Boom ploetert in het Vlaamse zand

Lars Boom maakte in België zijn rentree, na drie jaar. Niet om te presteren, maar om wedstrijdritme op te doen. „Het kan alleen maar beter.”

Lars Boom

Vader en dochter Vroom uit Bennekom staan zich te verkneukelen op de steilste helling van het parcours. Hier viel zojuist de beslissing in de vrouwenwedstrijd en dat zal straks niet anders zijn bij de mannen. Het is de eerste keer dat de twee voor een veldrit naar Vlaanderen zijn gekomen, en ze hebben een goede reden: Lars Boom is terug, na een afwezigheid van bijna drie jaar.

Met hun stevige schoenen diep in het zand kijken ze verwachtingsvol naar beneden. Daar komt Boom straks door een krappe bocht, hij zal zijn fiets op zijn rechterschouder werpen en naar boven rennen, om er dan precies waar zij staan weer op te springen en met zijn krachten te smijten door in het kleinste verzet hortend en stotend omhoog te fietsen. „Ik denk een plek bij de eerste tien. Dat heeft hij zelf ook gezegd”, zegt Hemke Vroom. Vader Watze knikt. „Ja, dit snelle parcours is in zijn voordeel. Het is droog, er is geen zuigende modder. Hier hoort hij thuis.”

Beneden op het circuit van Heusden-Zolder, decor van de vijfde wereldbekerwedstrijd veldrijden van dit seizoen, klinkt een fluitsignaal. Bijna zeventig veldrijders sprinten voor wat ze waard zijn om een goede uitgangspositie te verwerven voor de eerste bocht. Omdat Boom dit jaar nog geen cross reed en dus ook geen punten verdiende, start hij op de laatste rij – in principe kansloos voor een topklassering.

„Allez, Lars zit in ’t pak jongens.” Drie mannen met een stalen heupfles likeur in hun handen zien dat Boom voortvarend gestart is en razendsnel dertig plaatsen is opgeschoven. „Het is ook een klasbak, hè mannen”, zegt een van hen. Ze herinneren zich de cross van 2010, hier in Heusden-Zolder. Boom was er oppermachtig in de sneeuw, van start tot finish, en reed jongens als Kevin Pauwels en Niels Albert weliswaar glibberend maar met speels gemak op achterstand.

Vijf jaar later is alles anders. Het weer, dat ook – het is ongewoon warm. En Boom ziet al in de tweede ronde geen spoor meer van zijn trainingsmaatje Lars van der Haar en regerend wereldkampioen Mathieu van der Poel, mannen – of jongens nog eigenlijk – die het veldrijden naar een hoger plan hebben getild. Het veldrijden was in de breedte nog nooit van dit niveau.

Klappen uit respect

Boom heeft zijn Astana-tricot tot vlak boven zijn navel open geritst, zijn mond staat ver open. Op de helling waar het duo-Vroom zich heeft opgesteld zie je het verschil met weleer: waar zelfs de langzaamste renners fietsend omhoog komen, moet Boom lopen, zijn beide handen ter ondersteuning aan het stuur. Hij heeft de kracht ook niet om zijn matzwarte fiets over zijn schouder te gooien; er is weinig explosiviteit in zijn bewegingen, zelfs niet bij het versnellen op het stuk asfalt naar de finishlijn.

Als de Vlamingen Boom zien ploeteren, klinkt aanvankelijk hoongelach, maar later klappen ze uit respect. Hij moet passen op het parcours waar over ruim een maand het WK gereden wordt, en waar hij ook graag zou willen rijden. Niet om een wilde gooi te doen naar de regenboogtrui, maar „omdat het daar in Zolder een groot gekkenhuis gaat zijn”, zei hij onlangs tegen Omroep Brabant. „Dat wil ik meemaken.”

Boom zal zich nog een paar keer stevig achter de oren krabben over die beslissing, want hij komt als 43ste over de finish. Hij is de laatste veldrijder die evenveel ronden mag rijden als winnaar Van der Poel. Alle anderen worden van het parcours gehaald. Het scheelt twintig, dertig seconden of Van der Poel had zijn voormalig idool een ronde gedubbeld.

Na de finish rijdt Boom naar de witte camper waarin zijn ouders vanmorgen achter hem aan zijn gereden richting Vlaanderen. Geen reclame op de zijkanten, geen grote actiefoto’s die aangeven dat hier de grote Lars Boom zit, zoals wel het geval is bij de bussen van bijvoorbeeld Sven Nys en Klaas Vantornhout. Booms rentree ging met de nodige bescheidenheid gepaard, en met recht, zo blijkt. Hij had geen moment lekker op zijn fiets gezeten vandaag, zegt hij als hij opgefrist uit de camper komt. Zelfs niet op de stukken asfalt. Hij spreekt met een nasaal stemgeluid en hoest nu en dan stevig. „En ik heb behoorlijk last van mijn rug. Ik weet niet wat het is. Het zit vast, net als mijn luchtwegen.”

Boom stelt vast dat zijn niveau nog niet hoog genoeg is. Niet zo gek: vorige week bracht hij ziek door op het toilet en hij heeft pas sinds twee weken weer een crossfiets. In zijn garage stonden alleen racefietsen en een mountainbike. Dus teleurgesteld? „Nee, ik heb deze races nodig om wedstrijdritme op te doen, om beter te worden.”

Hij roept naar een fan die hem toejuicht. „Dit was niet goed.” Met armgebaren die een stijgende lijn aangeven: „Het kan nu alleen maar beter worden.”