’s. Dat zijn kleine amateurvideocamera’s. Belangrijk is dat ze 120 beeldjes per seconde kunnen vastleggen en in slow motion zichtbaar maken wat het menselijk oog mist.

Een analyse van de beelden publiceerden de onderzoekers half december online in het wetenschappelijke tijdschrift PNAS. Jung zit al langer in de lebberfysica. Vijf jaar geleden had hij in Science een artikel over drinkende katten.

Katten en honden hebben, als toehappende roofdieren, open wangen. Hun bek moet wijd open kunnen om een grote prooi vast te pakken. Hun mondhoeken zitten ver in hun wangen. Water opzuigen met hulp van een onderdruk, zoals mensen, paarden en bijvoorbeeld ook olifanten doen, kunnen ze daardoor niet.

Katten lossen dat op door hun gekromde tongpunt elegant op het wateroppervlak neer te laten dalen, en weer snel op te trekken. De onderdruk trekt een kolommetje vloeistof mee. Voordat dat weer terugvalt, hapt de kat zijn bek dicht.

Honden daarentegen breken dwars door het wateroppervlak heen met een tong die scherp naar achteren geknikt is, als een soort achterstevoren gehouden pollepel. Het leek altijd alsof de hond zo het water naar binnen lepelt.

Toch is dat niet zo, onthullen de camerabeelden. Aan de binnenkant van de zadelvormige tong-knik blijft nauwelijks water liggen, het spat eerder naar de zijkanten. Wel vergroot de knik het oppervlak aan de voorkant van de tong, die als een zuignap in contact komt met het water.

Voor het overige lijkt de hond net zoals de kat te drinken: de tong wordt snel naar boven getrokken, waardoor een kolommetje water meekomt. Net voordat het water terugvalt, hapt de hond zijn bek dicht.

Maar de hondentong bereikt daarbij veel hogere snelheden dan die van de kat, tot 2 meter per seconde tegen 75 cm per seconde voor de kat. De meeste honden zijn dan ook groter dan katten. De grotere tongsnelheden, de dikkere grotere tongen plus de zuignap-knik, zijn kennelijk nodig om genoeg water binnen te krijgen. Dat hij met die techniek ook veel meer water rondspettert, zal de hond verder een zorg zijn.

Blijft één vraag over voor Jung: hoe drinken katachtigen als tijgers en leeuwen, die groter zijn dan honden? „Interessante vraag”, mailt hij terug, „We hebben een paar video’s van grote katachtigen, maar het valt niet te zien. Misschien drinken ze wel als honden, al zullen biologen dat niet leuk vinden.”