De teksten blijven toch het mooist

Adriaan van Dis en Olga Zuiderhoek samen op toneel. Zij speelt zijn moeder, maar was ze echt zo verongelijkt?

Adriaan van Dis enOlga Zuiderhoek in de voorstellingIk kom terug. Foto’s Bos theaterproducties/Bert Nienhuis

Tiranniek of toegewijd, een kwelling of een zegen? De moederfiguur uit de roman Ik kom terug (2014) van Adriaan van Dis is op ongrijpbare manier ook nog boosaardig en manipulatief. Al tijdens het schrijven zag Van Dis in deze complexe gestalte een toneelpersonage voor zich, gespeeld door Olga Zuiderhoek. Hijzelf vertolkt de rol van de zoon.

In de entree tot de voorstelling memoreert Van Dis dat hij „zijn moeder een podium wil geven”, met als plaats van première de Amsterdamse Kleine Komedie. In dit imaginaire gesprek repliceert zijn inmiddels overleden moeder: „Maar waar is dan de Grote Komedie?” Hiermee typeert Van Dis treffend de ongebroken macht die de moeder heeft over haar zoon. Telkens alles beter weten, hem steeds aftroeven.

De theatervoorstelling naar Ik kom terug is allesbehalve een reguliere boekbewerking. Het wat rommelige decor bestaat uit een werktafel, een met doeken gedrapeerde fauteuil en een rek met kostuums. Van Dis slaat in de openingsscène meteen een onvervalst Indische toon aan als hij de inhoud van zijn moeders handtas beschrijft, met daarin edelstenen en occulte geschriften. Zwart-witfoto’s van de Nederlands-Indische tijd zweven voorbij. Want daarginds liggen de wortels van deze vrouw, aanvankelijk een trotse blanke in de Oost, maar gebroken door het Japanse kamp. Nu staat de moeder aan de rand van de dood en smeekt ze haar zoon om een zelfmoordpil. Tegelijk hecht ze hartstochtelijk aan het leven.

Prachtig taalgebruik

Begrijpelijk dat de auteur in zijn boek een toneelstuk verscholen ziet. De dilemma’s en het drama, gedragen door Van Dis’ prachtige taalgebruik, doen in theatraal opzicht het allermooiste vermoeden. Maar het wrikt. Regisseur Michiel van Erp mixt vele stijlen, waarin als groot bezwaar geldt dat de rolinvulling nogal schetsmatig is. Zuiderhoek neemt nu eens de rol aan van de moeder, dan weer is zij de ondervraagster van de schrijver. Was je moeder echt boosaardig? Wat betekende dat Indië toch? Zelfs als ze even de moederrol vertolkt, is dat zonder enige grandeur of glorie. Ze draagt een grauwig mantelpak en sleetse kostuums, haar blik is weggedraaid, een en al ontoegankelijkheid. Zuiderhoek brengt de verongelijktheid zo zichtbaar, dat je als toeschouwer ernaar snakt momenten van tederheid en vooral haar fierheid te zien. Het mokkende personage dat ze nu is neemt alle luister weg. Wie bekend is met het Nederlandse theaterverleden herkent in deze realistische stijl het legendarische Werkteater, het experimentele theatergezelschap uit de jaren zeventig en tachtig waaraan Zuiderhoek was verbonden.

Door de vele rolwisselingen krijgt Ik kom terug iets van schuifdeurentoneel, terwijl het boek groots is. De roman beschrijft de steeds wanhopiger zoektocht van zoon naar moeder. Zij vertelt, hij maakt gejaagd aantekeningen op de rand van haar afgrond. Ik mis strakke belijning, alsof we halverwege het repetitieproces zijn beland. Pas aan het slot neemt de voorstelling een totale wending: Van Dis zit aan zijn moeders voeten en leest in een voice-over de verbluffende scène voor waarin de zoon met de moeder een hevig gevecht voert, liefdevol en ook genadeloos: hij onder dan weer boven, zij slaand en hij hardhandig haar tot orde roepend. Deze scène laat zich niet spelen, terwijl het de meest dramatische is uit de roman. Elk woord, elk beeld komt krachtig aan. Dit laatste tafereel rechtvaardigt de klemmende vraag of deze toch al theatrale roman gebaat is bij een toneelversie als deze. Eenvoudigweg voorlezen blijkt onverwacht de sterkste troef. Extreem indringend in alle soberheid.