Ellsworth Kelly maakte van kleur een fysieke ervaring

Ellsworth Kelly (1923-2015)

Een van de grootste naoorlogse Amerikaanse abstracte schilders.

Drie werken van Ellsworth Kelly uit het Stedelijk: Blue, Green, Red I (1964),Blue Red Rocker (1963) enBlue Curve VI (1982)

„Als je de geest kunt uitschakelen en alleen met je ogen kijkt, wordt uiteindelijk alles abstract”, zei Ellsworth Kelly in 1991. De Amerikaan was een van de bekendste vertegenwoordigers van de naoorlogse abstracte schilderkunst. Zijn monochrome doeken, vaak met afwijkende waaier- of ruitvormen, behoren tot de hoogtepunten van de ‘hard edge’ en ‘colorfield painting’. Zondag overleed de schilder, op 92-jarige leeftijd. Volgens zijn galeriehouder Matthew Marks had hij afgelopen week nog vijf nieuwe schilderijen afgemaakt.

Hoewel zijn schilderijen pure abstractie lijken te vertegenwoordigen, vond Kelly zijn inspiratie in het dagelijks leven. De vormen van zijn doeken ontleende hij aan natuur en architectuur: aan de contouren van een boomblad, de bogen van de Brooklyn Bridge of het silhouet van een kerkraam. Zijn kunsthistorische inspiratiebronnen varieerden van de cut-outs van Matisse tot Byzantijnse mozaïeken.

Kelly werd op 31 mei 1923 geboren in Newburgh, New York en studeerde van 1941 tot 1943 kunst aan het Pratt Institute in Brooklyn. In 1943 werd hij opgeroepen voor zijn dienstplicht en naar het front in Europa gestuurd, waar hij vlakbij Parijs gestationeerd werd en onder meer camouflageprints ontwierp. Na de oorlog keerde hij terug naar de Franse hoofdstad en schreef hij zich in bij de École des Beaux-Arts. Hij ontmoette er Franse kunstenaars als Constantin Brancusi en Jean Arp, maar ook Amerikanen als Alexander Calder, John Cage en Merce Cunningham. In Parijs ontstonden zijn eerste abstracte werken, die hij baseerde op het spel van het licht op de Seine, de schaduwen van bomen of het patroon van stoeptegels. „Ik besefte dat ik geen beelden wilde componeren”, zei Kelly in 1996 over die vroege periode. „Ik wilde ze vinden.”

Na zijn terugkeer naar Amerika, in 1954, vond zijn werk vrij snel weerklank. New York was op dat moment in de ban van de abstract-expressionistische schilderkunst, Kelly’s werk sloot verbazingwekkend goed aan bij dat van Amerikaanse collega’s als Ad Reinhardt, Barnett Newman en Mark Rothko. In 1957 kocht het Whitney Museum een van zijn schilderijen aan, in 1959 had hij zijn eerste show in het MoMA, samen met andere aanstormende talenten als Robert Rauschenberg, Jasper Johns en Frank Stella. In 1966 mocht hij Amerika vertegenwoordigen op de Biënnale van Venetië, twee jaar later nam hij deel aan Documenta IV in Kassel. Zijn eerste Europese solotentoonstelling vond in 1979 plaats in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Dankzij de toenmalige directeur Edy de Wilde bezit dat museum meer dan twintig van Kelly’s werken.

Zeven decennia lang bleef Kelly trouw aan zijn abstracte beeldtaal. Zijn heldere, zinderende kleuren waren zijn handelsmerk. Hij zag zichzelf in de eerste plaats als een colorist. „Ik houd van kleur in de meest pure vorm”, zei Kelly. „Ik houd niet van gemengde kleuren of van diepe kleuren die moeilijk te definiëren zijn. Ik hield van rood, geel, blauw, zwart en wit – daarmee ben ik begonnen.” Zijn ambitie, zei Kelly ooit, was „to make color real”. Kleur zelf is bij hem het onderwerp, de vorm, de materie. Wanneer je voor zijn schilderijen staat, ervaar je kleur haast als iets fysieks. Ze geven je energie.