De rock-’n-roll spat van de pagina’s

In zijn laatste strip voor hij in januari overleed tekende Peter Pontiac eindelijk over de dood.

Tekeningen uit Styx, de laatste strip van Peter Pontiac.

Jarenlang worstelde Peter Pontiac met zijn voornemen een stripboek over de dood te maken. Het onderwerp paste hem als zwarte romanticus, melancholiek en geneigd tot het grote gebaar. Maar de werkelijkheid doorkruiste zijn artistieke getob: in 2010 werd hepatitis C bij hem vastgesteld. Het bracht hem er uiteindelijk toe zijn gevecht met deze doodsaanzegging in stripvorm te gieten.

Begin 2015 overleed Pontiac, alias Peter Pollmann, op 63-jarige leeftijd, voordat hij zijn verhaal kon voltooien. Wat hij af had, is gepubliceerd als Styx, of: de zesplankenkoorts. De tekeningen beslaan de eerste helft van het boek, de periode van 2001 tot en met 2011. De tweede helft bevat fragmenten uit zijn correspondentie met vrienden en familie vanaf 2012 tot aan zijn dood. Meer dan een boek over de dood is het een boek over ziek zijn en over de totstandkoming van het boek zelf geworden.

Na de diagnose overdenkt Pontiac allereerst hoe hij de ziekte vermoedelijk heeft opgelopen: van een vieze naald uit zijn junkietijd. Dat herinnert hem aan het kommervolle sterven van oude kameraden uit die tijd. Zijn kwellingen verdiepen zich als hij cirrose krijgt, een dodelijke leveraandoening. Het gedwongen afscheid van de alcohol bezorgt hem de blues: ‘Ik hoorde mijn trein komen en had er niks bij te drinken.’

Pontiacs exuberante tekenstijl voorkomt dat het universum van dikke voeten, aftakeling, dokters en ziekbed een timide treurgang oplevert. De rock-’n-roll spat van de pagina’s af. Zo tekent hij een injectienaald ter grootte van een raketwerper op de schouder van een dokter. Aan zo’n metafoor herken je Pontiac. Waar mogelijk leeft hij zich uit op doodshoofden, bloedende harten en vergelijkbare symbolen. Hij zingt en blaft de dood zijn kleurrijke bijnamen toe: De Geschuwde Spelbreker, Zijne Onvermijdelijkheid, Gratenpakhuis, Knekelmans, Stiekem Ventje.

De veertien statiën van de kruisgang hadden het boek zijn structuur moeten geven. De bijbehorende emblemata met motto’s lopen van ‘de dood wordt gehaat’ tot ‘de haat wordt gedood’. Dat laatste is positief, want hij was en bleef, zoals hij zelf zei, ‘een oude hippie’. In zijn mails toonde Pontaic zich tot het einde toe zo monter als mogelijk. Hij ging voor de Stoïcijnentrofee, schreef hij, maar dat het tekenen hem onmogelijk werd, frustreerde hem bovenmatig. Het gedroomde doodsboek kwam niet af. Wat rest is een even navrant als waardig afscheidsdocument.

    • Ron Rijghard