In de Nederlandse literatuur wordt steeds lekkerder gegeten

Voor je de tournedosdikke bloemlezing van Ronald Giphart aansnijdt, denk je nog dat Nederland vooral een anti-culinaire literaire traditie heeft, met de aardappeltreurnis van De avonden voorop. Reve staat niet in deze verhalenbundel, de erven Reve maken het bloemlezers wel eens lastig, wellicht omdat Giphart zocht naar teksten waarin het eten het verhaal stuurt. Voor niet elke langsvliegende kip was plaats. W.F. Hermans figureert met een passage uit Nooit meer slapen, waarin het eten de aandacht trekt door van een dienblad te vallen (koffie, ‘de pudding hecht zich in kwaadaardige klodders aan zijn pak’) of afwezig te zijn: ‘No gravad laks in the whole city! […] No striptease either! Good luck to you sir!

Vooral in de recente literatuur wordt geweldig gegeten. Neem Ernest van der Kwast of de oesterschrijvers Grunberg en Peper. Maar dat zijn voor de eenentwintigste-eeuwer al te verse gerechten. Mooi is de liefdesverklaring van Louis Couperus aan de rijsttafel, inclusief een zinnetje dat tegelijkertijd een eet-, literatuur- en levensles is: ‘Men houde zijn rijst zelve zo lang mogelijk wit en maagdelijk.’ Geweldig is ook ‘Kreeftcocktail’ van Couperus’ biograaf Frédéric Bastet, waarin een echtpaar zich door Rome laat rondleiden in afwachting van een lobstercocktail. Eten doet hier goed dienst als karakterisering van een mens: ‘Zijn gade achter in de auto wekte associaties met een kleurig, zij het tamelijk vettig vruchtentaartje.’

Mild anticulinair is het fragment van Hans van Hartevelt – een verzameling als deze dient ook om nieuwe schrijvers te ontdekken. Daarin wordt een Chinees gedwongen om ‘ha-ring’ en ‘pa-ling’ te eten; een stille wraak voor alle onaangenaamheden die de hoofdpersoon in China op zijn bord kreeg. En er staat de zin ‘haring is geen huisdier’ in, waardoor je prompt gaat denken dat haring juist wél een huisdier is.