Column

Kerstlunchtijd in Denemarken

Eind november, half acht ’s morgens. In het trappenhuis ligt een roerloze man. Een onbekende. Goed gekleed, geschoren, pasjes en telefoon als confetti om hem heen. Is hij dood? De manier waarop hij ligt – billen op de bovenste trede, achterover de gang in – doet vermoeden dat hij het zitten gewoon heeft opgegeven, maar op mijn schrille gil komt geen reactie.

Iemand op weg naar de tandarts, op de eerste verdieping, stapt zwijgend over de man heen.

Mijn geliefde - haastig aangeschoten broek - pakt zijn schouder en schudt even. „Wat is er met jou gebeurd?” Het lichaam beweegt even. Vanaf een trap hoger ruik ik opeens alcohol. Ach, natuurlijk. Kerstlunchtijd. Vanaf november organiseren alle Deense werkgevers kerstlunches, die overigens meestal ’s avonds zijn. Op kosten van de baas wordt er gegeten en vooral: gedronken. De van huis uit behoorlijk gereserveerde Denen – op spontane uitroepen of grappen krijg ik zelden reactie – drinken door tot ze niet meer kunnen. Op straat wordt het ’s avonds lastig zwalkende Denen te omzeilen, net als de plassen al dan niet bevroren kots. Geen Deen die ervan opkijkt.

Er heerst geen enkele taboe op bovenmatig alcoholgebruik, hoe oud, gereserveerd of welgesteld je ook bent en hoe dicht je ook bij je baas zit. En wat gebeurt tijdens de kerstlunch, blijft op de kerstlunch. Ook al ben je zelf de baas of beledig je die.

Waarom? De meeste Denen die je het vraagt, weten het niet. Het is gratis. En het is gewoon altijd al zo geweest.

Volgens Anders Christensen, folklorist bij Dansk Folkemindesamling, dat zich bezighoudt met ‘immaterieel cultureel erfgoed’, heeft het een functie. „Kerstlunches, en feesten in het algemeen, werken als een ‘ventiel’ in kleine gemeenschappen, zoals Denemarken altijd heeft gehad. Er zijn ontelbare verenigingen, maar ook een bedrijf of afdeling kun je zien als zo’n gemeenschap. Je hebt elkaar nodig, dus het is niet altijd slim je ongenoegen naar de ander te uiten. Maar op een feest kun je, wellicht geholpen door de drank, dingen tegen je baas of collega zeggen die je normaal niet zou zeggen. De hiërarchie is tijdelijk verdwenen, en soms zelfs even omgekeerd. Er kunnen grenzen afgetast worden, waar je later in het werk weer plezier van hebt.”

De Deen in het portiek, waarschijnlijk een hoop te delen met zijn baas, heeft zich inmiddels een beetje opgericht. „Een ambulance, of naar huis?”, vraagt mijn man. „Naar huis”, mompelt hij. Hij kijkt er vriendelijk bij, maar doet geen poging om op te staan. De volgende tandartspatiënten zijn alweer over hem heengestapt.